Mutti und ich

SCHRIJVER EN FILMMAKER CHERRY DUYNS (WUPPERTAL, 1944) OVER ZIJN MOEDER 'HILDEGARD'


"Op de slingerklok aan de wand bij mijn Duitse grootouders stond een afbeelding en tekst uit de opera 'Lohengrin':


'Nie sollst du mich befragen,


noch Wissens Sorge tragen,


woher ich kam der Fahrt,


noch wie mein Nam' und Art'.


Wat je in het kort kunt vertalen als: vraag me nooit naar mijn naam en afkomst. Dat gedicht sprak me erg aan omdat ik altijd vermeed te zeggen dat ik een Duitse moeder had. Daar kon je beter niet voor uitkomen.


Mijn moeder kwam uit Wuppertal. Ze heeft mijn vader tijdens de oorlog ontmoet toen hij voor de Arbeitseinsatz in Duitsland moest werken. Hij was 19, zij 21, kinderen nog. Hij werkte in een fabriek waar hij bommen moest maken. Van beroep was hij goochelaar en jongleur, dus die stond daar spoedig te jongleren met allerlei gereedschap. 'Wat moet dat?' zei de opzichter. 'Ik ben varieté-artiest', antwoordde mijn vader. 'Dan mag je hier varieté gaan doen.' En zo gebeurde het. In een gelegenheid waar hij een keer optrad, zat mijn moeder in het publiek, en zo hebben ze elkaar ontmoet.


Zij had een natuurlijk talent en binnen de kortste keren kon ze haast net zo goed goochelen als hij. Ze was een mooie vrouw om te zien en daarbij waanzinnig muzikaal, en zo werden zij het varieté-echtpaar 'Montagne en Yvonne'. Ze hadden koffers waarop stond 'Paris, London, Prag', allemaal steden waar ze nooit geweest waren!


Ik ben in 1944 in Wuppertal geboren. Mijn moeder was na de bevalling in het ziekenhuis met bed en kind op de gang gezet. Een Duitse vrouw mocht niet zwanger worden van een buitenlander. In 1945 zijn mijn ouders naar Nederland gekomen. Ze traden op als illusionisten met een goochelnummer in hun eigen 'mysterieshow'.


De omstandigheid dat hij in Duitsland had gewerkt en vervolgens met een Duitse vrouw terugkwam, zorgde ervoor dat hun huwelijk niet goed ging. In de zomer van 1951 nam mijn moeder mij mee naar Duitsland. Vanuit zomers Haarlem kwamen we 's avonds aan in Wuppertal. Er was nauwelijks straatverlichting, overal ruïnes. We zijn in het donker naar het huis van haar ouders gelopen en daar heb ik anderhalf jaar met mijn moeder gewoond. Van een kennis leerde ik wat Duits en na een half jaar werd ik naar de Volksschule gebracht.


Ook daar was ik weer de buitenlander; ditmaal een kaaskop. Als we soldaatje speelden in de Trümmern - geen indiaantje of cowboytje maar de Duitse troepen tegen de geallieerden - en ik moest altijd Tommy zijn, de Engelsman die dan altijd verloor, haha. 'Hau ab Mensch! 'Du bist Tommy.' Dat was niet jofel.


In 1953, ik was 9 jaar, nam mijn vader mij mee voor de kerstvakantie. Mijn speelgoed lag nog in Duitsland. We woonden bij mijn oma, mijn vader lag op bed te roken en ik vroeg: wanneer ga ik weer naar huis? En hij zei: 'Nooit meer'. Toen was ik ineens weer een Duitser in Nederland. Ik sprak nauwelijks nog Nederlands. Ik zei geen 'au' maar 'auwa' en 'walm' werd 'Qualm'.


Mijn vader hoopte dat mijn moeder wel mee zou komen, maar voor haar was er te veel gebeurd. Dus zij zat ineens zonder kind in Duitsland en moest op een fabriek werken. Later vertelde ze me dat ze heel verdrietig was dat ik niet bij haar was; het werd haar zelfs kwalijk genomen.


Lange tijd wilde ik niks met Duitsland te maken hebben. Wanneer gevraagd werd waar ik geboren was, zei ik: 'Haarlem'. Pas jaren later mocht ik in de grote vakantie naar mijn moeder. Zij deed haar best het me naar de zin te maken maar ze was inmiddels met een andere man en dat had toch iets ongemakkelijks. Over de oorlog praatte ze niet graag. Dan kreeg ze een wat afwezige blik in haar ogen; ze vond dat confronterend en onaangenaam. Alles wat op televisie over de oorlog of over geweld werd getoond, zette ze onmiddellijk af.


Wat ik aan mijn moeder en mijn achtergrond heb overgehouden, is een grote belangstelling voor de Duitse cultuur: muziek, literatuur, schilderkunst, het is allemaal op de een of andere manier zo vertrouwd. En de taal zo vanzelfsprekend. Als ik over de grens kom, spreek ik ineens vloeiend Duits.


Ik denk dat mijn moeder best trots op mij was. Ze zag op afstand hoe ik mij ontwikkelde. Toen mijn roman 'De Zondagsjongen' uitkwam vond ze die pijnlijk om te lezen. Later eindigde elk afscheid met 'Dag, mijn zondagsjongen.'


Toen ik aan het einde van haar leven haar kamertje in het verzorgingshuis in Wuppertal binnenkwam en naar haar keek, dacht ik: dit is een stervende vrouw. Er gebeurde iets heel curieus. Ze had haar ogen dicht, ik stond over haar bed geleund en ineens deed ze haar ogen open en zei: 'Wie bent u?' - in het Nederlands. Ik was stomverbaasd en ik zei: 'Cherry'. 'Ach, Cherry ... dag, mijn zondagsjongen.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden