Multicultureel Manifest

'Het Conservatief Manifest komt neer op repressie en discriminatie van het andere ras en de andere godsdienst en het enige wat men wil behouden is de welvaart in eigen kring: totalitair egoïsme verpakt als conservatisme.' De publicist Mohammed Benzakour en de filosofen Nanda Oudejans en Harald van Veghel reageren op het Conservatief Manifest van Bart Jan Spruyt en Michiel Visser (Letter & Geest, 18 oktober) met een Multicultureel Manifest: 'Of we het leuk vinden of niet, de multicultuur zál het toekomstige brandpunt zijn van de Europese democratie'.

Als kinderen van de Verlichting zijn we het aan onszelf verplicht om een langere gedachtegang in de plaats te stellen van de korte uitbarstingen van polemische woede die ons denken zo verlammen en ons gevangenhouden in etiketten en vijandige discussies die eerder een krijgszuchtige uniformering dan introspectie en intellectuele gedachtewisseling tot doel hebben.

De auteurs van het Conservatief Manifest doen een poging dit intellectuele parcours te bewandelen, zij het op krukken. Wie zich namelijk vergaloppeert door allereerst te beginnen met het maken van een onderscheid tussen het liberalisme en het conservatisme om vervolgens de meest onversneden liberale waarden - individuele vrijheid, de rechtsstaat, de onderzoekende geest, het eigendomsrecht, de vrije markt en de nachtwakersstaat - centraal te stellen, om dáárna volledig afstand te nemen van precies deze liberale geest, die kan moeilijk serieus genomen worden.

Toch menen wij dat er in dit land een spook rondwaart dat zich niet zomaar laat negeren. Niemand zal willen ontkennen dat door de migratiestromen van de afgelopen decennia er tal van problemen zijn ontstaan. De spanningen in de wijken waar toch al veel ernstige sociale problemen bestaan, vormen misschien wel de grootste uitdaging aan ons creatief vermogen. Niemand kan volhouden dat er onder de diverse bevolkingsgroepen verschillend wordt gedacht over de noodzaak van taalbeheersing, over de vraag of je mag stelen, mensen mag bedriegen of molesteren, en wel of niet een opleiding moet genieten. Daarvan het item maken in de 'waarden-en normendiscussie' is potsierlijk. Evenals de suggestie dat speciaal Marokkanen vanuit hun cultuur wel iets moeten hebben met criminaliteit. Ook als achteraf blijkt dat die ene Marokkaan een Tunesiër was, of dat die andere Marokkaan vergezeld was van twee rabiate Hollanders, of, nog zorgelijker, dat het onderzoek niet deugde.

In deze oneigenlijke polemiek gaat het Conservatief Manifest gedachteloos mee. Het komt neer op repressie en discriminatie van het andere ras en de andere godsdienst en het enige wat men wil behouden is de welvaart in eigen kring. Waarmee zich meteen de crux van het manifest openbaart: totalitair egoïsme verpakt als conservatisme. Een vruchtbare gedachtewisseling wordt overigens bij voorbaat onmogelijk gemaakt daar de auteurs niet verder terugblikken dan 1968 zodat hun duik in de geschiedenis meer weg heeft van pootje baden in troebel water.

Los van het a-historische karakter van het manifest (wat onder meer blijkt uit een miskenning van de waarde van religie voor de samenleving) is zij onwaarachtig op het moment dat twee volstrekt ongelijke grootheden tegenover elkaar worden uitgespeeld. Een godsdienst ('de Islam') wordt opgevoerd als antagonist tegenover een demografische en geografische entiteit ('het Westen'). Hier spreekt niet een godsdienst tot een godsdienst, maar een geseculariseerde cultuur (waarin godsdienst kennelijk geen openbare rol meer speelt) tot de islam. Deze redenatie is demagogisch omdat ze de suggestie wekt dat 'het Westen' het achterlijke stadium van de godsdienst reeds verlaten heeft, terwijl de term 'Islam' associaties oproept met een veel primitievere fase.

Van een diepe duik in de geschiedenis zou je mogen verwachten dat er tenminste wordt nagedacht over de betekenis van het christendom als cultuurstichtende kracht. Dan zouden we namelijk ontdekken dat het theater gegroeid is vanuit de liturgie, dat de scheiding tussen openbaringsgeloof en wetenschappelijk onderzoek voorbereid is aan de Middeleeuwse universiteiten, dat de beeldende kunst haar penselen heeft geoefend op bijbelse thema's en zo meer. Maar ook de moderne politieke instituties, met hun nadruk op de vrijheid van het individu kennen hun voorbereiding in de gewetensvrijheid en gewetenslast voor God in de werken van barmhartigheid.

De schrijvers van het manifest presenteren de westerse cultuur echter als godsdienstig onverschillig. Iedere verwijzing naar het christendom ontbreekt, behalve in de namen van Pax Christi en het IKV, waarvoor de subsidie 'ogenblikkelijk dient te worden stopgezet'. Hoe kan men bij deze a-historische verblinding ten aanzien van de betekenis van religie voor de cultuur komen tot een eerlijke beschouwing van de rol die godsdienst speelt voor islamieten in het alledaagse leven?

Door de eigen religieuze wortels van de westerse beschaving te negeren wordt het pad geëffend waarop het Westen (dat het achterlijke stadium van godsdienst heeft verlaten) en de islam als onverzoenbaar tegenover elkaar worden gesteld. De overtuiging dat de islam irrationeel is en geen verlichting kent is alomtegenwoordig. De gelijkstelling van de islam aan onverdraagzaamheid en fundamentalisme hoort daarbij. De werkelijkheid is echter een andere. De idee dat de islam in essentie gedragen wordt door waarden die haaks op de 'onze' staan, is vanuit alleen al historisch (laat staan theologisch) oogpunt onhoudbaar.

De traditie van verlichting en rationaliteit, de Moe'tazila, heeft de islam reeds in de tiende eeuw gekend. De falasifa (filosofie) werd er breed bezongen en het denken was zo vrij als een jonge vogel. Grote nadruk werd er gelegd op verdraagzaamheid, humaniteit en menselijke vrijheid waarbij de Koran beschouwd werd als een dialectisch en geschapen (dus niet eeuwig) document. Dat het deze islamitische school was die Plato, Aristoteles en andere Griekse klassiekers voor het Westen openbaarde, wordt vandaag opvallend gemakkelijk over het hoofd gezien.

Deze oase van vrijmoedig denken was echter geen lang leven beschoren. Alras opende de tirannieke Abbasidische dynastie de jacht op tal van islamitische vrijdenkers. Denkers als Al Kindi en Al Chawarizimi werden vervolgd en geëxecuteerd, en hun boeken, die een directe bedreiging vormden voor de machthebbers, belandden op de brandstapel. Elk spitsvondig denken werd onmiddellijk afgedaan als 'blasfemie' en er werd een absolute islam opgelegd die volledig in dienst stond van de heerser in plaats van het volk; een stand van zaken die mutatis mutandis gehandhaafd is gebleven tot op de dag van vandaag.

Veel huidige Arabische regimes zijn niet minder dan geperverteerde, despotische (en in veel gevallen door de VS in het zadel geholpen én gehandhaafde) entiteiten die zich weliswaar uit lijfsbehoud en legitimatie als 'islamitisch' presenteren, maar zich in hun wezen en praktijk volledig hebben losgezongen van de geest van de islam. Meningsvrijheid en spiritualiteit hebben plaatsgemaakt voor orthodoxie en dogma. De geleidelijke verbanning van de 10de-eeuwse traditie van de islamitische ijtihad (interpretatie, discussie, exegese) is dan ook een grote culturele ramp.

Het pad van het reactionaire islamisme werd aldus geëffend, niet door een 'natuurlijke' ontwikkeling van de islam maar door een opeenvolging van onderdrukkende regimes, die later weer gekoloniseerd werden, beginnend met de inval van Napoleon in Egypte eind achttiende eeuw, zich voortzettend met de verovering van Noord-Afrika, overgaand in vergelijkbare ondernemingen in Vietnam, Egypte, Palestina, en, in de hele 20ste eeuw, met de strijd om olie en de strategische zeggenschap in de Golf (Irak, Syrië, Palestina, Afghanistan). Wat weer later resulteerde in dictatoriale regimes die in veel gevallen kunnen rekenen op het veilige bondgenootschap van het beschaafde Westen. Nog onlangs is de Saoedische politie massaal uitgerukt, met Amerikaanse waterkanonnen en al, om een islamitisch geïnspireerde demonstratie voor meer mensenrechten en democratie hardhandig de kop in te drukken. Het was de zoveelste uiting van repressie van de volkswil.

Terecht erkennen we dat het bewustzijn van onze tijd blijvend is veranderd door de Holocaust. Maar waarom passen we deze bewustzijnsverschuiving niet ook toe op dat wat het eeuwenlange westerse imperialisme teweeg heeft gebracht en wat Amerika en Israël nog altijd doen? Wellicht begrijpen we de houding van moslims in het algemeen en die in Nederland wonen dan stukken beter.

Geschiedenis is geschiedenis voor wie de moeite neemt haar te kennen, maar men verkiest de gemakzuchtige U-bocht: In Egypte, Syrië, en Algerije bestaat geen democratie, worden mensenrechten geschonden, hebben vrouwen minder rechten en tiert de corruptie welig. Egypte, Syrië, Algerije zijn islamitische naties, ergo: de islam is anti-democratie, anti-mensenrechten, anti-vrouwen en pro-corruptie. Dit heet de logica van het sofistische syllogisme: 'ik pas in mijn jas, mijn jas past in mijn tas dus ik pas in mijn tas.' Door de islam bewust of onbewust (in)direct te verbinden met het fundamentalisme kan men deze cultuur en godsdienst gemakkelijk afdoen als een verouderd systeem dat niet meer past in onze moderne, democratische epoche. Liever toont men beelden van schuimbekkende baardmannen die Amerikaanse en Israëlische vlaggen verbranden dan de optocht van duizenden moslimintellectuelen door de straten van Damascus en Rabat die zich tegen Rushdie's fatwa keren en oproepen tot een Democratisch Islamitisch Reveil.

Natuurlijk heeft iedereen recht op zijn eigen bevangenheid en oogkleppen, maar hoeveel rijker en waarachtiger zou de islam-discussie zijn als meer aandacht werd geschonken aan de actuele discussie in de Arabische wereld. Progressieve moslimdenkers zoals Nasr Aboe Zaid en Abed Djaberi brengen met hun boeken miljoenen moslimjongeren van Jordanië tot Marokko in contact met een islam die openheid en individuele meningsvorming als onmisbaar deel van zijn traditie beschouwt. Beroemde islamitische feministes als Nawal El Sadawi en Fatima Mernissi gebruiken de koran als stok om de patriarchale, tribale en machistische praktijken mee te slaan. Dat kunnen we ons hier nauwelijks meer voorstellen. De winnares van de Nobelprijs voor de Vrede, de Iranese juriste Shirin Ebadi zei bij haar onderscheiding dat ze 'als moslim probeert de democratie en mensenrechten te verdedigen'. En welke Nederlandse stukjesschrijver heeft het onlangs gepresenteerde VN-rapport Arab Human Development Report 2003 behandeld, waarin tal van Arabische intellectuelen en wetenschappers hun hoop uitspreken op verbetering van de Arabische wereld 'op basis van de kracht van de islam - voorzover die niet politiek wordt gebruikt of misbruikt - en de lange beschavingsgeschiedenis van de Arabische wereld, die juist bloeide toen zij zich openstelde voor invloeden van buitenaf'?

In plaats van dergelijke wapenfeiten op hun merites te beoordelen, zwelgt men liever in een inflatoir en naar binnen gekeerd geleuter over een vermeend superieur Westen. Ondertussen heeft de gedachte van het multiculturele drama algemeen postgevat, terwijl elke loslippige amateur-imam of losgeslagen Marokkaanse tasjesdief gretig aangegrepen wordt als bewijs voor het multiculturele failliet. Met een Oost-Indische doofheid overigens die aan het kolderieke grenst. Want toen op 7 oktober de Onderwijsinspectie de resultaten van haar onderzoek naar islamitisch scholen (in de algemene opinievorming aangestipt als 'broeinesten van terrorisme') presenteerde, waaruit bleek dat tijdens de godsdienstlessen zaken worden gedoceerd die allesbehalve in strijd zijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, was het oorverdovend stil in monocultureel opinieland.

De vraag is fundamenteler: is alle ellende begonnen met migratie of is alle ellende begonnen toen de mens zijn land ging begrenzen? Rousseau had het juist gezien toen hij opmerkte: ,,De ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij was hij die als eerste een stuk grond omheinde, zich verstoutte te zeggen 'dit is van mij', en onnozelaars trof die hem geloofden. Hoeveel misdaden, oorlogen, moordpartijen, ellende en verschrikkingen zou het mensengeslacht niet bespaard zijn gebleven als iemand toen de palen had uitgerukt of de grachten dichtgegooid en zijn medemens had toegeroepen: 'luister niet naar deze bedrieger; jullie zijn verloren als jullie vergeten dat de vruchten van de aarde van iedereen zijn en de aarde van niemand is.'' Maar de geschiedenis kent haar eigen wetten, en deze wetten hebben zich weinig van Rousseau aangetrokken. Territorium, openbare ruimte, cultuur, identiteit, oost, west, het zijn duizelingwekkende containerbegrippen geworden. Alles past erin. Wat behoort jou toe, wat behoort mij toe? Wat is goed, wat is fout?

De verbijsterende eenvoud waarmee daarover gedacht wordt blijkt onder meer uit de roep om integratie te vervangen door assimilatie en de Nederlandse identiteit als onomstotelijk uitgangspunt te nemen. In de herrie over identiteiten is er nauwelijks nog oor voor de tegenspraken die dit kabaal oplevert. Zo wordt een identiteit opgeworpen als uitgangspunt, als fundament dat tal van assimilatiegrepen vergt van de zogenoemde culturele anderen, echter zonder rekening te houden met de culturele en religieuze identificaties van die anderen die hen maken tot wie ze zijn. Anderzijds worden juist déze identificaties uitvergroot en opgeblazen op het moment dat alle hier aanwezige (sub)culturen met hun specifieke problemen worden geïdentificeerd. Het probleem is uiteraard dat het spreken in termen van massieve identiteiten (de allochtonen, de vrouwen, de moslims, de Antillianen) de complexiteit en pluraliteit van de werkelijkheid ruw toedekt. Als vanzelf wordt elk lid van een groep gereduceerd tot de voor die groep kenmerkende praktijken en eigenschappen, zonder rekening te houden met de mogelijkheid van zelfbepaling als ultieme consequentie van de individuele vrijheid. De vreemdeling wordt enerzijds vastgespijkerd op de waarden en eigenaardigheden die hem van de 'Nederlandse cultuur' af zouden zonderen, om hem vervolgens het recht op die waarden en eigenaardigheden te ontnemen. Berooid als een man zonder eigenschappen blijft hij dan achter. Hier wringt de schoen. De complexiteit van identiteiten is nu precies dat je er nooit aan voorbij kan gaan dat iemand, bij voorbeeld, Griek is, maar dat je hem tegelijkertijd nooit tot zijn Griek-zijn kan reduceren. Of zoals een Joodse schrijver ooit treffend zei: spreek me niet aan als Jood, maar vergeet nooit dat ik Jood ben.

Uit vrees voor de islamisering van onze cultuur, aldus het Conservatief Manifest, moet een onmiddellijk einde komen aan immigratie en is er voor asielzoekers geen plaats meer in de Nederlandse samenleving. Maar integratie en immigratie zijn twee verschillende vraagstukken. Het toelaten van asielzoekers is niet afhankelijk van de situatie in Nederland, maar van wat zich buiten onze grenzen afspeelt: de verre wereld waar politiek, sociaal, religieus, etnisch, economisch en seksueel geweld het leven van alledag teistert, als gevolg van een sociaal-politieke toestand waarvan de kiem niet zelden is gelegd door de beschaafde kolonialist. De tegenwerping dat uit hoofde van nationale soevereiniteit een land het recht heeft te bepalen wie het binnen laat (alleen mensen die 'nuttig' zijn, zegt het Conservatief Manifest), negeert de uitzondering op dit recht: namelijk de plicht vluchtelingen op te vangen. De stelling dat internationale verdragen opgezegd moeten worden als zij een dergelijk restrictief toelatingsbeleid tegenwerken is een curieuze positie in het betoog dat zegt de westerse beschaving te verdedigen. Is niet een van de kernwaarden van die beschaving vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, welke belichaamd wordt door het recht op (tijdelijk) asiel? Wanneer we ons houden aan algemeen aanvaarde principes, zoals vrijheid, rechtsbescherming van de persoon en zijn waardigheid, die door een ieder geëerbiedigd moeten worden, dan is bescherming bieden aan vluchtelingen uit landen waar die waarden niet aanvaard zijn niet enkel een morele, maar vooral een voorbeeldige verplichting.

Meer en meer echter groeit het verlangen dat met één mond wordt gesproken, en scharen velen zich achter één mening, één identiteit, waardoor de menselijke pluraliteit - die zich uitspreekt in een koor van stemmen - monddood wordt gemaakt. Ziehier de paradox van de monoculturalisten: enerzijds steken zij de loftrompet op het individu, anderzijds beseffen zij niet dat hun sterk uniformerende gedachtegoed (één taal, één geschiedenis, één volk, één land, één loyaliteit) de uniciteit van het individu onbarmhartig de nek omdraait. Jawel, men is voor vrijheid van meningsuiting, zeker, maar niet voor iemand die er anders over denkt. De niet aflatende verkettering van de mondige moslimdemocraat Dyab Abou Jahjah en zijn AEL is hiervan een uitstekend voorbeeld. En toen de Amsterdamse wethouder Rob Oudkerk zich liet ontvallen dat ouders die hun kinderen niets over 4 mei of de Holocaust meegeven, gekort moesten worden op hun kinderbijslag, wist hij niet welke aanval hij pleegde op de rechtsstatelijke soevereiniteit. Wanneer de menselijke pluraliteit het zwijgen wordt opgelegd, bevinden we ons politiek in donkere tijden. Het licht van de rede en morele sensitiviteit dooft uit en het gesprek verstomt in een verblinding van onbehagen, angst en haat: het monoculturele drama in volle glorie.

Wie zegt eigenlijk dat het aanvaarden en verdedigen van de Nederlandse identiteit, van de waarden en betekenissen waarmee wij ons sinds lang identificeren, noodzakelijk moet leiden tot uitsluiting of verwerping van andere waardebelevingen? Wie opteert voor universalisme zal verdedigen dat een kritische moraal uit naam van universele waarden een culturele traditie mag open- en afbreken. Immers, als alle culturen gelijk zouden zijn, hoe zou men dan nog clitoridectomie, kannibalisme, polygamie en het verstoten van onvruchtbare vrouwen kunnen veroordelen? De universalisten verwijten de relativisten dat zij onderworpenheid aan en gevangenschap in een cultuur vieren en in naam van gelijkheid de gruwelijkste wandaden toestaan. Aan de andere kant wordt de universalisten verweten dat zij blind zijn voor het onderscheid tussen universele beginselen enerzijds en hun inbedding in een historische context anderzijds. Zij loochenen met andere woorden dat deze beginselen altijd doordrenkt zijn van een specifieke culturele inhoud, die superieur wordt geacht aan andere, redeloze, obscure culturen.

En welke weerslag dat heeft kunnen we zien aan de wijze waarop de (moslim)migrant sluipenderwijs beroofd wordt van zijn meest elementaire mensenrechten. Historica Anne Pek (de Volkskrant, 4 maart jl.) vatte dat mooi samen: 'We ontzeggen ze het recht op lichamelijke integriteit (we moeten ze fouilleren!), op vrijheid van kennis (we moeten hun godsdienstlessen controleren!), op vrijheid van geloof (we willen geen hoofddoekjes en nieuwe moskeeën!), op vrijheid van liefde (we willen geen buitenlandse bruidegoms en bruiden!), op vrijheid van taal (weg met het Onderwijs in Allochtone Levende Talen, ze moeten alleen Nederlands spreken!).' Ziet: lichaam, kennis, geloof, liefde, taal - waar draait het in dit vrolijke leven nog méér om?

Zeker, blind cultuurrelativisme houdt slecht stand. Maar etnocentrische navelstaarderij houdt zoniet nóg minder stand, niet op de laatste plaats omdat zij vrijwel altijd leidt tot verstoring van de democratie. Of zoals de te vroeg overleden Edward Said opmerkte: 'Je moet andere dingen hebben om van te genieten en over na te denken dan alleen jezelf en je eigen domein, en die andere dingen zijn veel meer respect waard dan zelfverheerlijking en onkritische zelfwaardering.'

Niettemin bestaat er een derde weg. In plaats van één identiteit op te werpen als fundament, kunnen wij onze identiteit en beschaving verdedigen onder aanvaarding van het toevallige en onvoltooide karakter ervan. Dit besef waarborgt een openheid van waaruit contact met andere waardebelevingen mogelijk wordt. De Leuvense conservatieve filosoof Herman de Dijn noemt dit de weg van het open particularisme. Het is vanuit de eigen, culturele bepaaldheid dat het mogelijk is om met een ander, die een andere moedertaal heeft en een andere religie aanhangt, in gesprek te gaan. Volgens De Dijn heeft conservatisme niets uitstaande met een nostalgisch hang naar het verleden, maar veeleer met een aanvaarding van het bestaande. Nu de culturele implicaties van migratie een feit zijn, namelijk dat migranten meer hebben meegebracht dan couscous en kebab, komt het aan op een 'politiek van erkenning'. Een erkenning waarbij gelijkheid voor de wet geen punt van discussie is maar een vanzelfsprekendheid. Want natuurlijk is kannibalisme verwerpelijk en zal degene die zijn medeburger in stukken snijdt en likkebaardend oppeuzelt voor de rechter dienen te verschijnen; en natuurlijk staat het Nederlandse strafrecht niet toe dat een jong Somalisch meisje met een scheermesje van haar meest edele orgaandelen beroofd wordt, etc.

Deze erkenning gaat verder dan de gedachte dat mensen gelijkheid voor de wet eisen, ze verlangt ook naar erkenning van hun verschillen. En daarom kan de enige werkbare eis tot aanpassing een wettelijke zijn, en nimmer een culturele. 'Want tot welke godsdienst men ook behoort', schreef de grondlegger van de trias politica, 'zodra men uitgaat van een godsdienst, kan men niet anders dan er tevens van uitgaan dat God de mensen liefheeft; hij sticht immers een godsdienst om hen gelukkig te maken, en als hij de mensen liefheeft, kan men er zeker van zijn dat men hem behaagt door de mensen eveneens lief te hebben, dat wil zeggen door jegens hen alle plichten van goedheid en menselijkheid te vervullen en de wetten waaraan men onderworpen is niet te schenden.' De mens is, in navolging van David Hume, een wezen van het hart dat voor zijn bestaan erkenning verlangt in zijn identificatie met bepaalde waarden en betekenissen.

Een politiek van erkenning vraagt dus om het gesprek. In plaats van de ander te vangen in een imaginair beeld dat wij van hem creëren (achterlijk, onverdraagzaam, fundamentalistisch) moet een begin gemaakt worden met luisteren. Luisteren naar hoe de wereld in al haar duizelingwekkende verscheidenheid voor die ander verschijnt, luisteren met de kracht van een onbevangen verbeelding.

De vraag die ons uiteindelijk uitdaagt luidt: hoe ver reikt de nieuwe methode van inburgering? Wat zijn de onbedoelde gevolgen van een wellicht goedbedoeld idee? Wie een open samenleving wil in een steeds grenzelozer wereld, zal niet alleen moeten nadenken over de voorwaarden van inburgering, maar ook over de grenzen ervan. Of we het leuk vinden of niet, de multicultuur zál het toekomstige brandpunt zijn van de Europese democratie, en elke politieke of sociale kracht die daaraan afbreuk doet, zal het onvermijdelijke tegendeel uitlokken: segregatie; afkering en afsplitsing, in sociaal, psychologisch, cultureel, religieus opzicht, en vaak gaan die dingen samen. In Frankrijk, waar de overheid sinds jaar en dag de weinig heilzaam gebleken Jacobijnse traditie van assimilatie op immigranten toepaste, lijkt voetstoots een nieuw inzicht te ontstaan. Steeds vaker gaan stemmen op om economische integratie toch maar boven culturele assimilatie te stellen. Des te ironischer is het dan om te constateren dat terwijl dit voortschrijdende inzicht de Franse regering aanmoedigt de etnische arbeidsregistratie en positieve discriminatie nóg effectiever te maken, ons kabinet besloten heeft om er in 2004 mee te stoppen. De niet bepaald softe minister van Binnenlandse Zaken, Nicolas Sarkozy, blijkt er alle begrip voor te hebben dat de vijf miljoen moslims het Franse integratiemodel hebben verworpen. 'Want', zo stelt hij in de Volkskrant van 25 oktober, 'het grondbeginsel van de republiek - gelijkheid - is niet op hen toegepast. We hebben een desastreuze politiek van urbanisatie gevoerd.' Het is niet moeilijk voorstelbaar dat wie economisch uitgesloten wordt, terughoudend is in het betonen van culturele loyaliteit aan zijn nieuwe vaderland. Geen gelijke rechten, dan ook geen gelijke plichten, zo luidt onvermijdelijk het Franse moslimantwoord. Waar we ons dus voor moeten hoeden is een vooruitgang in omgekeerde richting, een genezing van het soort waarover die oude Perzische heelmeester zei: 'mijn patiënt is overleden, maar hij was helemaal koortsvrij.'

De ruimte waarin het verschil in waardebeleving gestalte kan krijgen, is niet de plaatselijke bibliotheek waar in exotische sfeer een informatie-avond wordt georganiseerd. Het is in de publieke ruimte waar de politieke strijd zich afspeelt. Dat betekent dat aan een ieder een politieke stem gegeven wordt. Niet uit correctheid, maar uit democratische plicht. Dat betekent een breuk met de gewoonte een Marokkaan alleen dan in de studio's uit te nodigen zodra het gaat over de Marokkaanse snotneusjes, dat betekent een breuk met de zogenaamde 'representatieve gremia' waarin uitsluitend Ali alibi's figureren, dat betekent een breuk met het integratiedebat waarin de islam pavloviaans gereduceerd wordt tot een homofoob hoofddoekgeloof, dat betekent, kortom, een breuk met het kolonialistische rudiment een allochtoon aan te zien uitsluitend als Allochtoon. Het is dit kleine denken van de kleine burgerman dat de etnische emancipatie te lang in een wurggreep heeft gehouden.

Het heeft er alle schijn van dat de opmars van het monoculturalisme een spastische manifestatie is van een verbitterd gevoerde verdedigingsslag tegen het doordringen van een zinderende realiteit in het menselijke bewustzijn. Deze spasme moeten we zien te overwinnen, met als enig wapen: het verstand. Want wie de progressieve liberale democratie wil verdedigen tegen de dreiging van een hoog ommuurd eilandenrijk zal preciezer moeten nadenken over de grenzen en grondslagen van die democratie; grondslagen die zich van oudsher laten omschrijven als vrij, open, pluralistisch, heterogeen. Alleen dan zal zich de kracht openbaren van de Verlichtingstraditie: een institutionele, organische samenleving die met politieke realiteitszin afhankelijkheden, voorkeuren, smaken én belevingen fijntjes op elkaar afstemt. Het monoculturele drama dat zich vandaag lijkt te voltrekken is de grootste bedreiging voor deze kostbare maar kwetsbare Verlichtingstraditie. En daarmee voor de maatschappelijke vrede.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden