Musea zetten kunst uit kelder in etalage

Nederland telt bijna 750 musea die samen honderdduizenden kunstvoorwerpen bezitten. Het grootste deel daarvan ligt in depots, onzichtbaar voor het publiek. Mede door de crisis duiken musea vaker hun kelders in om meer te doen met hun verborgen schatten.

Als er een nieuw kabinet aangetreden is, merken ze dat in het depot van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, waarin de kunstcollectie van de Nederlandse staat is ondergebracht. Dat is het moment dat de kunstwerken die de kamers van de bewindslieden sieren, worden vervangen.

Sommige ministers en staatssecretarissen komen zelf naar het depot in Rijswijk om een keuze te maken uit de tienduizenden kunstwerken die daar liggen opgeslagen. Meestal is dan al het nodige voorwerk verricht en zijn de werken die waarschijnlijk in de smaak zullen vallen, uitgestald in de Toonzaal.

De vorige minister van cultuur, Ronald Plasterk, ging met onder meer een zigzagstoel van Gerrit Rietveld de deur uit. Die is nu weer terug in het depot, want Plasterks opvolger, staatssecretaris Halbe Zijlstra heeft een andere smaak. Toen hij voor een kennismakingsbezoek langs kwam in Rijswijk, viel zijn oog op een abstract schilderij van de symbolistische kunstenaar Karel Schmidt. Sandra van Kleef, coördinator depotbeheer en logistiek, was daardoor blij verrast, want dit schilderij was nog nooit uitgeleend.

Er liggen nog veel meer werken in het depot waarvoor geen of weinig belangstelling is, maar dat kan ook zomaar veranderen, is de ervaring van Van Kleef: "Kunst is onderhevig aan de tijdgeest. Wat nu in trek is, kan over tien jaar weer uit de gratie zijn." Daarnaast heb je ook een categorie onverbiddelijke bestsellers, waar altijd belangstelling voor is. Dat zijn de Cobrakunstenaars en de zeventiende-eeuwers.

Honderdduizend kunstwerken omvat de collectie van de Nederlandse staat, die tot voor kort werd beheerd door het Instituut Collectie Nederland. Sinds begin dit jaar is dit instituut ondergebracht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. En dit is nog maar één kunstdepot.

Vrijwel alle musea in Nederland beschikken over eigen opslagplaatsen. Hoeveel werken daar liggen, is niet bekend, maar het moeten er vele tienduizenden zijn, omdat de meeste musea niet over de ruimte beschikken om hun hele collectie aan het publiek te tonen.

Er zijn tal van kunstwerken die zelden of zelfs nooit uit het depot worden gehaald, omdat ze te kwetsbaar zijn, niet geliefd, in onbruik of vergetelheid zijn geraakt of niet (meer) passen in de collectie. Dat maakt nieuwsgierig naar wat voor moois en bijzonders er allemaal verborgen ligt in de depots. Reden voor Trouw om de komende tijd een aantal musea te vragen hun kelders in te duiken om zo'n verborgen schat voor de dag te halen en te tonen aan het publiek.

Die volle kunstdepots roepen ook vragen op. Waarom wordt er zoveel bewaard dat het publiek nooit te zien krijgt? Natuurlijk hebben musea naast exposeren ook de taak kunst te bewaren en er goed voor te zorgen, omdat het gaat om nationaal erfgoed, maar daar zitten grenzen aan.

Niet alleen ruimtegebrek noopt musea regelmatig kritisch te kijken naar de eigen collectie, ook de crisis leidt ertoe dat musea zich bezinnen op wat ze zelf in huis hebben en wat ze daarmee willen en kunnen, zegt directeur Siebe Weide van de Nederlandse Museumvereniging.

"Halverwege de jaren negentig waren blockbusters populair. Musea haalden toen grote, vaak rondreizende kaskrakers in huis die wekenlang de loop erin hielden. Dat inkopen van kant en klare exposities zie je nu veel minder.

"De bezuinigingen spelen daarbij een rol, maar het is ook de tijdgeest. Musea gaan zich weer meer richten op de eigen collectie. Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam doet dat heel gericht door de vaste opstelling elke drie jaar te wisselen. Ook het Zeeuws Museum is na de heropening sterk voor de dag gekomen door ook rariteiten uit het depot te laten zien die sterk verbonden zijn met de Zeeuwse geschiedenis.

"De Lakenhal in Leiden trok vorig jaar de aandacht door het publiek deelgenoot te maken van wat er allemaal in de depots en restauratieateliers gebeurt met het project 'Werk in uitvoering'."

Het Leidse museum haalde de depots letterlijk leeg om alle objecten te tonen op een rollenband die door de zaal slingerde en waaraan medewerkers stonden te werken. Deze trend spreekt het publiek kennelijk aan, constateert Weide, want er zit een stijgende lijn in het museumbezoek.

Waar het ene museum tot de conclusie komt dat het veel meer exposities kan maken met de eigen collectie, komt het andere tot de slotsom dat het depot eens flink opgeschud moet worden.

En daar hoort ook het verkopen (ontzamelen) van kunstwerken bij. In 2006 zijn landelijke richtlijnen opgesteld waaraan musea moeten voldoen als ze kunst willen afstoten. Die regels waren nodig omdat musea naar eigen goeddunken handelden, waardoor in het verleden ook topstukken voor Nederland verloren zijn gegaan.

Eigenlijk moet je voortdurend je depot opschudden, zegt directeur Sjarel Ex van museum Boijmans Van Beuningen. "Want dan ga je je vanzelf afvragen: waarom ligt dat daar allemaal? Wat moeten we ermee? Met als resultaat dat je soms nieuwe dingen ontdekt aan werken die ongeliefd zijn, in onbruik geraakt of nooit worden uitgeleend." Het kan er ook toe leiden dat kunstwerken die je had willen afstoten, toch weer een plek heroveren in het museum, weet

Ex. In zijn vorige functie als directeur van het Centraal Museum in Utrecht organiseerde hij een veiling om een groot aantal werken te verkopen. Maar tijdens de inventarisatie van af te stoten stukken werden zoveel nieuwe kwaliteiten (her)ontdekt, dat uiteindelijk de helft van de werken toch mocht blijven.

De collectie van Boijmans omvat 140.000 werken. Ongeveer vijf procent daarvan is permanent te zien in de eigen museumzalen. Dat geringe percentage heeft ook te maken met de aard van de collectie. De helft bestaat uit werken op papier, die vanwege hun kwetsbaarheid maar zes weken per drie jaar mogen worden getoond. Deze norm geldt ook voor textiel.

Lang niet alle werken die geen plaats krijgen in de eigen zalen, blijven in het depot. Jaarlijks leent het museum er drie- tot vijfhonderd uit aan andere musea. Ook is een aantal werken in langdurig bruikleen gegeven aan musea in de regio, waar ze beter op hun plek zijn.

Ex: "Naast de vijf procent die zichtbaar is in ons eigen gebouw, gebeurt er dus nog genoeg met de andere werken. In principe is onze hele collectie ook voor iedereen toegankelijk, sinds deze anderhalf jaar geleden digitaal is ontsloten. Onze website wordt min of meer geplunderd met 18.000 bezoeken per maand." Dat laat onverlet, zegt Ex, dat het nuttig is om regelmatig de depots door te vlooien en ook werken af te stoten. Maar dat laatste moet wel zorgvuldig gebeuren. "Mensen die kunstwerken schenken aan het museum, moeten erop kunnen vertrouwen dat daar goed voor wordt gezorgd. We hebben hier 1650 contracten liggen met particulieren of instanties die de afgelopen 150 jaar iets hebben geschonken aan Boijmans. Als daarin staat dat een schenking voor altijd in dit museum moet blijven, zit je daaraan vast. Hooguit kun je, als het werk echt niet meer in de collectie past, het in langdurige bruikleen geven aan een ander museum."

Boijmans besloot onlangs het ontzamelen als een vaste praktijk in het beleid op te nemen. Tussen de vijf en tien procent van de collectie kan worden afgestoten, verwacht Ex. In eerste instantie worden deze 'winkeldochters en zwerfkeien' aangeboden aan andere musea. Wat daarna overblijft, gaat naar de veiling. Maar Ex sluit niet uit dat tijdens deze operatie werken opduiken die bij nader inzien toch mogen blijven. Om meer dynamiek in het museum te brengen, wordt ook elke drie jaar de vaste opstelling gewijzigd. Over twee weken vindt er weer zo'n wisseling plaats. En dan is het net alsof je een nieuwe dirigent in huis hebt gehaald, vertelt de directeur, die een heel andere toon en klank brengt in het museum.

Ook Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, vindt dat musea veel meer uit hun eigen collecties kunnen en ook moeten halen, nu het vanwege de hoge verzekeringspremies en transportkosten steeds kostbaarder wordt om kant en klare exposities van buiten in te kopen. "Het is logisch om exposities te maken rond de eigen collectie, omdat daarin je kracht en eigenheid schuilen. Ik zie het ook als een vorm van kapitaalvernietiging als je weinig doet met je eigen collectie. Die gedachte is niet zozeer ingegeven door de crisis, het heeft meer te maken met de roep om duurzaamheid."

Tempel vindt dat musea bij het opschonen van hun depots nog een stap verder zouden moeten gaan dan het afstoten van kunst die toch maar ligt te verstoffen.

Ook van sommige topstukken zouden ze zich moeten afvragen of die werkelijk deel moeten blijven uitmaken van hun collectie en of die niet beter tot hun recht zouden komen in een ander museum. Hij doelt daarmee op de 'zwerfkeien' die als een betrekkelijke eenling figureren in de collectie.

Daarmee snijdt hij een gevoelige kwestie aan, realiseert Tempel zich. Want je topstukken koester je en wil je binnen de eigen museummuren houden. "Wat ik voorstel, vergt van de musea dat ze over hun eigen muurtjes heen kijken. Maar dat moet wel gebeuren, willen de Nederlandse musea aan kracht winnen, ook op internationaal niveau."

Om maar een paar voorbeelden te noemen: "Boijmans heeft twee Mondriaans, die in dat museum eenlingen zijn, terwijl ze hier prachtig aansluiten bij onze collectie Mondriaans. Wij hebben een heel mooi werk van Baselitz in huis, maar het is veel te groot om op te hangen. Dat werk hoort eigenlijk in het Stedelijk Museum in Amsterdam thuis. Ook hebben we twee Warhols die hier niet goed passen. Het Rijksmuseum in Amsterdam heeft een collectie internationale oude meesters, waaronder een Goya, die gewoon in Boijmans thuishoort. Daarmee winnen beide musea aan kracht. In het Rijksmuseum zijn het eenlingen, Boijmans kan zich met deze meesters nog scherper profileren als internationaal topmuseum."

Op papier lijkt het allemaal simpel te realiseren. Maak een lijstje van alle zwerfkeien van de zeven belangrijkste musea van Nederland, die ook internationaal op de kaart staan. Dat zijn het Rijksmuseum, het Stedelijk Museum en het Van Gogh Museum in Amsterdam, het Mauritshuis en Gemeentemuseum in Den Haag, het Kröller-Müller Museum in Otterlo en museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Elk museum zal vooraf scherp moeten stellen wat de aard van zijn collectie is. Alle topstukken die daar niet in passen, zouden onderling uitgeruild moeten worden. Uiteraard met gesloten beurzen, zegt Tempel. "Geld speelt hier geen rol. Het gaat erom dat de musea zich nadrukkelijker kunnen presenteren als het museum waar je moet zijn voor de Mondriaans of voor de surrealisten."

Maar dan moeten de musea er wel voor zorgen dat hun topstukken altijd te zien zijn. Tempel: "Onlangs liepen hier een paar buitenlanders die op zoek waren naar onze Kandinsky's. Ze hadden erover in een boekje gelezen, maar ze hingen niet op zaal. We werken er hard aan om dat in de nabije toekomst te veranderen. Mensen moeten hier altijd 'Nieuw Babylon' van Constant kunnen zien. En vanaf september komt er ook een permanente presentatie van de Stijl."

De Nederlandse staat is met 100.000 kunstwerken een bruikleenmachine
Wat te doen met 32 Friese klokken, gemaakt door Friese uurwerkmakers vanaf de 18e eeuw? Via de kwijtscheldingsregeling waarmee een deel van de erfbelasting betaald kan worden met een kunstobject, kreeg het Rijk onlangs deze collectie van grote cultuurhistorische waarde in bezit.

Er is gezocht naar een passende bestemming. Die is gevonden in het Museum Joure, dat de klokken in langdurig bruikleen krijgt.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), die de kunstcollectie van de Nederlandse staat beheert (voorheen bekend als de ICN-collectie, Instituut Collectie Nederland), streeft ernaar zoveel mogelijk voorwerpen onder te brengen in musea. Van de ruim 100.000 voorwerpen is ongeveer de helft uitgeleend, vaak in langdurig bruikleen, aan musea, gemeentehuizen en andere overheidsgebouwen, zoals ambassades.

"We zijn een echte bruikleenmachine en zo hoort het ook. Kunst moet zo veel mogelijk zichtbaar zijn", vertelt Sandra van Kleef, werkzaam in het depot van de RCE. De Rijksdienst heeft zojuist het museum De Zwarte Tulp in Lisse geholpen aan twee bloemstillevens en twee penanttafeltjes. Maar de toegankelijkheid gaat niet zo ver dat ook gewone burgers kunst kunnen lenen uit het rijksdepot dat is ondergebracht in een grote zilvergrijze doos van 12.000 m² op een bedrijventerrein in Rijswijk (ZH). De collectie is wel via het internet te bekijken.

De kunstcollectie van het rijk heeft een lange voorgeschiedenis. De herkomst van de kunstvoorwerpen varieert van rijksaankopen, schenkingen, gerecupereerde kunstwerken die na de Tweede Wereldoorlog aan de staat zijn toegevallen en werken die in het kader van de Beeldende Kunstenaars Regeling in bezit van het rijk kwamen. De dienst werd in 1949 opgericht en heette toen Dienst voor 's Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen. In 1975 werd de naam veranderd in Dienst Verspreide Rijkscollecties. In 1984 volgde een fusie tot de Rijksdienst Beeldende Kunst, die zich behalve met beheer ook met aankopen en exposities bezig hield. In 1993 werd de aankooptaak overgedragen aan de Mondriaan Stichting.

In 1997 werd het ICN opgericht voor onderzoek en beheer van de rijkskunstcollectie en opleiding van restauratoren. Sinds 1 januari van dit jaar is het ICN ondergebracht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

De collectie is zeer divers, van schilderijen en prenten tot sieraden, Delfts aardewerk, Chinees porselein, stoelen en de inventaris van Jachthuis Sint Hubertus met onder meer meubelen van Berlage.

Ook individuele kunstenaars hebben hun artistieke nalatenschap overgedragen aan het Rijk, onder wie Theo van Doesburg, Dolf Henkes, Lucebert en Willem Witsen.

Kunst uit de kelder
De kunstredactie van Trouw vraagt de komende weken een aantal musea om een bijzonder kunstwerk uit het depot te halen, dat nog nooit of al heel lang niet te zien was voor het publiek. In de Verdieping zal het werk prominent worden afgebeeld en mag de directeur of een conservator van het museum vertellen wat er zo mooi of speciaal is aan deze verborgen schat en waarom het toch in het depot ligt. En vervolgens zal het werk speciaal voor deze serie enkele weken te zien zijn in het museum.

Musea zijn om uiteenlopende redenen, waaronder de bezuinigingen, al bezig om meer uit hun depot te halen - letterlijk en figuurlijk. Met deze tweewekelijkse serie wil Trouw inhaken op deze trend en tevens de aandacht vestigen op de enorme schat aan cultureel erfgoed van Nederland. Het Bonnefanten Museum in Maastricht bijt komende dinsdag het spits af. Daarna volgen onder meer het Kröller-Müller Museum, het Dordrechts Museum, het Cobra Museum, het Gemeentemuseum Den Haag en museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden