Na 29 jaar trouwe dienst

SGP-leider Bas van der Vlies neemt na bijna drie decennia afscheid van de Tweede Kamer. Met bezwaard gemoed, en bovendien op het moment dat de christelijke partijen in de hoek zitten waar de klappen vallen. Dat relativeert hij. „In 1994 werd ook gezegd dat het einde van de christelijke politiek in zicht was.”

Het is een typische laatste dag. Vroeg in de ochtend, tegen zevenen, heeft de vertrekkend fractievoorzitter van de SGP, Bas van der Vlies, zijn eerste afscheidsinterview. En dat zal de hele dag doorgaan.

Nog even snel meedoen aan een debat over het verbod op de pelsdierfokkerij en een laatste foto met de leden van de Kamercommissie voor landbouw. Daarna de stemmingen in de plenaire zaal en een warm woordje van de Kamervoorzitter voor alle vertrekkende leden.

Bas van der Vlies valt, net als zijn SP-collega Jan Marijnissen, een staande ovatie van de collega’s ten deel. Als langst zittende Kamerlid valt hem de eer te beurt om de Kamer nog één keer toe te spreken. Als een predikant staat hij voor de Kamer. Dan is het afgelopen.

Van der Vlies is oud-Kamerlid en gewezen politiek leider van de SGP. Afscheid nemen zal nooit wennen, maar na een loopbaan in de Kamer van 29 jaar valt het misschien wel extra zwaar. Van der Vlies blijft op die dag, wat hem al die jaren kenmerkte, de bescheidenheid zelve. „Wat overheerst na zoveel jaren is dankbaarheid”, zegt hij beslist. „Ik ben niet onmisbaar, we hebben een uitstekende, frisse nieuwe fractieleider en, uiteraard, ook mijn leeftijd speelt een rol.”

Die 29 jaren overziend, hoe kunt u dan zeggen dat dankbaarheid bij u overheerst? We kunnen ons voorstellen dat u lang niet alle ontwikkelingen de goede kant op heeft zien gaan. We zouden ons kunnen voorstellen dat u zich inmiddels ietwat een vreemde voelt in eigen land.

„Een dergelijke uitspraak zou ik nooit doen. Hoe kan ik me een vreemde in eigen land voelen? Ik zou geen land weten waar het voor iemand als ik beter toeven is.

„Natuurlijk, ik begrijp waar u op doelt. En geestelijk gesproken is daar ook wel iets mee. De libertijnse, seculiere geest wordt ons steeds meer opgedrongen. Ik blijf me daartegen verzetten. Die seculiere geest vraagt mij mijn overtuiging in het publieke domein af te leggen. Dat kan ik niet en dat zal ik niet doen. We hebben in dit land een joods-christelijke traditie. Maar nu wordt de geloofsovertuiging naar het privédomein gebonjourd. Dat kan in mijn geval helemaal niet. Dat is onbestaanbaar. Mijn geloofsovertuiging is zowel publiek als privé zichtbaar.”

In uw afscheidsrede voor de partij komt dit aspect ook naar voren. U pleitte voor een primaat voor de christelijke cultuur in de Nederlandse samenleving. Dat is een niet makkelijk te duiden uitspraak. Wat zou dat voor praktische gevolgen hebben?

„Laat ik iets voorop stellen. Daarmee bedoel ik dus niet dat wij gewetens onze kant op willen dwingen. Al zie ik persoonlijk uiteraard liever de kerken vol en de moskeeën leeg. Wel suggereert het een hiërarchie in denkkaders. Ik kan als christen onmogelijk toegeven aan de gelijkschakeling van alle religies. In die zin vind ik dat het primaat bij de christelijke cultuur ligt. Dat betekent de zondag als algemeen erkende vrije dag, dat betekent het handhaven van het verbod op smalende godslastering en dat betekent bijvoorbeeld, ik heb er ooit voor mogen zorgen, dat het randschrift ’God zij met ons’ op de zijkant van de euro blijft staan.”

Dat kunnen we volgen. Maar een primaat voor de christelijke cultuur, wat kan dat voor gevolgen hebben? Kun je dat bijvoorbeeld zo verstaan, dat de vrijheid van onderwijs en de bekostiging van bijzonder onderwijs geldt voor christelijke scholen, maar niet voor islamitische?

„Ik begrijp u goed. Ik vind dat je de vraag ook best mag stellen of het gewenst is dat er scholen zijn met een islamitische grondslag. Maar er is een principieel onderscheid: als een dergelijke school voldoet aan de normen van de wet, dan is er geen grond om bekostiging door de overheid af te wijzen. Wij hebben indertijd niet tegen de komst van islamitisch onderwijs gestemd.

„In een dergelijk geval heb ik eerder een pragmatisch dan een principieel argument. In hoeverre zijn islamitische scholen gewenst vanuit de noodzaak te komen tot integratie? Ik denk dat het beter ware dat ze er niet zouden zijn. Vanuit de integratiegedachte dus. Ook al vind ik het natuurlijk persoonlijk zeer wenselijk dat in elke school onderwezen wordt met een geopende Bijbel.”

Gaat het u in dit soort discussies dan om de praktische lijn? Redeneert u vooral vanuit de historische traditie en de maatschappelijke gevolgen of legt u ook in het politieke debat een religieuze hiërarchie neer?

„Er is inderdaad een spanningsveld. Dat zal ik niet ontkennen. Als het primaat ligt bij de christelijke cultuur, wat doe je dan met een megamoskee? Of met hoge minaretten? Of wat met het oproep tot gebed in een taal die we toch met velen niet verstaan? Dit soort zaken willen we in de SGP met verstand oplossen. Het is nu zo’n voorbeeld hoe je zaken kunt oplossen zonder ze op de spits te drijven.

„We hadden een tijdje geleden de motie, ingediend door mijn fractiegenoot Van der Staaij, die partijen opriep wijze terughoudendheid te betrachten bij dergelijke zaken. Zelfs de minister van wonen, wijken en integratie, Van der Laan, vond het een goede motie. We hadden echter de pech dat op de zondag voor de stemmingen in Zwitserland in een referendum de bouw van minaretten verboden werd. Ook voorstanders van de motie-Van der Staaij vonden het daarna wijzer even pas op de plaats te maken.”

Geldt voor moslims dan niet wat volgens u voor christenen wel aan de orde is? Dat ze geen scheiding kunnen maken tussen privé geloven en publiek functioneren?

„Wat ik bedoeld heb te zeggen met mijn uitspraak over het primaat is niets meer en niets minder dan: pas op dat je, wat ik dan maar noem, het gelaat van de samenleving niet aantast. Daarmee moet worden voorkomen dat mensen zich een vreemde voelen in eigen land.

„Dat wij liever kerken zien dan moskeeën, dat kan iemand met een christelijke levensovertuiging zeggen zonder een zweem van discriminatie op zich te laden. Christus regeert, daar moeten alle andere principes het tegen afleggen. Maar alle mensen zijn mijn medemensen. Iedereen moet zich in dit land geborgen weten. Soms past daar wel wijze terughoudendheid bij.”

Uw collega’s hebben u in het verleden vaak de ruimte gegeven om uitzonderingsposities voor uw achterban te bevechten. Zal dat mogelijk blijven nu de, zoals u het noemt, seculiere liberale geest steeds meer overheerst?

„Ik heb nog niet gemerkt dat dat minder is geworden. Bij de nieuwe Zorgverzekeringswet was er ruimte voor gewetensbezwaarden. Dat verdient ook wel een compliment. We leven in een pluriforme samenleving waarbij we waar het even kan respect hebben voor elkaars opvattingen.

„Maar dat respect staat wel onder druk. Zo was er uitgerekend in het vorige kabinet met de ChristenUnie en het CDA de discussie over de trouwambtenaar en de vraag of hij verplicht moet worden om mensen van hetzelfde geslacht te huwen. Toen Job Cohen staatssecretaris van justitie was, deed hij niet al te moeilijk over de gewetensbezwaarde ambtenaar. Daar komen we samen wel uit, in onderling overleg, was het toen. Nu moet toch iedereen zich voegen naar de libertijnse, seculiere geest. „De koopzondagen, euthanasie, de opheffing van het bordeelverbod, het homohuwelijk, het is allemaal tot stand gekomen onder de paarse kabinetten.”

Dan zijn we weer terug bij de verkiezingsuitslag op het moment dat u de politiek achter u laat. Net als in 1994, toen het eerste paarse kabinet tot stand kwam, heeft het CDA fors verloren. Wat betekent dat?

„Deze uitslag geeft te denken. Er is geen enkele voor de hand liggende coalitie. Misschien komen er aan het eind wel nieuwe verkiezingen, dat zou ook nog mogelijk zijn.

„Het stemt me niet vrolijk, al is de SGP er met 10.000 stemmen extra goed van afgekomen. Welke combinatie het ook wordt, voor ons wordt het moeilijk.

„Maar ik laat me niet vastpinnen op een defaitistische grondhouding. Er zit ook nog een kant aan van betrekkelijkheid. In 1994 werd ook gezegd dat het einde van de christelijke politiek in zicht was. Er is een trouwe kern van mensen die voor de christelijke politiek kiezen. Dat zijn zo’n 30 tot 35 zetels, is met cijfers aan te tonen. Nu zitten we aan de onderkant, met 28 zetels samen. Maar al zouden we nog verder slinken, we blijven een goed verhaal hebben voor de samenleving.”

Het gesprek is klaar. Van der Vlies verheelt niet dat hij met bezwaard gemoed afscheid neemt van een functie die 29 jaar zijn leven overheerste.

De politiek boeide hem en slorpte hem op. Het was een opdracht maar ook simpelweg interessant om aan het politieke debat te kunnen nemen.

Het streelde hem – al zegt hij het niet – dat hij de nestor van de Kamer was. Wat rest is dankbaarheid en de mooie herinneringen. Hij begint, zegt hij zelf, aan een tweede huwelijk met zijn vrouw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden