MOZES COHEN BELINFANTE

Uit de Franse tijd (1795 - 1813) dateert meer dan de invoering van de meter en van familienamen. De Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek, de eerste Nederlandse volksvertegenwoordiging, besloot tweehonderd jaar geleden tot de 'gelykstaat' van de joodse met niet-joodse burgers. Tot dan toe waren joden van bepaalde rechten en beroepen uitgesloten. Naast mensen van naam (zoals de jurist Jonas Daniël Meijer) waren het vooral minder bekende mannen en vrouwen, die met hun geestdrift anderen voor de 'gelijkstaat' probeerden te winnen. Een van hen was Mozes Cohen Belinfante, een bevlogen publicist. De gelijkstelling was in woord en daad zijn broodwinning, als onderwijzer, journalist, boekhandelaar, drukker, uitgever, vertaler en pamflettist. Zijn grootste project was de eerste joodse bijbelvertaling in het Nederlands. Maar de onderneming mislukte. Joodse onderwijzers voelden zich in hun bestaan bedreigd, de klus werd te kostbaar en een andere politieke wind (de Franse bezetting van de Republiek) maakte het Nederlands van de joodse bijbel opeens een stuk minder interessant. Jaren later, toen kwam zo'n vertaling er natuurlijk als vanzelf. Een portret van een gangmaker. Dit artikel is gebaseerd op een hoofdstuk in 'De gelykstaat der joden, inburgering van een minderheid' (Waanders, ¿ 35) dat vrijdag 7 juni verschijnt bij een gelijknamige expositie in het Joods Historisch Museum in Amsterdam (7-6 t/m 24-11 '96). De tekst op de grafsteen van Mozes Cohen Belinfante: DIT IS DE OPGERICHTE STEEN VAN HET GRAF VAN DE DIERBARE EN OOK OPRECHTE MAN. HIJ LEGDE UIT. HIJ ONDERWEES KENNIS AAN JONGENS EN OOK VOEDDE HIJ DE ZONEN DER BALLINGEN OP. HIJ HAASTTE ZICH GOED TE DOEN VOOR DE ARME EN BEHOEFTIGE EN GAF LOON VOOR ELKE DAAD. MOGE HIJ HIER RUSTEN IN ZIJN RUSTPLAATS.DE BEJAARDE EN GEEERDE MOZES, ZOON VAN DE VOLMAAKTE OPPERRABIJN, DE RECHTSCHAPEN ENBESCHEIDEN WELEDELE HEER RABBIJN TSADIK HACOHEN BELINFANTE, DE NAGEDACHTENIS AAN DE RECHTVAARDIGE ZIJ TOT ZEGEN.

Mozes Cohen Belinfante was in 1760 de eerste van zeven kinderen van Paloma en haar achterneef Tsadiek (Hebreeuws voor 'de rechtvaardige'). Vader was opperrabbijn in Den Haag en als hoofd van de Portugees-Israëlietische armenschool Mozes' onderwijzer. De jongen was een talenwonder: spraken sefardische joden (oorspronkelijk uit Portugal en Spanje) onderling nog dikwijls verbasterd Portugees, Nederlands ging hem behoorlijk goed af. Nog maar net veertien studeerde hij een klein jaar bij een oom en tante in Kopenhagen voor arts, een idee van z'n vader. Brieven tonen dat Mozes behalve Nederlands en Portugees ook Frans, Duits, Engels en Latijn beheerste. Maar oom en neef lagen elkaar niet en oom wees hem de deur. Terug in Den Haag had hij baat van zijn talenkennis. Hij profiteerde van vaders positie en tolkte voor het corps diplomatique.

Op z'n 23ste trouwde Mozes met Angela Sara Monteira. Pal na hun huwelijk werd Sadic geboren, die enkele weken later overleed. Er rustte geen zegen op het gezin. Een tweede zoontje, ook naar grootvader vernoemd, leefde vijftien maanden; hun derde kind, Paloma, naar oma, stierf toen ze acht was. Dit leed in zijn privéleven compenseerde hij door zich op zijn werk te storten. Zijn vaders dood (1786) haalde hem uit het diplomatenwereldje. Hij stopte met tolken en volgde Tsadiek Cohen Belinfante op als hoofd van de Armenschool. Mozes voerde een tolerant bewind, liet asjkenazische kinderen (van Duitse of Oost-Europese afkomst) en meisjes toe, en hij ontpopte zich tot voorstander van Nederlandstalige lessen.

In 1787 stichtte hij met pupillen van pa het Genootschap Talmidei Tsadiek ('Leerlingen van Tsadiek'), om het Hebreeuws, dat leed onder 'schadelijk verval', 'weder uyt den assche op te delven'. Maar het leek vruchtbaarder om teksten verstaanbaar te maken in het Nederlands. Mozes stak al z'n vrije tijd in een vertaling van het Portugees Gebedenboek, toen nog niet in het Nederlands beschikbaar. 300 belangstellenden, onder wie twee (niet-Joodse) predikanten, tekenden in op 500 exemplaren. Dubbele bestellingen waren voor de echtgenotes; voor vrouwen, vaker dan hun mannen het Hebreeuws niet machtig, was de vertaling een uitkomst.

Als hoofd van de Armenschool kwam Mozes ondertussen met de Portugese gemeente in conflict. In 1795 kreeg hij ontslag op staande voet, omdat hij de school verwaarloosd zou hebben. Hij werd ervan beticht christelijke leerlingen toe te laten; de rabbijnen moesten in werkelijkheid niets hebben van Mozes' liefde voor het Nederlands.

Na zijn ontslag bleef hij zich in dienst stellen van de joodse gemeenschap, al lag zijn vertrekpunt nu in de Hollandse samenleving. Hij manifesteerde zich als politicus zonder partij, die ijverde voor de emancipatie van de joden. Hij had al eens een Nederlandstalig schoolboekje uitgegeven en in de loop der jaren volgden joodse en 'Hollandsche' almanakken: de laatste groeiden uit tot de 'Rijks- en Residentie Almanak', voorloper van de tegenwoordige Staatsalmanak.

In 1795, Mozes' eerste freelance jaar, kondigde de Bataafse Republiek de Rechten van den Mensch en Burger af. Op 2 september 1796, twee eeuwen geleden, nam de Nationale Vergadering unaniem het Decreet over den gelykstaat der Joodsche met alle andere burgers aan. Van veel bijval onder joden was geen sprake. De meesten vreesden dat opgaan in het Hollandse volk de teloorgang van de joodse traditie betekende. Maar Mozes vond het geweldig en hij stuurde met een handvol andere joden een dankadres naar de Vergadering.

Zijn werk als schrijver en uitgever nam vastere vorm aan. Nadat in 1801 z'n moeder gestorven was, trok hij veel op met jongste broer Jacob. Ze stichtten een 'Compagnonschap tot het drijven van eene boekhandel en het uitgeven van boeken onder den naam Belinfante en Compagnie'. Zij legden de basis van wat in de 19de eeuw uitgroeide tot een familie-imperium van boekhandels, drukkerij, uitgeverij en het Nederlandsch Correspondentiebureau voor Dagbladen (voorloper van het ANP).

In 1806 raakte Mozes in de ban van het 'Sanhedrin', dat keizer Napoleon (onder wiens gezag Holland viel) bijeen zou roepen. Deze vergadering van rabbijnen en leken was aanvankelijk een tegemoetkoming aan reactionaire katholieken, die eisten dat de 'woekerende' joden onder de duim werden gehouden. Het werd een debat op niveau van gelijkheid dat de samenleving voor de tot dan toe minderwaardig geachte joden toegankelijk maakte. Mozes begon een tijdschrift om op deze actualiteit in te spelen: 'Bijdragen' werd het eerste Nederlandstalige joodse weekblad.

Het kwam Mozes en Jacob van pas dat zij het Frans uitstekend beheersten. Onder Napoleons broer Lodewijk werden ze de eerste redacteuren van de Staatscourant. Jacob had een vaste aanstelling, Mozes schreef losvast. Hij bleef zich koesteren in de aandacht van het Franse gezag, met zijn manifest 'Aanmoediging aan de Hollandsche Israelieten tot het betreden van de door hun geopende loopbaan van den Krijgsdienst'. Aanleiding was een Koninklijk Besluit in 1809 over oprichting van een 'corps troepen geheel en al bestaande uit Israëlieten'. Zo emancipatorisch was dit overigens niet. Napoleon had voor zijn oorlogen soldaten nodig. Zijn broer Lodewijk, die zachte boven harde dwang verkoos, mikte op beschikbare joden. Het manifest had niet bepaald effect. Holland stelde als eerste Europese land (in een apart corps) zijn leger voor joden open, maar dat werd in 1810 alweer overbodig geacht.

Koning Lodewijk vaardigde een decreet uit dat Mozes nog sterker beroerde. Dit KB van 10 juli 1809, 'om het gebruik der Hollandsche taal onder de Israëlitische onderdanen te bevorderen', appelleerde aan zijn grote passie, de taal. Asjkenazische joden spraken begin 19de eeuw Jiddisj, zoals de sefardim Portugees. De koning nu wilde 'krachtdadig medewerken, om uit den weg te ruimen, al hetgeen de civilisatie onder het gros onzer Israëlietische Onderdanen kan hinderlijk zijn'. Onderdeel van het decreet was een 'Besluit opzigtelijk het gebruik der te vertalene Bijbel, uit de Hebreeuwsche in de Nederlandsche taal'.

Basis voor de taal van de joden is de Tora en het onderricht daarin. Lodewijk koppelde dan ook de bijbelvertaling aan verplichtingen voor het onderwijs: 'in aanmerking nemende, dat het maar al te zeer verwaarloosd gebruik der Hollandsche taal onder hen dient bevorderd en de zoogenaamde Joodsche taal afgeschaft te worden, hebben wij besloten en besluiten: De vertaling des Bijbels, uit de Hebreeuwsche in de Nederduitsche taal zal als de eenige authentieke vertaling ten gebruike van deszelfs geloofsgenooten worden aangezien. Zoodra de vertaling zal zijn in het licht gegeven verbieden wij om van de zoogenaamde Joodsche taal gebruik te maken.' Vooral het Jiddisj was de zondebok.

Een nieuw genootschap had voor de bijbelvertaling gelobbyd bij het Opperconsistorie, het door de Fransen ingestelde bestuur over de joden. Weer was Mozes de motor achter zo'n gezelschap, met onder anderen broer Jacob. 'Chanoch lanangar ngal pie darkoo' hadden ze opgericht om leermiddelen te vervaardigen. De naam was ontleend aan Spreuken 22,6: 'Geef den jongeling eene opvoeding, naar zijne zielsvermogen' (in de vertaling van Mozes). Het Opperconsistorie besloot 'dat de leden van Chanoch ieder zich zullen verbinden, voor een poenaliteit van ¿. 10.000 ingevalle hetzelven gezelschap hare werkzaamheden niet mogt ten einde brengen'. Daar stond tegenover 'om aan de Uitgevers en Vertalers van den Bijbel te waarborgen voor eene intekening van ¿. 10.000 en des noods een gedeeltelijk voorschot, waarvan het onverhoopt te kort komende door het Opperconsistorie zoude worden gesuppleerd.' De hierin besloten opdracht werd aan Chanoch bericht. Met gelijke post ging er een brief naar Lodewijk: om een verordening van de bijbelvertaling, altijd beter dan een 'geheel vreemde en zonder gezag gemaakte vertaling'; en om geld, want Chanoch verplichtte zich op straffe van verlies van het voorschot, maar moest dit wel eerst krijgen.

Op 19 juni 1809, een aantal weken nog te gaan voordat het decreet werd afgekondigd, bevestigde Chanoch de opdracht. Drie drukkers, Belinfante & Comp. voorop, namen de publicatie op zich. Op 17 september 1809 tekenden Chanoch en de uitgevers een contract over lettertype, planning en betaling. In de praktijk werd Mozes dubbel belast: hij was zowel co-uitgever als vertaler. Na een jaar was onder meer de Pentateuch, de eerste vijf bijbelboeken, gedaan. Op 1 december 1910 bevestigde Jacob 'dat de commissie, vanwege hetzelve gezelschap belast met het vertalen des bijbels, deze hare taak, in behoorlijke orde, voor eenige weken, volbragt heeft.' De vertaling van Genesis werd door het Opperconsistorie goedgekeurd.

Toch verscheen het werk niet in druk. Het Opperconsistorie kwam in geldnood, het decreet werd ingetrokken en de synagoges weigerden steun. Ging Mozes met zijn geestverwanten te voortvarend te werk, zonder zich te vergewissen van steun in joodse kring? Adder onder het gras was de aan het vertaalplan gekoppelde sanctie in het decreet, dat in het onderwijs alleen zij patent als onderwijzer kregen die 'eene proeve hebben gegeven de Hollandsche taal volkomen magtig te zijn. Zoodra het Eerste Boek der te vertalen Bijbel zal zijn afgedrukt, zal het op alle (Israëlietische) seminariën en armescholen moeten worden ingevoerd, zullende het Opper-Consistorie zorg dragen, dat er op genoemde scholen onderwijzers of ondermeesters fungeeren of aangesteld worden, die de vereischten bezitten'. Wie toch Jiddisj gebruikte werd een half jaar geschorst en bij herhaling ontslagen.

De verplichting tot het Nederlands wekte onder onderwijzers en rabbijnen zulke beroering, dat de hieraan gekoppelde bijbelvertaling tot mislukken gedoemd was. Onderwijzers zeiden dat lessen in het Nederlands te traag zouden verlopen; de bestuurders van de synagoges wilden de bijbelvertaling niet gebruiken 'zolang ze niet door godvruchtige en beide talen machtige Rabbijnen en Leeraren was goedgekeurd'.

De uitgave was kansloos vanwege de onderwijsbepaling, niet vanwege de vertaling op zich. Rabbijnen móchten vooraf hun oordeel vellen. Het Opperconsistorie had de onderwijzers tactischer kunnen benaderen. Maar was sabotage de enige uitweg? De ene na de andere rabbijn weigerde de vertaling te controleren, had het 'te druk' of 'was ziek'. Jonas Daniël Meijer, president van het Opperconsistorie en Mozes bekend van de Staatscourant, gooide olie op het vuur: “Wee den Rabbijn of Opper-Rabbijn, die zich zoude verstouten, ik wil niet zeggen deze vertaling te willen tegenwerken, maar die in gebreke zoude blijven dezelven ten sterkste aan te moedigen”.

De boycot tekende zich af. De rabbijnen werden verplicht in te tekenen en alvast één exemplaar te reserveren voor op school, maar bij voorbeeld in Amsterdam weigerden 14 van de 38 onderwijzers: eenderde stak ondanks gedreig z'n nek uit.

De druk ging van de ketel. Op 1 juli 1810 moest Lodewijk afstand van de troon doen ten gunste van zijn broer, keizer Napoleon. De 'verfransing' van het land maakte het Nederlands onbelangrijk. Mozes' medevertaler Lemans hierover, met gevoel voor understatement: Napoleons gouverneur-generaal in Holland “de Hertog van Plaisance zeide, bij wijze van plaisanterie, dat welligt eens eene vertaling uit de eene doode taal in een andere (zo behaagde het hem ons Nederduitsch te noemen) voor liefhebbers eenige waarde zou kunnen verkrijgen”.

Het hoofdstuk van de bijbelvertaling werd geruisloos dichtgeslagen. Chanoch was zijn doel voorbijgeschoten: in de gretigheid om de vertaling binnen te halen was het Paard van Troje van de onderwijsverplichting niet voorzien. De vertaling zelf raakte na alle verwikkelingen zoek en is tot op heden onvindbaar. Mozes was de dupe. Hij schoot met 'Belinfante & Compagnie' het geld voor papier en loden letters voor. Andere partners in het project verrichtten hun hoofdarbeid elders. Lemans memoreerde na Mozes' dood: “Onbeschrijfelijk zijn de opofferingen, die zich Belinfante getroostte. Tijd, inspanning van denkvermogen, lokaal, boeken, schrijfbehoeften, vuur en licht, benevens nog andere voorschotten.” Zijn financiële situatie was catastrofaal. Maar Mozes zou Mozes niet zijn of hij ging door als activist.

Toen in 1811 Napoleon in Amsterdam ontvangen werd, bezorgde Mozes hem een voorstel voor hervormingen. Nederlandstalig preken in de synagoge moest de verdwijning van de twee 'jargons' (Portugees en Jiddisj) bevorderen. Ook moesten landbouw en industrie onder joden gepropageerd worden, door joodse kinderen op kosten van welgestelde godsdienstgenoten op het platteland te vestigen en te laten werken bij 'meestervaklieden', omdat immers 'privé-meesters' nauwelijks joden toelieten.

Hij moest in zijn inkomen voorzien en nam zijn toevlucht tot de (her)uitgave van schoolboekjes, schroomde niet zelfs leerboekjes in het vermaledijde Portugees uit te geven. Zuur was de mislukte poging om nog één keer de geflopte joodse bijbelvertaling te hervatten. In 1822 sloten Mozes en Lemans een overeenkomst 'omtrent eene nieuwe vertaling van den Bijbel'. In 1823 moest de overeenkomst tenietgedaan worden: alle tijd van Mozes ging op aan een tijdelijk redacteurschap bij de 's-Gravenhaagsche Courant. Lemans, drukbezet als wiskundeleraar, gaf de 'taak' aan een ander. Het is niet duidelijk, of Mozes met dit nieuwe bijbelproject aan de slag was gegaan. Hij kon nog de beschikking hebben gehad over oude eigen aantekeningen. Deze fragmenten, kunnen aan S.I. Mulder zijn gegeven, wiens Pentateuch-vertaling in 1826 zou verschijnen. Het Nederlands was toen al lang geen heet hangijzer meer.

Op 9 juni 1827 stierf Mozes. Hij was een uit velen. Toch sprong hij er op zijn manier uit. Als pionier, niet als strateeg: voor de troepen uit, gespeend van ieder tactisch benul. Hij liep warm voor elk initiatief, als hij het zelf al niet nam, gericht op het resultaat, zonder voelhoorns voor obstakels. Zijn geestverwanten hadden hun bezigheden elders en werden door hun emancipatiezucht minder gesloopt. Geplaagd door leed in zijn privéleven, zonder vast inkomen, was hij een kleine zelfstandige, de gelijkstelling was zijn brood en zijn adem. Emancipatie - dikwijls pas achteraf als zodanig aan te merken - is een zaak van lange adem en met het ouder worden raakt deze op. Zeker voor wie zijn tijd vooruit is, zoals Mozes, een gangmaker 'naar zijn zielsvermogen'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden