’Musiceren is een liefdesdaad’

De hoogbejaarde pianist Aldo Ciccolini staat vier avonden in het Amsterdamse Concertgebouw. „Ik ben verliefd op toon.”

De 82-jarige Franse pianist Aldo Ciccolini staat voor een zware klus: vanavond, maandagavond en dinsdagavond zal hij in het Amsterdamse Concertgebouw drie keer met het Nederlands Philharmonisch Orkest het Tweede pianoconcert van Rachmaninov uitvoeren. In de tussentijd geeft hij zondagavond in dezelfde zaal een solorecital. Zelfs onder jonge pianisten zullen er weinigen zijn dit de bejaarde maestro nadoen.

„Ja, het betekent heel veel studeren als je zoveel noten moet spelen”, zegt Ciccolini. Met slechts één repetitiedag met het orkest in het vooruitzicht, heeft hij geen bezwaar om ’s avonds laat nog een interview af te geven, als hij moe en verreisd na een vertraagde Thalys-rit in zijn Amsterdamse hotel arriveert. Behoefte aan zijn bed lijkt hij niet te hebben: „Ik ben altijd een hele slechte slaper geweest. Daarom studeer ik vaak midden in de nacht. Als ik om twee uur nog wakker lig, sta ik op en ga ik aan het werk, soms wel tot zeven uur in de ochtend. Je kunt die tijd beter nuttig gebruiken dan in bed te liggen woelen.”

Ciccolini’s buren zullen daar weinig last van hebben, want de pianist zegt dat hij meestentijds mentaal studeert, in zijn fauteuil, zonder een piano aan te raken. „De mentale studiemethode is ontwikkeld door de pianist Leimer Gieseking. Voordat je een stuk gaat spelen leer je het helemaal uit je hoofd, je bedenkt de vingerzettingen en de interpretatie. Dat memoriseren kost heel veel tijd, want je moet iedere noot evalueren, en bedenken welke toonkwaliteit nodig is. Als ik een concertprogramma voorbereid, loop ik weken met die stukken in mijn hoofd en denk ze noot voor noot door, tot ik precies weet hoe het moet gaan klinken. Daarna komt pas het werk aan de piano.”

Pratend met Ciccolini valt constant het wordt ’toon’. „Ik ben verliefd op toon. De noodzaak om daarmee bezig te zijn, heb ik geleerd van mijn allereerste lerares in mijn geboortestad Napels, van wie ik tot mijn achtste les had. Een toon hoeft niet altijd mooi te klinken, maar kan ook lelijk zijn, als het karakter van een muziekstuk, zoals een Prokofjev-sonate, daar om vraagt. Hoofdzaak is dat een toon nooit betekenisloos mag klinken. Musiceren is namelijk een verhaal vertellen, communiceren. De compositie recht doen, daar gaat het om. Als uitvoerend musicus ben je een dienaar, enerzijds van de muziek, anderzijds van het publiek. Ik heb daarom helemaal geen behoefte om mezelf op de voorgrond te plaatsen. Ik ben ook niet trots op het behaalde resultaat, noch belust op succes. Musiceren is een daad van liefde.”

Het door Ciccolini genoemde uitdenken van het klankbeeld lijkt tot een zeer voorbedachte en cerebrale musiceerwijze te leiden. Toch zegt hij dat het hebben van spontaniteit een eerste vereiste is op het podium. „Als je een compositie volledig geabsorbeerd hebt, doen de vingers hun werk als vanzelf en kun je spontaan musiceren. Maar tegelijk moet je heel voorzichtig blijven en nooit de volledige controle verliezen. Je moet steeds een paar tonen vooruitdenken.” Dit vraagt dus een opperste concentratie, lijkt de conclusie, maar Ciccolini roept uit: „Concentratie is gevaarlijk! Het is een vies woord, want het gaat tegen de aard van de muziek in. Wie zich concentreert, focust zich op één moment in de tijd, op één plaats in de ruimte. Muziek is echter een constante beweging door de tijd. In die stroom moet je mee bewegen; je kunt niet stil blijven staan.”

Dat dit een moeilijk proces is, ervaren musici aan den lijve. Vaak leidt dit tot podiumangst, zelfs bij een grootmeester als Aldo Ciccolini: „Op het conservatorium in Napels had ik een leraar die het creëren van angst tot dogma had verheven. Maar ik ben er achter gekomen dat angst je beste vriend is op het podium. Zonder angst is concerteren niet mogelijk. Angst houdt je waakzaam.”

Natuurlijk is er naast deze positieve stress, de verlammende angst. Die bestrijdt Ciccolini met een ademtechniek die hij geleerd heeft op yogales. „Door diep en langzaam te ademen, kun je een te hoge hartslag omlaag brengen.”

De terreur van zijn leraar heeft Ciccolini niet belet een uitstekend eindexamen te doen en in 1949 in Parijs winnaar te worden van het Concours Marguerite Long – Jacques Thibaud. In Parijs liet hij zijn spel vervolmaken door drie van de grootste Franse pianisten uit die tijd: Alfred Cortot, Yves Nat en Marguerite Long. Frankrijk werd zijn nieuwe vaderland en hij raakte verknocht aan de Franse muziek. Vooral door zijn talrijke platen, met onder meer de complete werken van Debussy, Satie, Rossini en Chabrier, maar ook alle 32 Beethovensonates, kreeg hij wereldfaam. In Nederland treedt hij niet frequent op, maar in Frankrijk des te vaker, zo ook in Japan. Binnenkort gaat hij naar Korea.

Ciccolini’s repertoire oogt avontuurlijk. Hij was bijvoorbeeld de eerste pianist die in de jaren zestig de totaal vergeten pianowerken van Erik Satie op de plaat zette. „Nee, dat was geen ontdekking van mij. Ik kende geen noot van Satie. Mijn manager bij EMI had een enorme muziekkennis; hij vroeg me om als hommage aan Satie een enkele lp op te nemen. We verwachtten er hooguit 200 van te verkopen. Toen bleek dat er de eerste maand al 4000 over de toonbank waren gegaan, vroeg hij me het complete werk op te nemen. Dat heb ik later nog een keer overgedaan. Ook mijn Rossini-platen kwamen uit zijn koker. Dat vind ik overigens vreselijke muziek. Ik houd veel meer van Satie, een ware profeet wiens muziek nog steeds modern is.”

Ciccolini is vooral beroemd door zijn vertolkingen van de Franse impressionisten. Hun muziek vraagt om een geheel eigen pianotoon. Op de vraag of Ciccolini een speciale speeltechniek heeft voor werken van Debussy en Ravel zegt hij: „Nee, ik houd mijn vingers in alle stijlen in dezelfde houding. Het zijn mijn hersenen die de vingers steeds weer andere bevelen geven.”

Debussy’s pianowerken zijn verwant aan de impressionistische schilderkunst en vragen om zeer kleurrijke vertolkingen. Ciccolini is daarin onovertroffen. De vraag of hij vaak naar musea gaat om zich door werken van Degas, Renoir of Monet te laten inspireren, levert een onverwacht antwoord op: „Nee, want ik ben volkomen kleurenblind en zou in een museum alleen maar duizelig worden. Als ik speel, kan ik me geen kleuren voorstellen. Ik weet gewoon hoe een toon moet klinken en welke aanslag daarbij hoort. Dat heb ik van jongsaf zo gehad.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden