Mozes op sneakers

Een vrome mecenas schenkt de Haarlemse St Bavo vandaag een modern mozaïek van Gijs Frieling met een klassiek motief. Willem Jan Otten ziet hoe Frielings God spreekt 'in exploderende letters'.

Willem Jan Otten (1951) schrijft poëzie en proza. Voor zijn beschouwend proza ontving hij in 2014 de P.C.Hooft-prijs. Zijn laatste essayboek is 'Droomportaal'.

Het eerste wat opvalt is de leeftijd van Mozes. Hij oogt jeugdig, als een finalist van Roland Garros, met zijn blauwe sneakers en zijn tred die beslist veerkrachtig te noemen is.

De schepper van de muurmozaïek in kwestie, Gijs Frieling, lapt de traditionele, baardige, eerbiedwaardige Mozesgestalte, zoals overgeleverd door Michelangelo, Rembrandt, Chagall, aan zijn laars.

En toch, als je het bijbelboek Exodus erop na slaat, dan dringt het zich op: Mozes kreeg zijn allesbeslissende Godservaring als jongeling, als opstandige adolescent. Hij had niet lang daarvoor in Egypte iemand in een driftig tweegevecht gedood, was op de vlucht geslagen, en hield zich schuil tussen de leden van een abrahamitische stam, waar hij 'herder van wolvee' was geworden. Een outlaw met een onzekere toekomst - boek Exodus begint als een Western.

Het is een eye-opener om Mozes zo nieuwewerelds, sportheldachtig verbeeld te zien. De Godservaring, waar hij op af beent lijkt uit een stripboek afkomstig te zijn. Hij wekt niet de indruk er speciaal naar op zoek te zijn geweest. Hij heeft zijn schoenen nog aan, terwijl de Thora van hem vraagt ze uit te trekken: hij bevindt zich op heilige grond. God spreekt in exploderende, Roy Lichtenstein-achtige letters. Wat hij zegt had ook wow! kunnen zijn. Er staat Ik zal er zijn - zo zegt de stem dat hij heet, en met die zin die zijn naam is sluit hij met Mozes, en met de mensen, een verbond.

Picturaal gesproken bevinden we ons met deze mozaïek midden in Frielingland. De knoestige struik doet denken aan ornamentele volkskunst; de groene, onbrandbare bladeren hadden die op een geknoopt tapijt kunnen zijn. Het vuur van de letters is gestileerd tot middeleeuwse pinkstertongen. De geiten herinneren aan gebreide rendierachtigen op een Noorse trui. De wereld is plat, niet-perspectivisch, als een kindertekening. Het landschap is een lange, dikke golvende lijn over de hele breedte van het beeld - even herinner je je 'Paultje en het paarse krijtje' van Crockett Johnson, het onvergetelijke kleuterboek waarin een getekend jongetje de wereld, bestaande uit één streep, voor zich uit tekent.

Het is allemaal de geest van een klare onbevangenheid, zoals trouwens het hele oeuvre van Frieling, en dit versterkt je allereerste indruk: wat je ziet is begin. Aanvang. Oorsprong. Je kijkt naar iets wat ontstaat. De wereld wordt.

Ik zal er zijn, gewapend met alleen die woorden zal Mozes de zijnen uit Angstland (zoals Willem Barnard Egypte noemde) leiden. En hij beweegt zich in de Sint Bavo naar links, ad orientem, in de richting van het volgende kunstwerk dat in de Sint Bavo te zien is, ter hoogte van het Koor en het Altaar: een fresco van de Transfiguratie op de Berg Tabor, vervaardigd door Han Bijvoet in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Ook daar gaat het om een ogenblik waarop God zich kenbaar maakt, in de door hemels licht doorschenen gestalte van Jezus. Naast hem staan Elias en Mozes; weer een manier om 'Ik zal er zijn' te zeggen. Uiteindelijk is dat ook wat Christus, die schuin onder de fresco van de Transfiguratie, in Zijn gedaante van brood en wijn, op het altaar met zijn verbondswoorden te kennen zal geven: Ik zal er zijn.

Intussen bestaat het kunstwerk uit steentjes. Ze zijn in een soort schoollokaal in Nijmegen door een groepje assistent-mozaïsten in een speciale specie gedrukt, stuk voor stuk. Steentjes van gepigmenteerd glas, honderdduizenden, met 76 van elkaar te onderscheiden kleuren. Elk afzonderlijk steentjes zo groot als het kootje van een meisjepink. De meeste zien er, los, uit als een snoepje. Het procedé is in zijn aartsvorm oeroud, even oud misschien wel als schilderen op rotswanden.

Er moet een eerste mens zijn geweest die, de tijd dodend aan de kleiige oever van een rivier, met kiezels, of aan een strand, met schelpjes, ontdekte dat zij iets voor ogen kon toveren. Er zijn gegronde redenen om aan te nemen dat de kunstgeschiedenis met een vrouw, of een groepje vrouwen is begonnen, tijdens zwangerschappen en zogen, als er tijd te doden viel. Voor ogen toverde zich iets wat leek op bijvoorbeeld een gezicht; iets wat je het gevoel gaf dat het je aankeek, terwijl het toch niet leefde. Het ontstaan van dat wat we een 'beeld' noemen valt samen, stel je je voor, met de geboorte van het menselijk bewustzijn, dat om te beginnen symbolisch te werk gaat. Het ziet werkelijkheid waar die welbeschouwd niet is. Het schept de werkelijkheid.

Het feit dat we kunnen zien dat een paar rijen steentjes, door onszelf in een bepaald patroon gelegd, een bloem is, of een boom, of een geit, dat is, als je er over nadenkt, verbijsterend. En ieder mens doet (al dan niet geholpen door ouders of omstanders) deze ontdekking, elk afzonderlijk mensenleven opnieuw. Er is iets voor te zeggen dat Gijs Frieling de ervaring van deze ontdekking nooit helemaal te boven is gekomen, of laten we zeggen: dat hij, per kunstwerk, deze transfiguratie van spul, van levenloos materiaal tot beeld dat met betekenis bezield wordt, steeds opnieuw realiseert.

Het zou een misverstand zijn te menen dat hij zich, met zijn schijnbaar archetypische beelden, beweegt in de richting van abstrahering - alsof hij, als een soort Mondriaan, van bomen naar Boom naar idee werkt. Hij ontwikkelt zich in omgekeerde, om zo te zeggen: anti-modernistische richting: steeds terug naar het begin, naar de oorsprong van het beeld, naar de ervaring van het ontstaan van de werkelijkheid: per kunstwerk beleeft hij opnieuw het moment waarop een bepaalde herhaalde beweging van een schilderende hand, het in mortel drukken van een opeenvolgende reeks steentjes, de patronen veroorzakende gebaren van een pols, iets zijn. Voorstellen. Worden.

De kleine, welbeschouwd makkelijk na te bootsen steentjespatronen die tezamen een geit vormen, of een sneaker, of een bliksem, zijn geen afbeeldingen van de realiteit (of daar de abstrahering weer van), maar precies andersom: ze zijn wat er gebeurt als het menselijk bewustzijn in materiaal realiteit ontwaart terwijl het met het materiaal speelt.

En precies dat staat Mozes te gebeuren. Hij nadert, gevolgd door zijn nietsvermoedende, weerspannige kudde, het braambos, en voelt de hitte van het vuur. En plotseling staat hij voor het raadsel dat zijn bestaan zal veranderen - de werkelijkheid begint te spreken.

Kijken wordt zien, luisteren horen, de schepping richt zich tot hem, met de bevrijdende woorden die hem verbinden aan het leven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden