Review

Moten uit het lijf van het leven gesneden

Rita Demeester: Land van belofte - Verhalen. Meulenhoff, Amsterdam; 176 blz. - Fl. 29,90.

In een lezing, getiteld 'Met schrijven beginnen op je veertigste', waarmee de bundel besluit, geeft zij een heldere karakteristiek van het soort verhalen waar zij op uit is: “De eenvoud waar ik vandaag voor val, is die waarmee John Berger en Raymond Carver, om mijn twee favorieten bij naam te noemen, het modieuze geschetter overstemmen. Het schijnbaar banale leven waarover zij schrijven en hoe ze dat doen is van een tijdeloze schoonheid, gaafheid en ontroeringskracht. Voor mij is een van hun sterke troeven de onnavolgbare wijze waarop zij schroom en stilte in hun schrijven weten in te lassen (. . .). Berger en Carver, allebei hebben ze dat benijdenswaardige vermogen om hun woorden te wegen en het juiste te kiezen, niet het mooiste of moeilijkste of aangrijpendste maar het juiste, het enig wenselijke en aanvaardbare op die ene plaats.”

Wie een verhaal van Rita Demeester leest komt in een vergelijkbare, sober vertelde wereld terecht, in “moten uit het lijf van het leven gesneden”, waarover in ogenschijnlijk onspectaculaire bewoordingen toch heel bijzonder verslag wordt gedaan. Het realistische verhaal, als het zo zuiver en onopgesmukt verteld wordt, hoeft allerminst onder te doen voor het verhaal waarin de verbeelding vrij spel krijgt. Het laat eigenlijk zien hoe transparant het realisme kan zijn, hoeveel er onder de als werkelijkheid gepresenteerde oppervlakte schuil gaat, hoeveel er versluierd en verzwegen wordt of alleen maar gesuggereerd.

Het eerste verhaal, 'Lindbergh', heeft in een notedop alles wat het vertellen van Rita Demeester zo aantrekkelijk maakt. Het gaat over twee schooljongens van twaalf jaar, de ene is een lefgozer, zo genoemd naar het stoere horloge dat hij opzichtig draagt, Pontiac; de ander is de nijvere en brave Robert, die een en al bewondering is voor zijn vriendjes. Hun onderlinge verhouding, en de huiselijke achtergronden, worden met behulp van typerende details uitgetekend. En dan ineens verspringt de blik naar Roberts oudere zusje, de zestienjarige Anita, die wat geld verdient met oppassen. Op een keer krijgt zij van de ouders van Pontiac het verzoek te komen oppassen, al moet ze er tegenover Robert en anderen over zwijgen als het graf.

Als ze op de betreffende avond wordt ingelicht over wat haar te wachten zal staan, blijkt Pontiac een slaapwandelaar te zijn, die er tussen elf en twaalf graag uit gaat om van alles te eten en die bovendien in zijn bed dreigt te plassen als hij niet ter wc wordt geleid. Er zit in deze onoverwinnelijke held een heel klein ventje. Dat merkt Anita als ze tegen twaalven, hij is deze keer rustig blijven slapen, naar hem toegaat, en hem naar de wc geleidt. “Maar daar bleef hij gewoon staan, hij begreep het niet. Anita kon niet meer terug. Ze kon niet anders dan met haar hand in zijn gulp zoeken. Bijna onmiddellijk begon hij te plassen, de eerste druppels vielen op de rand.”

Het bijzondere van dit verhaal zit hem ook in het feit dat onbeslist blijft of het beeld dat de ouders van hun kind geven, wel juist is. Tenslotte is er van geen slaapwandelen, laat staan van zoiets als het zich willen scheren met het gevaarlijke scheermes van zijn vader (waar in het voorgesprek, heel griezelig, op gewezen was), sprake. Prachtig is in elk geval de intieme wc-scène en wat er nog op volgt, het terug naar bed brengen en toedekken van de jongen.

“Achterwaarts ging ze bij hem vandaan en stootte daarbij met haar heup tegen de rand van een tafel waarop een modelvliegtuig stond.” Dat vliegtuig moet wel in verband gezien worden met Lindbergh, de man die het eerst de oceaan overvloog, het idool van zowel Pontiac als Robert. Een miniem motiefje in dit verhaal, dat zich overigens als het leven zelf gedraagt en nauwelijks is doorgestructureerd.

Ingewikkelder toch zit het verhaal 'Uitverkoren' in elkaar. Het is een mooie collage van heel verschillende scènes, tussen verschillende personen: een man en een vrouw, en hun dochtertje van zestien. De man is een uithuizig zakenman met een verleden als legionair. De vrouw is op het punt beland dat ze, na jaren huisvrouw en moeder te zijn geweest, wel eens een baantje wil hebben. De dochter is zojuist verliefd geworden en trekt zich geheel op zichzelf terug.

Een raadselachtig telefoontje brengt de vrouw uit haar evenwicht: ze krijgt te horen dat ze 'uitverkoren' is. De man reageert ontsteld wanneer zij hem zegt dat ze buitenshuis wil gaan werken. Hij grijpt haar dreigend aan, wat haar herinnert aan zijn bekentenis, ooit, dat hij in het legioen in Martinique een moord heeft gepleegd. Zij is getrouwd met een man die tot rampzalig geweld in staat is.

Aan het slot van het verhaal, in feite een open einde, stelt de man haar voor er een paar dagen tussen uit te gaan, om de verwikkelingen te boven te komen. Maar zij zegt: “Ik weet het niet, het overvalt mij een beetje. Ik weet niet waar ik naar toe wil.” Het huwelijk en ook andere vormen van menselijke omgang, ze worden in dit verhaal voorgesteld als een strijd, ondergronds vaak, maar zo nu en dan heel manifest.

Het meest emotionerende verhaal is niet het titelverhaal, dat overigens een toneeltekst is, maar 'Nummer één'. Hoofdpersoon is een veertigjarige vrouw die aan kanker lijdt en al gesloopt is door de therapie. Ze heeft niet lang meer te leven. Haar man wil van haar verjaardag een mooi feest maken en net doen alsof er nauwelijks iets aan de hand is. Het feest en wat daar op plaatsvindt wordt uitvoerig beschreven en voortdurend zien wij alles gebeuren door de ogen van de doodzieke vrouw.

Het komt tot een uitbarsting erna, als ze hem verwijt niet een half jaartje gewacht te kunnen hebben en voor haar ogen te gaan dansen met haar vriendin Laura, overigens haar trouwste bondgenoot in de zieke tijd. Door te zeggen dat het haar spijt, deze uitval en verdachtmaking, zet ze de visie van deze premature ontrouw van haar man ook weer op losse schroeven, maar heel haar reactie geeft natuurlijk wel op een indringende manier weer hoe verlaten en naast het voortgaande leven een ten dode opgeschreven mens zich kan voelen.

Rita Demeester, die naar ik veronderstel bij het schrijven van dit verhaal zich gemakkelijk uit eigen ervaring kon inleven in de vrouw, heeft een klein, sober en intiem oeuvre nagelaten, dat alle respect verdient.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden