Muziekwenen

„Moet je huilen pap?” vraagt blijkens zijn mooie boekje ’Met de meeste hoogachting’ de dochter van de dichter Erik Menkveld als ze haar vader vol ziet lopen bij iets van Schumann. Mijn dochters waren er niet bij maar ik moest ook huilen. En ook bij Schumann. En ook bij iets van nauwelijks twee minuten, een bagatel. Het kwam zomaar opeens langs, op mijn iPod, die ik als een lopende bandarbeider heb volgestampt met mijn muziekcollectie zodat er soms ook stukken op staan die ik nooit eerder heb gehoord. Ik herkende het stukje niet, het was bijna niks, een paar akkoorden, wat verschuivingen, eenvoudiger kon het zo te horen nauwelijks. Het leken wel klanken uit mijn diepste verleden, alsof ik naar de kerk ging en ondanks mijn tegenzin opeens merkte dat er iets werd geopenbaard, hoe moet ik het zeggen? Alsof mijn wereld, van dreigende klimaatverandering, van Poolse, Bulgaarse, Roemeense gastarbeiders, van Bouterse en Uruzgan werd overgoten met eeuwigheid, ja, laat ik dat grote woord maar gebruiken. Het was het vierde stukje uit de Bunte Blütter, opus 99 van Schumann, een compositie waar weinig mensen veel aan vinden, geloof ik. Ik tot voor kort kennelijk ook niet want ik had het zonder enige speciale bedoeling op m’n iPod vastgenageld, gewoon ergens in de grote hoop. In de uitvoering van de pianist Arcadi Volodos die het en passant speelde op een recital in Carnegie Hall, New York. New York, wolkenkrabbers, 9/11, wat had dit stuk daar weinig mee te maken! Het leek zo van het land te komen, zonder opsmuk, zonder pretenties en al helemaal zonder lawaaierigheid. Volgens mijn eigen Urausgabe van Edition Peters (die ongeveer onopengesneden in de kast lag) was het stuk uit 1841, op de CD van Volodos werd daarentegen beweerd dat het uit 1848 was, nogal een verschil. In 1841 was Robert Schumann nog zielsgelukkig met zijn vrouw Clara, zeven jaar later leed hij al onmiskenbaar aan de neurasthenische aandoening die hem tenslotte in het gekkenhuis zou doen belanden. ’Iedere verstoring van mijn simpele dagorde brengt mij nog buiten mezelf en in een toestand van ziekelijke prikkelbaarheid’ schreef hij in die tijd aan Mendelssohn. Wat is dit bonte blaadje? Uitdrukking van eenvoudig geluk of soelaas voor toenemende melancholie? Mij maakte het niet uit, mijn tranen kwamen met even groot gemak van geluk als van melancholie tevoorschijn. Vestdijk schrijft in een van zijn muziekessays: „Dilettanten zijn bescheiden lieden en tot in het diepst van hun ziel ontroerd, wanneer zij, zoals mij in de jaren twintig te beurt viel, twee stoelen van zich af tijdens een uitvoering van deze symfonie (de Zesde) van Mahler de violist Alexander Schmuller mogen ontwaren, die bepaalde passages uit het laatste deel met een schokkend snikken begeleidde.” Tot dit gilde van snikkende muziekliefhebbers was ik dus ook toegetreden; alleen deed ik het onbespied en helemaal in m’n eentje. Het openbare snikken bij dit stukje moet nog maar even worden uitgesteld, als ze het op mijn begrafenis laten horen, alstublieft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden