Mr. Palestina

Mr. Palestina is dood. Bijna veertig jaar leidde Jasser Arafat de Palestijnse strijd. Hij heeft dat leiderschap nooit willen verruilen voor een leiderschap over een stukje grond. De man in het kaki-uniform, met de hoofddoek en de stoppels, was de belichaming van de Palestijnse zaak, ook in eigen ogen.

Inez Polak

Toen de schrijver John Le Carré hem eens vroeg waar hij het hart van het verspreide Palestijnse volk kon vinden, nam Arafat diens hand beet, bracht het naar zijn hart en zei: 'Hier!'

Gisteren overleed Arafat in een ziekenhuis in Parijs, waar hij eerder met onbekende klachten was opgenomen. Zijn dood betekent het einde van een tijdperk én het einde van een overlever, van een man met negen levens die oorlogen, opstanden, aanslagen en bombardementen wist te overleven. Die zelfs aan de dood ontsnapte toen zijn helikopter in de Libische woestijn neerstortte en de wereld hem al had afgeschreven. Zijn lijfwachten hadden een levend kussen om hem heen gevormd. En ook dat zegt veel over de man die -het cliché is waar- op handen gedragen werd door velen, gehaat en verguisd door evenzovelen. Hij was een man van de gewapende strijd die de Nobelprijs voor de vrede kreeg. Een historische leider die het met de historische feiten niet zo nauw nam. Een opvliegende dictator die geen tegenspraak duldde, maar die ook zijn gasten wist in te palmen met zijn warme handdruk, zijn charme, er altijd persoonlijk voor zorgde hun bord bij te vullen met lekkernijen.

In 1929 wordt hij geboren als Mohamed Abdel Rahman Abdel Raoef Arafat al Koedwa al Hoesseini. Gedurende zijn leven heeft hij vele bijnamen gehad, de laatste jaren was het 'de ouwe', maar ook 'de vader', de vader van de natie. Zijn aanspreeknaam luidt Aboe Ammar. Arabieren plegen elkaar aan te spreken met 'aboe', de vader van..., en dan volgt de naam van de oudste zoon. De ongetrouwde Arafat kiest bij gebrek aan een zoon voor Aboe Ammar. Ammar kan 'iemand met een lang leven' betekenen, het is ook iemand die ervoor zorgt dat het land wordt bewoond, een bouwer. Arafat blijft getrouwd met die opbouw van Palestina en blijft voor alles de vader van de natie, ook als hij op zestigjarige leeftijd in het huwelijk treedt met de 28-jarige Soeha. Soeha en dochtertje Zahwa vertrekken al snel naar Parijs.

Zijn officiële biografieën melden dat hij op 4 augustus 1929 in Jeruzalem wordt geboren, in werkelijkheid ziet Arafat kennelijk op 24 augustus het levenslicht in het Egyptische Cairo. Zijn vader is er uit Gaza heen verhuisd in de hoop een stuk grond te erven. Zijn moeder komt oorspronkelijk uit Jeruzalem, en behoort tot een vooraanstaande familie. Arafat is nog geen vier jaar oud als zij overlijdt. Hij brengt enige tijd door bij de familie in Jeruzalem, maar verhuist weer terug naar Cairo als zijn vader hertrouwt. Daar groeit hij op. Maar Jeruzalem als geboorteplaats staat nu eenmaal beter in een biografie van dé Palestijnse leider.

In Cairo raakt hij al jong in de ban van de Palestijnse strijd. In 1948, zou hij -naar eigen zeggen, want bewijzen zijn er niet- zelfs persoonlijk ten strijde zijn getrokken tegen de Israëlische staat in wording. Als in mei dat jaar het Egyptische leger arriveert, krijgen de Palestijnse milities het bevel te vertrekken. Het zou het begin zijn geweest van Arafats reeks van aanvaringen met de Arabische regimes, die hij er altijd van zal blijven beschuldigen de Palestijnse zaak te verwaarlozen.

In het Egypte van koning Faroek begint Arafat zijn studie voor bouwkundig ingenieur aan de universiteit van Cairo. Er heerst een revolutionaire stemming. De val van de koning is nabij. Arafat is medeoprichter van de Unie van Palestijnse studenten en flirt met de moslimbroeders. Hij moet dat bezuren als de nieuwe Egyptische president Nasser de moslimbroeders ervan beschuldigt een aanslag op zijn leven te beramen. Arafat belandt voor korte tijd achter de tralies. Het zal niet zijn laatste verblijf in een cel zijn. In de daaropvolgende jaren zal de ene na de andere Arabische leider hem van ondermijnende activiteiten beschuldigen.

In 1957 volgt Arafats eerste verbanning als Nasser hem de deur wijst. De Egyptische president kon niet bevroeden dat hij daarmee de fundamenten legde voor de latere Palestijnse strijd. Volgens een van Arafats biografen dient Nasser zelfs als voorbeeld voor de latere Palestijnse leider, ,,zeker waar het Nassers gave tot manipulatie betreft''.

In Koeweit vinden Palestijnse ballingen elkaar. De jonge, veelal gestudeerde Palestijnen zullen de kern vormen van de Palestijnse bevrijdingsbeweging. Arafat en zijn vrienden richten de Fatah-beweging op.

Arafat, een kleine man, die als bouwkundige goed geld verdient en later in een interview met Playboy prat gaat op zijn vloot aan snelle auto's ('Mijn favoriet was de Thunderbird'), ontpopt zich als hun leider, dan nog gekleed in witte sportjasjes. Hij beschikt over charisma, kan ook een driftkop zijn, die met borden smijt, of stampvoetend op het podium staat. Bij vragen van journalisten die hem niet bevallen, valt hij uit: ,,Weet u wel tegen wie u spreekt! Ik ben de president van het Palestijnse volk...''

In die tijd ook kiest Arafat voor de kaffia, de hoofddoek, en het uniform, dat hij naar eigen zeggen pas had willen verruilen voor een gewoon pak als de Palestijnse zaak heeft gezegevierd. Mettertijd zal hij een steeds soberder leven leiden, gespeend van enige uitspattingen, of het moet zijn liefde zijn voor films met Elvis Presley en Doris Day. Bezit heeft hij niet, maar tegelijkertijd is de Palestijnse kas zijn eigen kas, koopt hij loyaliteiten en sluist hij miljoenen weg 'voor de zaak'.

De Algerijnse vrijheidsstrijd tegen Frankrijk wordt zijn bron van inspiratie. De Fatah mag op Algerijnse bodem zijn trainingskampen oprichten. Vanuit die periode stammen ook de internationale contacten met radicale bewegingen in Azië, Europa en Latijns-Amerika.

In de Arabische wereld viert in de jaren zestig het pan-Arabisme hoogtij. Voorop staat de Arabische eenheid, die uiteindelijk ook tot de bevrijding van Palestina zal leiden. Arafat hangt de omgekeerde gedachte aan: de bevrijding van Palestina moet de weg effenen naar de Arabische eenheid. Maar voor deze nationale opvatting komt pas plaats als in 1967 de Arabische landen het onderspit delven in de strijd tegen Israël.

Dan begint de echte strijd. Ineens leven een miljoen Palestijnen onder de Israëlische bezetting en is er een direct front met Israël. Arafat hoopt op een guerrilla van binnenuit. Hij dringt de bezette gebieden binnen en rijdt er op zijn motor rond. Maar de massale volksopstand blijft uit en de Israëliërs zijn hem op het spoor. De latere Israëlische minister van defensie Ben Eliëzer, toen nog soldaat, treft een nog warm bed aan. Arafats zesde zintuig heeft hem zoals altijd op het nippertje gered.

Het volgende hoofdstuk is dat van de kapingen en spectaculaire terreuracties. Arafat weet de Palestijnse zaak op de wereldagenda te plaatsen. En hij weet de Palestijnse groeperingen te bundelen. De prijs, die hij maar al te graag betaalt, ook in zijn latere carrière, is die van de dubbelzinnigheid. De radicalen binnen de Palestijnse beweging zetten hun terreuracties voort, terwijl de gematigden het diplomatieke pad bewandelen. Arafat beweegt zich heen en weer tussen beiden, manoeuvreert en manipuleert.

Tekenend is zijn eerste optreden in de VN in 1974: het holster om, de olijftak in de hand. En hoewel hij zich in de jaren tachtig aarzelend richting politieke oplossing manoeuvreert, heeft hij nooit een definitieve keuze gemaakt tussen beide opties. Integendeel, hij speelt ze uit en telkens als het lijkt of hij geen kant meer op kan, weet hij weer een uitweg te vinden. Zijn odyssee leidt hem via Jordanië, naar Libanon en vandaar naar Tunesië. Jordanië wordt hij uitgegooid als hij de troon van de koning bedreigt. Uit Libanon wordt hij verdreven door zijn nemesis Ariël Sjaron.

Vanuit het verre Tunis lijken de militaire opties voor de strijd tegen Israël verkeken, maar de eerste intifada (in 1987) brengt Arafat terug op het internationale toneel. De strijd van de Palestijnen in de bezette gebieden gaat gepaard met ongekende politieke besluiten. Arafat erkent Israël en gaat een dialoog met de VS aan. Het zal uiteindelijk leiden tot het eerste Oslo-akkoord, het begin van een verzoening tussen Israël en de Palestijnen, en tot de terugkeer van Jasser Arafat naar de Palestijns gebieden. Het vervolg, de mislukking, is recente geschiedenis, én een voorbeeld hoe Arafat op het moment suprême er toch weer voor terugschrok historische knopen door te hakken. Er valt veel af te dingen op de rooskleurige Israëlische beschrijvingen over de vergaande concessies die Israël zou hebben aangeboden bij de vredesbesprekingen in Camp David in 2000. Maar ook Arafat heeft daar niet gekozen voor de verzoening. Hij prefereert een terugkeer naar de gewapende strijd om verdere concessies af te dwingen. Met als gevolg dat hij zijn eeuwige tegenvoeter Ariël Sjaron aan de macht helpt en de kans op een doorbraak op de lange baan schuift. Arafat verkoos de geschiedenis in te gaan als leider van de Palestijnse revolutie die weigert het recht op terugkeer van de Palestijnse ballingen naar heel Palestina op te geven. Dat was voor hem belangrijker dan het verkrijgen van een klein lapje grond, een mini-Palestina. Zijn uniform bleef hij dragen. Hij wilde sterven als een martelaar, een sjahied.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden