Muzikale anarchie

De Wereldband serveert een cabareteske potpourri die moeiteloos mime, fysiek theater en muziek met elkaar verbindt.

De schokbestendige, waterdichte bouwradio blèrt pophitjes, het geluid van dreunende heipalen is te horen en voor je ogen ontvouwt zich een decor met steigers, bouwmaterialen en rondrennende bouwvakkers. Er wordt gelast, getrokken en gesjouwd. Welkom bij ’Keet’, de tweede voorstelling van De Wereldband.

Te midden van al dat bouwpuin staan en hangen opvallend veel muziekinstrumenten en wat er nog niet is, komt gedurende de show uit de coulissen tevoorschijn. Naast traditionele instrumenten als viool, trompet, gitaar, bas en drums, komen ook instrumenten voorbij met exotische namen als ’baglama’, ’darbuka’ en ’huluse’. Alles bij elkaar een kleine vijftig, bespeeld door de zes muzikale mannen van De Wereldband: Willem van Baarsen, Rogier Bosman, Sanne van Delft, Ro Krauss, Stanislav Mitrovic en Tim Satink. De mid-dertigers hebben allemaal gestudeerd aan het conservatorium, maar zijn nu ’omgeslagen’ naar het theater.

’Keet’ is een cabareteske voorstelling met alle muziekstijlen die je maar kunt verzinnen: van klassiek tot tango, van latin tot Roemeense zigeunerpop en van disco tot hillbilly cowboymuziek. Een bruisende potpourri die daarnaast moeiteloos mime, fysiek theater en muziek met elkaar verbindt. Het energieke zestal doet de rest. Bovendien leggen de mannen er een eer in alles wat ze niet kennen, toch te leren bespelen.

Ro Krauss: „We komen aan de meeste instrumenten via Marktplaats. Maar we hebben ook een Chinese vriendin die we een verlanglijstje geven: graag een arhu en een huluse. Haar familie stuurt het dan op. We weten van tevoren niet of we erop kunnen spelen.” Rogier Bosman vult aan: „Dat is het leukste. Als iemand het repetitielokaal binnenkomt met een nieuw instrument en strálende ogen: kijk eens wat ik nu weer gevonden heb. Geen idee hoe het moet, maar dat vogel ik wel uit.”

Krauss: „De beste instrumenten komen uit de verzameling ’alleen te gebruiken als wanddecoratie’. Zo bespeel ik nu een tuba die bij iemand aan de muur hing. Ik heb de stofwolken eruit geblazen.”

Bosman: „We houden erg van het doorbreken van principes. Zo hebben we een vibrafonette op de kop getikt, een kleine, Italiaanse variant op een vibrafoon. In een koffer, handig om mee te nemen. Een slagwerker raadde ons aan: nee joh, moet je niet doen, neem dan een echte vibrafoon. Maar we waren eigenwijs en het ding klinkt geniaal, echt een prachtig geluid komt eruit.”

Krauss: „Die tuba kreeg ik een half jaar geleden in mijn hand gedrukt, maar ik had nog nooit geblazen en in het begin ging het ook helemaal niet. Maar nu lukt het en vind ik het te gek om te doen. Ik heb echt de wet uit de muziekwereld – de eerste drie jaar dat je een instrument bespeelt, mag je je niet buiten vertonen – moeten loslaten.”

Bosman: „Daar trekken we ons dus niks van aan. Je kunt het of je kunt het niet, het is mooi of niet mooi, het is grappig of niet. Dat is het. Inmiddels is het een sport geworden zoveel mogelijk instrumenten toch te kunnen bespelen; het wordt een spelletje. Ik kon geen mandoline spelen en heb eigenlijk niks met snaarinstrumenten. Dan zit ik te balen: hoezo, ik kan het niet? Hij kan het toch ook?! Dan moet ik het ook kunnen.

We zoeken in die zin altijd naar de spanning in een muziekstuk of een scène. Een mooi nummer kun je gewoon mooi spelen, maar dan zegt er altijd wel iemand van ons; ’Ja maar, dat doet iedereen al. Dat willen we toch niet?’ Het is steeds zoeken naar: is het grappig omdat we er zo nodig een draai aan moeten geven of is het grappig omdat het iets in zich heeft van ’dit kun je eigenlijk niet maken’? Dat laatste is wat we willen. Als we bezig zijn nummers te bedenken, is het altijd: dit is goed, nou nog een conflict. Iets toevoegen dat eigenlijk niet kan, waardoor het een hoekje om gaat. We hebben ook heus wel mooie nummers, maar daar is dan toch iets geks mee. Zo spelen we een tango van Piazolla...” Krauss: „Daar krijgen we tangoliefhebbers mee op de kast! Omdat we kiezen voor een rare combinatie van basviool, bandoneón en de vibrafonette. Maar voor ons werkt het.”

De Wereldband kreeg vorm in 1997 toen vier van de zes – Van Baarsen, Bosman, Van Delft en Krauss – een Finse tangozangeres begeleidden. Bosman: „Wij hadden heel veel lol, probeerden allemaal rare, theatrale dingen uit, maar zij werd helemaal gek van ons. Niet leuk voor haar, maar wij hadden iets gevonden dat we echt leuk vonden.”

De eerste jaren speelden ze vooral op festivals, pas na een ontmoeting met Karel de Rooij (Mini van Mini & Maxi) werd voorzichtig aan het theater gedacht om hun muzikale capriolen uit te halen. In 2005 stond hun eerste voorstelling, ’Lekker warm’, op de planken. Morgen gaat hun tweede, ’Keet’, in première, geregisseerd door Martin van Waardenberg (Van Waardenberg en De Jong).

Bosman: „We wilden iets meer de absurde kant op en wat fysieker aan de slag. Qua muziek weten we wat we kunnen, we hebben er een visie op, dus is het fijn om iemand te vragen die uit een andere hoek komt. Die zegt: ’Ja, dit is dus saai, ik vind het helemaal niks.’ Dat is even slikken en we zijn wel kwaad geworden, maar het werkte enorm verfrissend. Zo denkt het publiek immers ook.”

De mannen van De Wereldband hebben nauwelijks een pauze gehad tussen de twee voorstellingen. Na ’Keet’ staan Bosman en Krauss nog op Oerol, het Terschellingse theaterfestival. Krauss: „Ik kan niet niet spelen. Na twee weken vakantie word ik helemaal gek, ik kan mijn viool niet loslaten.”

Bosman: „Ik was vorig jaar in Schotland, maar had stiekem mijn accordeon bij me. We kwamen in een dorpje en binnen de kortste keren zat ik twee, drie dagen mee te spelen met de muzikanten daar. Het is gewoon zo lekker om te doen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden