Muziek als levensdraad

Albert Christ 1950-2013

Deze maand zou het eindelijk gebeuren: een kerstconcert van zijn geliefde koor. Hij zette alles op alles om er een hoogtepunt van te maken.

Nieuwe leerlingen waren een beetje bang voor hem. Met zijn forse gestalte, zijn donkere blik en zijn diepe stem die als een grom kon klinken, leek hij een vervaarlijk man. Als hij 's morgens toezicht hield bij de stalling en 'Fietsen in het rek' verordonneerde, dan waagde niemand hem op de proef te stellen.

Maar als leerlingen bij hem kwamen om een wondje te laten bepleisteren, of als ze zich bij hem moesten melden voor strafwerk, dan leerden ze hem kennen als een zorgzame man, met wie je makkelijk kon praten en grappen maken. Zijn werkruimte, waar hij al het drukwerk van de school printte, was een veilige haven voor leerlingen en collega's.

Als hij zijn blauwe stofjas uittrok en achter de piano ging zitten voor het 'open podium' van het Willem van Oranje College in Waalwijk, dan bloeide de conciërge Albert Christ op tot een compleet andere man. Dan was hij een en al muziek.

Hij vond het jammer dat hij van muziek niet zijn beroep had kunnen maken. Daar had hij zich lang geleden al bij neergelegd. Het leven was nu eenmaal anders gelopen. Maar buiten zijn baan als conciërge wijdde hij zich helemaal aan de muziek.

Vooral het koor met combo Laudate Dominum, dat hij al 31 jaar dirigeerde, was zijn trots. Met zijn linkerhand leidde hij het koor, zijn rechterhand en voeten bespeelden het orgel en zijn hoofd knikte naar het combo. Hij had het koor overgenomen van zijn vader Paul, die op zijn beurt het dirigeren had geleerd van zijn vader. De muziek zat dus in Alberts bloed.

Appie (zoals iedereen hem noemde) was drie jaar oud, toen zijn vader een muziekhandel overnam in Tilburg. Sinds die tijd was Appie omringd door muziekinstrumenten. Al jong werd hij ingeschakeld bij het maken van trommels voor muziekkorpsen: hij moest ze rood schilderen. Vader gaf ook les in trommelen en Appie ging mee om de roffels voor te doen, want daar was hij goed in. De jongen pikte alle muziek makkelijk op en hij bleek een absoluut gehoor te hebben; hij kon muziek moeiteloos naspelen. Zo leerde hij ook van het orgelspel van zijn vader in de kerk van de gereformeerde bond. Maar hij deed het op zijn eigen manier. Toen hij jaren later in diezelfde kerk organist wilde worden, waren ze daar niet zo gecharmeerd van zijn spel, dat ze veel te snel en ritmisch vonden. In andere kerken zou dat later wel aanslaan.

Voor de muziek deed hij alles, maar op school deed hij minder zijn best. Liever zat hij met zijn neus in de Donald Duck dan in de schoolboeken. Op de mulo zat hij stiekem in een schoolband die ook optrad met carnaval, een gruwel voor zijn protestantse ouders. Hij probeerde het geheim te houden totdat er een foto in de krant stond met Appie achter het drumstel met een sombrero op.

Toen hij met geelzucht zes weken in bed moest blijven, gebruikte hij die tijd om zichzelf gitaar te leren spelen, liggend op zijn rug.

Hij maakte de mulo niet af. Zijn militaire dienstplicht deed hij bij de marechaussee, waar hij alsnog zijn schooldiploma haalde en natuurlijk in een band speelde met collega's. Heel wat uren heeft hij staan kleumen bij de hekken van ambassades en paleizen. Hij leerde er ook judo en karate en dat gaf hem een sterk lichaam. Het mooist vond hij het rijden op zo'n zware motor, daar maakte hij veel indruk mee als hij thuis kwam.

In zijn uniform trouwde hij op z'n 22ste met een meisje dat hij kende van de kerk. Ze zouden twee kinderen krijgen. Omdat hij bij haar wilde zijn, ging hij bij de politie in Waalwijk werken. Dat was saai, want er gebeurde zo weinig dat de surveillanten in hun nachtdienst een uiltje knapten in de polder. Hij moest vooral veel bonnen schrijven en dat zinde hem niet.

In 1980 kreeg hij een kans bij de maker van orgelfabrikant Eminent. Hij trok het hele land door, en ging soms naar het buitenland, om de elektronische orgels te demonstreren. Ook deed hij toelatingsexamen voor het conservatorium in Tilburg en hij mocht meteen beginnen in het derde leerjaar. Maar van de studiebeurs kon zijn gezin niet leven. Dus hij moest blijven werken, nu voor een muziekwinkel in Waalwijk, waar hij ook een orgelschooltje begon.

Na twee jaar ging die winkel failliet, zijn vader overleed en zijn huwelijk viel uiteen.

Appie had het moeilijk toen hij alleen achterbleef in de echtelijke woning. De aanblik van de lege kinderkamers deed hem verdriet. In de muziek kon hij zijn gevoelens kwijt.

In een Waalwijks café waar hij weleens ging biljarten, leerde hij de eigenares kennen, Henriëtte Hoevenaar, een gescheiden vrouw met eveneens twee kinderen. Ze vielen voor elkaar, ze trouwden en hij werd ook een vader voor haar kinderen. Zij is katholiek en ze leerden de kinderen de protestantse en katholieke versie van het Onze Vader; de katholieke had de voorkeur, want die was korter.

Wat zijn werk betreft, koos Appie voor zekerheid en hij werd schoolconciërge. Eerst even in Den Bosch, vervolgens bij het Willem van Oranje College in Waalwijk, waar hij de rest van zijn leven, 27 jaar lang, zou blijven. Hij vond het een hele eer dat hij een half jaar lang mocht invallen als leraar muziek, ook al had hij daar niet de vereiste papieren voor.

Met Henriëtte en haar beide kinderen betrok hij een woning in Waalwijk, waarvan ze de schuur uitbouwden tot een muziekschooltje met een piano en een orgel. Daar gaf hij na het avondeten les om vervolgens naar een koorrepetitie te snellen. Tussendoor vond hij tijd om muziekstukken te bewerken, want hij kon geen noot met rust laten.

Zijn smaak was breed, van klassiek tot populair, als er maar geen beat in zat. Hoewel... toen een van de kinderen aan kwam zetten met een nummer van reggaezanger Bob Marley, speelde hij na een paar minuten de akkoorden feilloos na. Met zijn kleinkinderen speelde hij even lief 'Poesie mauw' en dan wist hij ondanks zijn dikke vingers nog muziek te halen uit een speelgoedpianootje. Vandaar dat hij Opa Piano werd genoemd, een bijnaam waarop hij trots was.

Hoe groot zijn talent ook was, hij bleef altijd zenuwachtig voor een optreden. Meestal speelde hij uit zijn hoofd, maar de bladmuziek moest wel binnen handbereik liggen. Vaak werd hij gevraagd voor feesten ('bruiloften en vechtpartijen' noemde hij die) en dan maakte hij indruk met verzoeknummers. Als hij de mensen aan het dansen kon krijgen, dan genoot hij.

Zijn grote liefde bleef het koor Laudate Dominum dat zijn vader had opgericht. Toen hij er 47 jaar geleden lid van werd, zong hij eerst bas, daarna was hij begeleider en vervolgens dirigent. Ze zongen in kerkdiensten, twee musicals, vele uitvoeringen van de Matthäuspassion tot in Antwerpen toe. Dit jaar zou het koor met combo voor het eerst zelfstandig een kerstconcert geven. Appie keek ernaar uit. Hij was in juli al met de voorbereidingen begonnen. Hij zocht het repertoire bijeen, en dat kostte hem veel tijd want hij was altijd alles kwijt. Maar hij kreeg het voor elkaar, een cantate van Bach en lichtere kerstliederen. Voor hem zou het moderne Engelse kerstlied 'Hark The Herald' het hoogtepunt worden, daar was hij idolaat van.

Onverwacht stond 's nachts zijn hart stil in zijn slaap en dat geliefde kerstlied klonk op zijn begrafenis.

Albert Christ werd geboren op 17 april 1950 in Sprang-Capelle. Hij stierf op 19 november 2013 in Waalwijk.

Met zijn linkerhand leidde hij het koor, zijn rechterhand en voeten bespeelden het orgel en zijn hoofd knikte naar het combo

In Naschrift beschrijft Trouw het leven van onlangs overleden bekende of heel gewone mensen. Een tip voor Naschrift? Mail naar naschrift@trouw.nl Of per post naar Trouw/Naschrift, postbus 859, 1000 AW Amsterdam

Albert Christ had leren dirigeren van zijn vader, die het daarvoor weer van zíjn vader had geleerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden