Moral philosophy gedijt niet als ieder zijn gelijk koestert

Tot de jaren vijftig van de vorige eeuw had iedere zuil zijn eigen groepsmoraal en in het bijzonder gold dat voor rooms-katholieken en gereformeerden. Niet alleen hadden zij het leven moreel tot in het kleinste detail in kaart gebracht, ook geloofden ze dat hun voorschriften en geboden eeuwig en onaantastbaar waren, want gebaseerd op goddelijke grondslag.

Dan ineens, in nog geen twintig jaar, is alles over. Verdampt. De ’gereformeerde zede’ net zo goed als het vak moraaltheologie dat tegelijk verdween met de seminaries waar het zo lang een bloeiend bestaan had geleid. Toenmalige moraaltheologen gingen uit van principes waaruit goed en kwaad deductief, van bovenaf, werden afgeleid. Maar de wereld veranderde. En daarmee het doen en het denken. Of het nu ging over leven en dood of over seksualiteit. Dat vereiste nieuwe bezinning. Vanuit de feiten. Van onderop, inductief. De oude systemen konden die omslag van van-bovenaf naar van-onderop niet maken en verdwenen als eertijds de mammoets.

’Ethiek in Nederland, van 1900 tot 1970 en daarna’ beschrijft hoe dat gelopen is. Tot 1960 hadden kerk en godsdienst via eigen universiteiten en seminaries zo ongeveer het monopolie op de beoefening van de ethiek. Aan ’gewone’ filosofische faculteiten leefde de praktische filosofie in ’afgelegen hoekjes’, waar men klassieken als Aristotoles, Hume en Kant bestudeerde. In de jaren 1968/1969 studeerde ik in Oxford en volgde daar colleges moral philosophy. Wij hadden dat vak niet in ons land. Dat verbaasde me. ’Ethiek in Nederland’ heeft me uitgelegd hoe dat kwam. Moral philosophy was er wel, maar verbijzonderd, opgesplitst, ondergebracht in de vele seminaries en theologische opleidingen. Een universitaire moral philosophy waarin alleen de ratio het voor het zeggen had, was er niet. Door de verzuiling.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw werkte ik aan de theologische faculteit van de VU. Eerst als godsdienstfilosoof, later in de systematische theologie. Vrienden van me werkten bij de toenmalige VU-ethicus H. M. (Harry) Kuitert. Van tijd tot tijd hadden zij een bijeenkomst van hun landelijke club ethici. Ze waren daar behoorlijk enthousiast over, maar toen ik vroeg of ik eens mee mocht, waren ze afwerend. Ik vond dat toen een beetje vreemd. Maar nu ik bij de Kamper ethicus Frits de Lange gelezen heb waar Kuitert in die jaren mee bezig was, begrijp ik ook dat.

Tot pakweg 1950, leidden de gereformeerden hun ’zede’ rechtstreeks af uit de Schrift. Typisch gereformeerd!, vonden zij. Kuitert zag dat anders. Daarvoor baseerde hij zich op de zeventiende-eeuwse gereformeerde theoloog Calixtus. Volgens Calixtus was theologische ethiek natuurlijke ethiek. Niet bedreven vanuit de bijbel, maar gewoon, met je verstand. Als ze zich bogen over ethische kwesties deden Kuitert en zijn medewerkers dat à la Calixtus niet als theologen, die in de bijbel speurden naar ethische funderingen maar als ethici, die werkten met rationele, aan ethiek en moral philosophy ontleende argumenten. Niet-ethici, en al helemaal theologen, hadden in dat gezelschap niets te zoeken.

Zo emancipeerde de ethiek zich van de theologie en beperkte zich, ontdaan van haar theoretische bijbelse of filosofische basis, tot praktische kwesties. Kernbewapening, oorlog en vrede, begin en einde van het leven. Ethiek werd gezondheidsethiek. Of bedrijfsethiek. Of milieu-ethiek of ethiek van de techniek. Ethiek was voortaan een zaak voor praktische gezelschappen, zoals eertijds de werkgroep ethiek van mijn ethische vrienden.

’Ethiek in Nederland’ beschrijft hoe de eeuwige basis voor handel en wandel in bijbel of moraaltheologie hier de laan uit is gestuurd. Om nooit weer terug te keren.

Er zit iets typisch Nederlands in die ontwikkeling. Nederland is een diep religieus land, maar voor een gesprek of, deftig gezegd, een openbaar discours over geloof of de filosofische uitgangspunten voor een levensbeschouwing, zoals in Engeland, Duitsland of Frankrijk, moet je hier niet zijn. Privé was, en is, iedereen al dan niet religieus gelovig op eigen wijze. Diep overtuigd van eigen gelijk. Zonder behoefte aan discussie met anderen. Gesprek, samenwerking ontstaat pas als er praktisch werk aan de winkel is. Als er een polder moet worden aangelegd, een stad verdedigd, of een ethisch probleem opgelost. Dan werd en wordt saamhorig en rationeel een polder drooggelegd. Of een gezondheidsethiek ontworpen.

Een eigenaardig land. Wars van godsdienstigheid omdat het zo door en door godsdienstig was, en is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden