Muziek als spiegel van oorlogen, revoluties, crises en rampen

Alex Ross plaatst in zijn meeslepende boek muziek en componisten van de vorige eeuw in het perspectief van de ontwrichtende politieke en sociale ontwikkelingen die dit tijdperk hebben bepaald.

Alex Ross: The Rest is Noise. Farrar Straus and Giroux. New York. ISBN 9780374249397; 624 blz. euro 33 (gebonden – volgende maand verschijnt een goedkopere paperbackeditie).

Niets is waarschijnlijk zo moeilijk als het helder en aanstekelijk schrijven over muziek, een kunst die zich meestal met succes afschermt tegen de macht van het woord. Klanken kunnen, afhankelijk van de combinatie en de voorkeur van de luisteraar, mooi of lelijk gevonden worden, een stemming uitdrukken of oproepen, maar op eigen kracht reikt hun boodschap niet verder.

„Muziek drukt alleen zichzelf uit”, aldus Igor Stravinsky, een van de belangrijkste componisten van de afgelopen eeuw.

Je moet dus van goede huize komen om een niet alleen goed leesbaar, maar ook nog meeslepend boek te kunnen schrijven over de muziek van de twintigste eeuw – voor het gros van de concertbezoekers niet de tijd waarin hun favoriete muziek werd geproduceerd.

Alex Ross, de muziekrecensent van het Amerikaanse weekblad The New Yorker, is daar in het algemeen uitstekend in geslaagd. Met zijn ‘The Rest is Noise’ (De rest is lawaai), heeft hij de lat zeer hoog gelegd voor iedereen die na hem nog een boek, essay of artikel over de muziek van de vorige eeuw denkt te moeten schrijven.

De ondertitel luidt ‘Luisteren naar de twintigste eeuw’ en dat is exact wat Ross beschrijft. Muziek en componisten worden in het perspectief geplaatst van de ontwrichtende politieke en sociale ontwikkelingen – de communistische en fascistische revoluties, de economische crises, de oorlogen – die de afgelopen eeuw hebben bepaald. Het boek van Ross is daarom ook een politieke en cultuurgeschiedenis.

Iemand die weinig tot niets weet van het twaalftoonsysteem en een A majeur niet van een D mineur weet te onderscheiden, kan snel geïntimideerd worden door een boek over ‘ernstige’ muziek. Ook Ross bespreekt de technische aspecten vaak uitvoerig, maar de lectuur wordt er zelden door belemmerd. Dat is te danken aan zijn soepele en beeldende stijl, en vooral, zijn enthousiasme. Ik heb het boek regelmatig weggelegd om een cd op te zetten van een componist die ik soms jaren niet had beluisterd.

De muziekgeschiedenis van de twintigste eeuw kan worden verteld als een strijd tussen traditionalisten en vernieuwers. Dat is dan ook een van de leidmotieven in ’The Rest is Noise’.

Ross begint zijn verhaal in 1906 als in Graz ‘Salome’, de opera van Richard Strauss, zijn Oostenrijkse première beleeft. Voor het conservatieve Wenen was Strauss’ opera te veel nieuwlichterij, vandaar dat uitgeweken moest worden naar de muzikaal in elk geval progressievere provinciestad. Iedereen die iets voorstelde in de internationale muziekscene zat in de zaal om naar die ‘vreselijke kakofonie’ te luisteren: onder wie de componisten Mahler, Puccini, Schönberg en Zemlinsky. Jonge fans waren uit Wenen gekomen om met de partituur in de hand maar niets van het grote evenement te missen. Onder hen zou zich ook een zeventienjarige scholier bevonden hebben, die vooral van Wagner hield. Dat zou Adolf Hitler de componist later hebben verteld. Hij heeft het vermoedelijk uit de duim gezogen, maar het geeft aan hoe baanbrekend de opvoering in Graz werd gevonden.

‘Salome’ werd tot grote schrik van de gevestigde orde een daverend succes. „Als een bliksemflits verlichtte het een muziekwereld die op de rand stond van traumatische veranderingen”, schrijft Ross. Daarmee is de toon gezet. Het decor zal regelmatig veranderen, maar het plot ligt goeddeels vast.

In een bonte parade trekken de hoofdrolspelers voorbij. De modernisten, zoals Schönberg en zijn leerlingen Alban Berg en Webern die met hem de zogeheten tweede Weense School vormen (de eerste bestond zonder dat ze het wisten uit Haydn, Mozart, Beethoven), maar ook een traditionalist als de grote Finse componist Jean Sibelius.

De tegenstellingen liepen niet alleen tussen het modernistische en behoudende kamp. De Oostenrijker Schönberg en de Rus Stravinsky waren beide vernieuwers, maar dat verhinderde ze niet elkaar met wantrouwen te beloeren. Afgezien van de verschillen in benadering en filosofie maakte zijn succes Stravinsky in de ogen van Schönberg suspect. Applaus was het bewijs van falen.

De eerste helft van de twintigste eeuw was de tijd van de totalitaire dictators. Stalin en Hitler vonden dat ze ook kunstkenners waren en werden door hun positie scherprechters van de juiste, dat wil zeggen: hun smaak. Stalin was hierin de meest onbuigzame. En de componist die het meest onder zijn luimen te lijden had was Dmitri Sjostakovitsj.

In een van zijn beste hoofdstukken beschrijft Ross hoe de meest getalenteerde componist van de Sovjet-Unie door de chicanes van de dictator en zijn apparatsjiks in een levend wrak veranderde. Het zegt alles over zijn genie dat hij toch in staat bleef naast het verplichte propagandistische ramsjwerk grootse muziek te schrijven.

Pas na de dood van Stalin in 1953 kon hij vrijer ademhalen, maar de schade na jaren stalinistische sloopwerk was onherstelbaar. Zijn laatste jaren werden draaglijk gemaakt door zijn vriendschap met zijn Engelse collega Benjamin Britten, in wie hij een geestverwant herkende. Het waren ‘angstige jongenszielen in een mannenlichaam’, zegt Ross.

Na de Tweede Wereldoorlog wordt het terrein beheerst door een avant-garde die regelmatig sektarische trekjes vertoont. Het zijn vaak exercities in een doodlopende straat. De componisten componeren uitsluitend voor ingewijden. Aan het grote publiek hebben ze maling. De oppersektariër is de Fransman Pierre Boulez, die niet alleen de collega’s van de herkenbare melodie verachtte, maar net zo makkelijk medestanders verketterde die niet recht genoeg in de leer bleken.

In zijn streven naar volledigheid stuit Ross hier op zijn grenzen. De tekst is nog steeds goed leesbaar, maar over de lezer die minder goed thuis is in het serialisme, musique concrete, minimalisten en andere hemelbestormers wordt een zak namen uitgestort die hem weinig zeggen. De liefhebber zal het ongetwijfeld weten te waarderen, maar ik kan me voorstellen dat lezers voor wie Sjostakovitsj en Britten al modern genoeg zijn, hier afhaken. Ross had bijvoorbeeld meer ruimte kunnen vrijmaken voor jazz en pop. Deze worden wel behandeld, maar voornamelijk daar waar ze raakvlakken hebben met de ‘ernstige’ muziek.

Maar dit zijn kanttekeningen die nauwelijks afbreuk doen aan Ross’ fascinerende studie. ’The Rest is Noise’ is een standaardwerk dat vermoedelijk niet gauw overtroffen zal worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden