Mos op een betonnen muurtje

In deze tijd van het jaar zijn het behalve de zingende vogels de kleine dingen, waar je buiten op let. Als ik Joris uitlaat, kom ik dagelijks langs een muurtje van betonblokken, dat een speelplaats scheidt van het wandelpad. Het muurtje ziet groen van het mos en je hoeft niet deskundig te zijn om te zien dat er verschillende soorten op groeien.

door Henk van Halm

Niemand zal ervan opkijken dat op het muurtje vooral muurtjesmos groeit. Iedereen kent het van de lage bakstenen omheiningen van voortuinen. Meestal heeft het muurtjesmos puntmutsachtige kapsels op een lange steel. Die vele kapsels lijken soms een vachtje te vormen. Jong zijn ze geelgroen, later roodbruin van kleur. Hetzelfde polletje draagt doorgaans kapsels van verschillende leeftijd.

Je bent al gauw geneigd te denken dat de kapsels net zo iets zijn als de bloemen bij zaadplanten. Bloemen groeien na bestuiving uit tot zaad, waarmee de plant zich vermeerdert. Maar bij mossen zit dat anders. Bevruchting vindt niet plaats in de kapsels, maar op de mosplantjes zelf. Die hebben mannelijke antheridiën en vrouwelijke archegoniën. De antheridiën laten hun zaadcellen los bij nat weer. Aangelokt door stoffen die de archegoniën uitscheiden, zwemmen de zaadcellen met behulp van twee zweepdraden naar de eicel, die onder in het flesvormige archegonium zit. Uit de eicel groeit het kapsel, eigenlijk als een afzonderlijk plantje, de sporofiet, op het bebladerde mosplantje, de gametofiet. Water en voedsel krijgt de sporofiet via de gametofiet. Haast als een parasiet dus.

Windverspreiding

Als het sporenkapsel rijp is, valt het afsluitende dekseltje af en kunnen de rijpe sporen eruit, maar alleen bij droog weer, als de wind ze mee kan nemen. Daar hebben mossen een vernuftige inrichting voor, die peristoom wordt genoemd. Het peristoom bestaat uit een krans van tanden in de opening van het sporendoosje, die zich sluit bij vochtig weer en zich opent als de lucht droog genoeg is om de sporen vrij te laten. Bij het muurtjesmos zijn de peristoomtanden lang en spiraalvormig om elkaar heen gedraaid. Bij vochtig weer draaien ze dicht en kan geen spore ontsnappen. Bovendien verhindert het peristoom het binnendringen van regenwater.

'sWinters en in de lente is het muurtjesmos het mooist. In de zomer droogt het uit. Het krijgt eerst een fletsgroene kleur en verschrompelt later tot onaanzienlijke grijsgroene plukjes. Doorzichtige glasharen aan de bladtoppen dienen ter bescherming tegen al te grote uitdroging. Na een regenbuitje zijn de polletjes weer helemaal fris. Dan zie je waarom muurtjesmos ook muursterretje heet. De dicht opeenstaande rozetjes in de polletjes hebben van boven gezien een stervorm, net als het nauwverwante fonkelend smaragdgroene duinsterretje, dat zo opvalt in de winterse duinen.

In de buurt van muurtjesmos staat bijna altijd muisjesmos. Dat is inderdaad net een muisje. De ronde kussentjes lijken grijsharig door de lange kleurloze glasharen aan de bladtoppen. Muisjesmos groeit op daken, muren en alle soorten natuursteen, een enkele keer ook op bomen, en meestal in de volle zon.

Bij vochtig weer staan de ovale blaadjes schuin af, onder droge omstandigheden tegen de stengel aan. Om dat te zien heb je een loep nodig. Dat is trouwens toch de beste manier om mossen in het veld te bekijken.

De kussentjes bevatten bijna altijd sporenkapsels. Jong zijn ze groen en zitten ze op sterk gekromde kapselstelen weggedoken tussen de blaadjes. Rijp steken ze op een rechte kapselsteel net buiten de kussentjes uit en zijn ze bruin.

Minder makkelijk te herkennen is het gedraaid knikmos, dat net als het muurtjesmos in kussentjes van dicht opeenstaande rozetjes groeit. Ook knikmos heeft glasharen van uittredende bladnerven, maar veel korter dan van muurtjes- en muisjesmos. Gedraaid knikmos groeit op steen, maar ook op de grond en op bomen met een ruwe schors zoals wilgen, populieren en vlieren. Het is niet kieskeurig op zijn standplaats. Wel moet de groeiplaats voedselrijk zijn. In de zon zijn de plantjes roodbruin getint, in de schaduw levendig groen. Op droge plaatsen draaien de bladeren in een spiraal om de stengel.

Sierlijke kapsels

Van de drie soorten op het muurtje heeft knikmos de sierlijkste kapsels. In tegenlicht lijken ze op geelgroene lantaarntjes, elegant geknikt aan roodbruine kapselstelen. Gedraaid knikmos is zo vormenrijk dat je het al snel kunt houden voor een andere knikmossoort of voor peermos, dat dergelijke sporenkapsels heeft. Als je zekerheid wilt hebben, moet je de bladeren door een loep bekijken. Typisch voor gedraaid knikmos is dat de grootste bladbreedte dichter bij de top dan bij de bladvoet ligt.

Beton is kalkhoudend en dus basisch. Het vormt een buffer tegen zuren, zoals die ook met de regen naar beneden komen. Tegen mosgroei in gazons wordt bekalking aangeraden, omdat mossen de bodem verzuren. Dat gaat niet altijd op. De mossen die op beton groeien, moeten niets hebben van zuren en juist wel van kalk.

Ze nemen die kalk niet zoals hogere planten met wortels op, want wortels hebben ze niet. Mossen hebben zelfs geen vaatstelsel zoals bloemplanten, varens, paardestaarten en wolfsklauwen, waarmee deze water, mineralen en voedingszouten vervoeren. Mossen nemen water direct op met hun blaadjes. In het blad zitten wel bladgroenkorrels, waarmee ze uit zonlicht en koolzuur zetmeel en suikers, nodig voor de groei, kunnen produceren. Alle mossen bij elkaar leggen een belangrijk deel vast van het broeikasgas kooldioxide.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden