Muziek voor lofts en galeries

Dit jaar viert Philip Glass zijn zeventigste verjaardag. Reden genoeg om hem te eren met een festival in Groningen. De wereldberoemde Amerikaan kruipt daar zelf achter de piano, onder andere voor de Nederlandse première van ‘Book of Longing’.

De Amerikaanse minimalist Philip Glass is dit jaar 70 geworden en geldt al weer lange tijd als gearriveerd componist. In 1969, tijdens zijn eerste Europese tournee, trad hij op in het Stedelijk Museum in Amsterdam, als assistent van beeldend kunstenaar Richard Serra. Muzikaal minimalisme was toentertijd sterk verbonden met beeldende kunst.

Glass’ muziek werd in die tijd nog beschouwd als een doorgeschoten vorm van performance art. De museumzalen en galeries van vroeger hebben echter plaatsgemaakt voor internationale concertzalen (Glass schreef acht symfonieën), operahuizen (ruim twintig opera’s) en bioscopen (bijna veertig filmscores). Hoewel zijn academische collega’s soms wat lacherig doen over de ‘commerciële’ Glass, draagt een breed en gemêleerd publiek hem wereldwijd op handen.

Zelf is Glass trouwens niet zo dol op het label van minimal composer dat hij nog steeds krijgt aangemeten. Hij noemt zichzelf liever theatre composer. En eerlijk is eerlijk: dat dekt de lading inderdaad beter. Glass: „Ik schreef mijn eerste theatermuziek toen ik twintig was. Ik studeerde toen nog aan de Juilliard School of Music en werd gevraagd muziek bij een toneelstuk te schrijven. Wat me zo aantrekt in theatermuziek? Neem opera: je hebt te maken met een tekstschrijver, en choreograaf, een decorbouwer, soms een dichter, zangers en acteurs, een lichtman. Al dat talent dat aanwezig is op de bühne: I LOVE that!”

De internationale doorbraak kwam voor Glass met Einstein on the Beach in 1975. Een opera van Robert Wilson die met alle conventies van dat genre brak: een duur van vijf uur, geen duidelijke verhaallijn, en een koor en een vertelstem als belangrijkste personages. Is Glass in die beginjaren zelf nooit geschrokken van zijn radicale muziek? „Toen ik mijn eigen stijl begon te ontdekken was ik 27. Ik vertoefde toen al ruim twintig jaar in de muziek, dus ik wist hoe radicaal het was wat ik deed. Nadia Boulanger gaf me een geweldig vertrouwen in mijn eigen techniek. Dus als mensen zeiden ‘je bent gek, je weet niet eens hoe je muziek moet maken’, lachte ik om ze. Om op je vraag terug te komen: nee, ik ben nooit bang geweest voor wat ik deed, ik werd er juist door gestimuleerd om door te gaan.”

Glass wil in dit verband best een anekdote kwijt. Toen hij begin jaren zeventig optrad in Keulen, sprak hij met een Duitse concertorganisator. Die bekeek Glass’ partituren en zei hem: ‘Dit is heel interessant, maar heb je er weleens over gedacht om les te nemen op de muziekschool?’ Glass: „Dat soort commentaar krijg ik nu nauwelijks meer. Je moet je ook bedenken dat mijn muziek in de jaren zeventig voornamelijk door mijn eigen ensemble werd gespeeld. Tegenwoordig is mijn werk internationaal bekend in de ballet- en operawereld en wordt die wereldwijd gespeeld door vooraanstaande orkesten, ensembles en solisten.”

Bepalend voor Glass’ muzikale denken was zijn samenwerking met sitarspeler Ravi Shankar, met wie hij de filmmuziek voor Chappaqua (1966) maakte. Naar aanleiding van die muzikale ontmoeting reisde Glass naar India. Hij kwam in contact met de cultuur van Tibet, en zijn stijl veranderde drastisch. Hij begon te experimenteren met zijn beroemd geworden repetitieve stijl.

„Ik ben net zo geïnteresseerd in rockmuziek als in muziek uit Afrika of Azië. Ik kijk naar muziek in een global way. Ik werkte samen met Ravi Shankar, maar ook met David Bowie, Paul Simon en Bono.” Het valt op dat het oosterse gedachtengoed vroeger duidelijk aanwezig was in Glass’ muziek, terwijl die tegenwoordig verzadigd lijkt van een romantische, negentiende-eeuwse klank. „Vind je dat? Hmm, misschien wel, misschien wel. Maar op dit moment werk ik bijvoorbeeld weer aan Tibetan Book of the Dead voor de Asian Society in New York. Daar spelen vier Tibetaanse musici een rol in, samen met Amerikaanse musici. En zo heb ik de laatste jaren wel meer werk geschreven met die oosterse invloeden. Ik treed binnenkort ook op met Anoushka Shankar, Ravi’s dochter. Die wereldmuziekelementen zijn dus niet helemaal verdwenen. Ze kunnen van tijd tot tijd sluimeren, maar ze vormen een wezenlijk deel van mijn muzikale denken.”

Maar toch: binnen zijn onmiskenbare stijl van herhalende drieklanken zoekt Glass steeds meer aansluiting bij Debussy, Britten, Sibelius en... toch altijd weer die popmuziek. Was zijn Low Symphony al gebaseerd op muziek van David Bowie en Brian Eno, zo componeerde hij met de Heroes Symphony in 1996 een geslaagde opvolger. Glass’ orkestwerken lijken alsmaar milder en verfijnder van kleur te worden. In vergelijking met zijn vroegere ensemblewerken zijn ze minder in your face, meer opgebouwd volgens een bijna romantisch schema van spanning en ontspanning.

„Dat is een proces dat al langer gaande is. De technieken die ik gebruikte in Music in Twelve Parts zou ik nu niet meer zo makkelijk transplanteren naar een orkest. De Romantiek vormt een deel van mijn muzikale persoonlijkheid. Ik heb die kant toegestaan in mijn componeren, ik ga die niet meer uit de weg. Dat begon eigenlijk met het Vioolconcert uit 1987. Mijn vader is altijd een liefhebber geweest van de grote klassieke vioolconcerten: we hadden ze allemaal thuis op plaat. Zijn favoriet was het concert van Felix Mendelssohn. Ik bedacht dat ik een stuk wilde maken waar mijn vader (die toen al dertien jaar dood was) van gehouden zou hebben. Dus baseerde ik mijn eigen Vioolconcert op dat van Mendelssohn. Vrij letterlijk zelfs. Maar dat heb ik zó goed weten te vermommen, dat nog niemand ooit de vergelijking heeft getrokken tussen die twee werken. Ik heb de romantiek voor mezelf weer ontdekt door de oren van mijn ouders.”

Bijzonder in het Groningse festival is de Nederlandse première van het anderhalf uur durende Book of Longing: een werk voor koor, tape met spreekstem en ensemble (Glass speelt in Groningen zelf keyboard) op tekst van de singer/songwriter Leonard Cohen. Glass en Cohen kenden elkaar al dertig jaar losjes. „We besloten een voorstelling samen te maken. Maar vervolgens verdween Leonard acht jaar lang in een klooster. Toen hij twee jaar geleden het klooster verliet en zijn werk weer oppikte, schreef ik hem voorzichtig of hij nog aan ons project had geacht. Tuurlijk, zei hij toen.”

Book of Longing is Cohens meest recente poëziebundel, waaruit Glass tweeëntwintig gedichten koos om op muziek te zetten. „Het kortste gedicht gaat zo: You go your way / I’ll go your way too. Dat is zó mooi! Ik laat Leonard de korte gedichten voordragen op band, samen met een paar strijkers.”

Desgevraagd zegt de zeventigjarige componist dat hij niet veel terugkijkt. Toch waagt hij een poging. „Vroeger klonk mijn muziek alleen door mijn eigen ensemble. Toen mijn goede vriend Steve Reich en ik in de dertig waren, zei Steve: ‘Op een dag speelt iedereen onze muziek’. Ik antwoordde hem: ‘Steve, dat kan onmogelijk waar zijn. Onze muziek hoort niet thuis in concertzalen. Wij spelen in lofts en in galeries.’ ‘Let jij maar eens op!’, zei Steve. En hij blijkt gelijk te hebben gehad.”

Philip Glass Festival: 20-27 oktober in Groningen: www.philipglassfestival.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden