Moreel instinct / De mens is van nature altruïstisch

In morele kwesties moet je niet lichtzinnig oordelen, maar je verstand gebruiken. Doen we dat ook? Wereldwijd blijken mensen razendsnel en emotioneel te oordelen over heikele vragen.

In een tijd waarin we de mond vol hebben van normen en waarden vier artikelen over ons moreel instinct.

Deel 2: onze moraal is geen menselijke laklaag op een kale, dierlijke ondergrond.

Gevraagd: liefhebbers voor een individuele roeirace rond de wereld. Als meer dan een handvol dwazen zich hiervoor zou aanmelden, ga je je afvragen wat er in de mens is geslopen. Een rigoureuze karakterwende?

Eenzame opsluiting is na de strop de zwaarst denkbare straf: onze aard is niet toegesneden op een solitaire levenswandel. Psychologen schrijven in het januarinummer van de Journal of Personality and Social Psychology dat antropologen nog nooit een stam ontdekten waarvan alle leden verstrooid als kluizenaars in een bos een eigen hut bewoonden. Wij gedijen slechts in de karavaan, en ontzeg ons niet onze plek, want er komt een kilte over ons. In ons alledaagse gedrag lijkt het zicht op de medemens dan kortstondig te vervagen.

Dat illustreren de psychologen met zes experimenten, waarin proefpersonen opzettelijk in de positie van sociale banneling werden gemanoeuvreerd. Honderden studenten deden daartoe een uitgebreide persoonlijkheidstest. Een deel van hen kreeg dit te horen: „Misschien heb je nu nog vrienden maar over een jaar sta je er alleen voor. Trouw maar niet, gezien je karakter.”

Anderen vernamen: „Je bent iemand die mensen koestert. Met jou komt het goed.” Een derde groep mocht zich volgens de psychologen opmaken voor een leven als brokkenpiloot. Ze zouden vrienden hebben, maar onvermijdelijk zou hen ook een portie ellende treffen.

De onderzoekers wilden weten hoe proefpersonen reageren als ze zo als Bor de Wolf naar het Enge Bos worden verbannen. Geconfronteerd met het vooruitzicht om het alleen te moeten rooien, leek het alsof het sociale kompas van deze groep niet goed meer functioneerde. Ze faalden in sociale kleinigheden: ze hadden niets over voor een fonds voor noodlijdende studenten, wilden niet aan nieuw onderzoek meer meedoen; schoten niet te hulp als de experimentator (per ongeluk expres) van alles uit zijn handen liet vallen; en ze haalden de schouders op bij het lezen van een treurig essay over een student die zijn grote liefde had verloren. De proefpersonen met een ’warm sociaal vooruitzicht' en zelfs de toekomstige brokkenpiloten bleven net zo goedgeefs als anders. Maar voor de verstotenen kon de wereld even de pot op. Zij voelden met niets en niemand meer mee en zonken weg in grimmige onverschilligheid. De studie heeft natuurlijk iets van een open deur, maar tekenend is wel dat we na zo’n brute schending van onze sociale inborst vrijwel direct in onszelf gekeerd raken. En dat die reactie tamelijk universeel is.

„Als mensen zo buitengesloten worden, hapert hun emotionele systeem”, schrijven de psychologen. „Ze hebben een tijdelijke sociale handicap.” Een half jaar geleden leerde vergelijkbaar onderzoek dat we in sociaal isolement ook fysiek afgestompt raken. We voelen minder pijn, de pijndrempel ligt letterlijk hoger.

Als kluizenaar lijken we ontaard, ontdaan van onze meest wezenlijke trekken. Maar op den duur krabbelt het sociale schepsel in ons weer overeind. Studies lieten zien dat vooral geïsoleerde vrouwen hun uiterste best doen om zich opnieuw in de sociale colonne te voegen. Het gaat schoorvoetend, erkennen de psychologen: het mag geen offers kosten, en anderen moeten de eerste stap zetten.

Heeft de verstotene zichzelf dan toegesproken, gewikt en gewogen en tenslotte de hand over het hart gestreken? In de ogen van etholoog Frans de Waal regeert onze ratio niet op die manier over ons gedrag. Alle eer gaat naar moeder natuur, schrijft hij in het recent verschenen ’Primates and Philosophers; how morality evolved’. Zij heeft ons uitgerust met diep verankerde sociale instincten, en we zijn er gewoon niet naar ontworpen om het leven alleen te klaren. We moeten als verstotenen wel weer aanschuiven, en we worden weer geduld.

De Waal ziet twee oorspronkelijke wegen naar het sociale en morele gedrag van mensen. Of je veronderstelt dat we in ons diepste wezen immoreel en egoïstisch zijn, maar dat de cultuur de schurk in ons uiteindelijk heeft getemd. Of je beschouwt moraal als de uitloper van onze sociale instincten, die we grotendeels delen met dieren in onze evolutionaire nabijheid (lees primaten).

De etholoog houdt het uiteraard bij het laatste, De Waal vindt de eerste route volkomen ongeloofwaardig. We hebben ons niet tot morele wezens ontwikkeld door onze duistere natuur te onderdrukken. Zo’n inbreuk op onze aard is ondenkbaar: „Alsof een school piranha’s besluit vegetariër te worden.”

De Waal haalt uit naar een bioloog als Richard Dawkins die de mens portretteert als het slachtoffer van egoïstische motieven, op pad gestuurd door zelfzuchtige genen. En naar Michael Ghiselin, vermaard om zijn opvatting dat achter al onze deugden ordinair opportunisme schuilgaat. Altruïsme is maar een laklaagje. Ghiselin zei het wel heerlijk: „Krab een altruïst, en je ziet een hypocriet bloeden.”

Het is een achterhaald standpunt, meent De Waal: „Onze moraliteit wordt voorgesteld als een dun laagje, waaronder het kookt van de immorele en egoïstische neigingen.” In die optiek is moraal niet meer dan een vernisje, een laag fineer. En waar de mens toch sympathie en onbaatzuchtigheid in zichzelf meent te bespeuren, zou hij louter aan zelfbedrog lijden.

Je hoeft volgens evolutiebiologen je ogen maar de kost te geven om in de natuur allerhande voorbeelden van empathie, coöperatie en loyaliteit te ontdekken. Zij presenteren een stoet van verzoenende, troostende apen, en van behulpzame olifanten en wolven. Ook De Waal heeft zijn sterke verhalen: over de bonobo die een manke vogel vanuit de top van de hoogste boom tracht te laten vliegen. Ontluikende empathie misschien?

De neiging van dieren om te helpen en elkaar iets te gunnen had altijd wel enige overlevingswaarde, betoogt De Waal.

Of ze nu in onze ogen aardig tegen elkaar zijn, doet er niet veel toe. En evenmin of hun gedrag binnen onze morele standaard past. Het gaat erom of zij in staat waren tot gevend en nemend gedrag, en tot vergelding, ter versterking van de sociale cohesie.

Wij zien empathie en mededogen als het eindpunt van onze unieke ontwikkeling, waar ze het startpunt zijn. Met dank aan primaat & co. Bij hen moet je de wortels zoeken van een evolutionair diep verankerd vermogen: aangedaan zijn door andermans toestand, er emotioneel mee besmet zijn. Aan die vatbaarheid komt ons verstand niet te pas, en er zit ook niets uitgekookts in. Sympathie voor de medemens in nood is de mens emotioneel ingebakken, het zit er cerebraal ingekerfd. De Waal beschouwt het zelfs als een reflex.

Sociaal, moreel gedrag dringt zich dus aan ons op: het moet niet gekker worden, zal menig filosoof of predikant zeggen. Moraliteit is immers iets voor een onpartijdige stem in ons, die oordeelt of ons handelen model kan staan voor hoe een beschaafd mens zich hoort te gedragen. We horen het de filosoof Immanuel Kant zeggen.

En dat argument voeren kritici van De Waal ook aan in ’Primates and Philosophers’: de mens tobt en generaliseert, de aap doet alleen maar. Soms oogt hij sociaal en aaplievend, maar wie gelooft dat daar enige overweging achter zit?

Bij ons wel? Hier brengen we de beschouwingen van de psychologen Marc Hauser en Jonathan Haidt in herinnering: je moet niet in bikini op een begrafenis komen, niet je WC schoonmaken met de nationale vlag. Dat zegt ons gevoel, maar ons verstand heeft daar maar heel aarzelend een verhaal bij. En nog voor die aarzeling hebben onze emoties ons volgens De Waal allang op pad gestuurd als we een ouder mens op straat zien uitglijden.

Tegen de moraalpredikant zegt hij dat geen mens daar een seconde over nadenkt, dat geen mens met bovenaapse diepzinnigheid zo’n oudere te hulp schiet. En tegen Michael Ghiselin zegt hij dat we zo’n oudere heus niet overeind helpen met de gedachte aan een bonus in ons achterhoofd.

Ons sociale, morele gedrag zit grotendeels onder het verstand. Het dateert van lang her en heeft onvermijdelijk ook, vanuit evolutionaire logica, zelfzuchtige trekken. Een vader die al zijn brood weggeeft aan hem onbekende, behoeftige kinderen en zijn eigen kroost laat verhongeren, kan op hoon rekenen. En hier knikt de aap instemmend, volgens De Waal: dat doet hij misschien niet beredeneerd, maar wel emotioneel.

Sociaal gedrag zit veel dieper dan het rationele praatje in ons hoofd. Het is niet door Immanuel Kant en consorten op de agenda gezet, maar al iets eerder in de tijd. En als de sociale entourage ons wordt ontzegd, zoals de studenten die te horen kregen dat ze alleen het leven door moesten, raken we erg uit ons doen. De gedachten razen de verstotene door het hoofd, maar ze lijken te worden gedragen door onberedeneerde pijn, uit het emotionele achterland.

Sociaal en coöperatief gedrag is ons vanuit de evolutionaire historie aangereikt, om ’s avonds niet met lege handen thuis te arriveren. Dat klinkt naar zaken doen, naar uitgekooktheid, naar altruïstische huichelachtigheid. Nee, betogen economen en ethologen, want zo zouden apen nooit tot elkaar komen, en mensen ook niet. Zulk gedrag is geen vernisje, het is ooit in hun en onze aard gesleten, en tot onze emotionele outfit gaan behoren.

En dat moest wel. Als onze emoties niet oprecht zouden zijn maar louter berekenend, zouden we elkaar te vaak niet overtuigen van onze goede bedoeling of bereidheid om te helpen. Je moet de eerlijkheid van andermans emoties kunnen aflezen om regelmatig tot zaken te komen. Dat gaat alleen als oprechtheid in de aard zit en niet een façade is voor achterliggend bedrog.

De econoom Thomas Schelling illustreert dat met een akelig dilemma. Een man ontvoert een meisje, krijgt spijt en wil haar vrijlaten, op voorwaarde dat ze hem niet aangeeft. Dat belooft ze, en hij gelooft haar. Maar hoeveel van zulke doodsbange meisjes zouden hun ontvoerder ooit kunnen overtuigen als achter al onze beloftes het voornemen schuilgaat om te bedriegen of iemand erbij te lappen?

Een enkeling zal zich vrij kunnen liegen en dan toch naar de politie gaan. Maar elkaar permanent met leugens benaderen lijkt op evolutionaire tijdschaal geen levensvatbare strategie, meende Schelling. Dan kom je nergens. De eerlijke, onbaatzuchtige emoties wonnen het ooit: sociale oprechtheid moest er wel in sluipen, en hand in hand daarmee ook onze verontwaardiging over asociaal gedrag.

Dit is het tweede deel van een serie over het moreel besef van de mens. De vorige aflevering verscheen 28 februari.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden