Moore scherpt gewetensvraag aan: waarom zoveel Nederlandse Joden?

Waarom werden meer Joodse burgers uit Nederland dan uit andere landen door de nazi's vermoord? Niet eerder heeft een historicus zo gedocumenteerd antwoord gegeven op deze vraag als de Brit Bob Moore.

De vraag verwaait bij het stellen ervan al bijna in het ijle gemurmel van de geschiedschrijving, wanneer die het gedrag van mensen wil verklaren. De grote Nederlandse chroniqueurs van de Tweede Wereldoorlog, Herzberg, Presser, De Jong, hadden een levenstaak aan het beschrijven van wie wat waar aangedaan werd en wie wat waar deed. Hun feitenrelaas is doortrokken van psychologische profielen van slachtoffers en daders, bevrijders en collaborateurs.

Lou de Jong portretteert in 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' terloops niet alleen de hoofdrolspelers, zoals Reichskommissar Seyss-Inquart en koningin Wilhelmina. Ook onderknuppels als ambtenaar Lentz, die het Bevolkingsregister rijp maakte voor de deportatiepolitiek, en zijn Duitse evenknie Calmeyer, die een paar duizend joden via zijn schrijftafel in Eichmanns Haagse Afdelingsbureau wist te redden, maken de Jongs magnum opus tot het dramatische panorama dat iedere verbeeldingskracht overtreft.

Presser, die in 'Ondergang' de ontzetting over de jodenvervolging samenbalde, en meer nog Abel Herzberg met zijn ontroerende en dikwijls verbijsterende details over anonieme individuen, zijn de twee andere auteurs op wie Bob Moore zwaar leunt in de recent verschenen vertaling van zijn boek.

Voor zover de Brit personen karakteriseert, ontleent hij ze aan de Grote Drie van de geschiedschrijving van 1940-'45. Zijn prestatie is het vooral dat hij de feiten uit hun werk samenbrengt tot een geheel. Na de Drie (en enkele voorgangers en opvolgers, van H. Wieleks 'De oorlog die Hitler won' uit 1947 als eerste serieuze studie tot vele egodocumenten) is er een hele tijd niets. Pas de laatste jaren verschenen er enkele detailstudies van belang, onder meer van Joseph en Dan Michman (over de Joodse Raad) en Dienke Hondius ('Terugkeer' - over het naoorlogse antisemitisme). Zij legden de mechanismen bloot die zich niet lenen voor de zeef van 'goed' en 'fout'.

De vraag is of Herzberg, De Jong en Presser aangerekend moet worden dat hun werk voornamelijk in een choreografie van omarmen en afstoten vorm heeft gekregen. In april zal Connie Kristel in haar proefschrift hun werk vergelijken en nagaan hoe het komt dat niet-Joden die de oorlog meemaakten, decennia lang dit onderwerp links lieten liggen.

Juist die desinteresse was normgevend. Toen de historicus H. Blom (nu directeur van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie) alweer enkele jaren geleden pleitte voor een andere benadering dan het goed-fout-schema, kritiseerde hij niet zozeer de Drie maar riep hij vooral de huidige generatie historici op, verder uit te diepen wat de meeste vakbroeders en -zusters vóór hun tijd moedwillig of uit nonchalance verwaarloosden.

De huidige generatie ontbreekt het uiteraard aan het morele gezag van de slachtoffers en de ooggetuigen. Ze moet het hebben van droge wetenschappelijke arbeid. Moore's studie mist weliswaar de rijkdom aan dramatis personae die kenmerkend is voor het werk van De Jong c.s., maar schept ruimte voor de vraag die al een halve eeuw vreet aan het geweten van het lieflijke Nederland: waarom zijn zovele Joodse burgers zo geruisloos uit de samenleving weggesneden?

In 1997 hebben Pim Griffioen en Ron Zeller, die in het Riod-Jaarboek de Nederlandse situatie vergeleken met die in België, al een schot voor de boeg gelost. Het snelle optreden van de Duitse bezetter, gebrek aan onderduikplaatsen en een strategischer ingepalmd serviel politeapparaat verklaren deels, maar niet afdoende, waarom zoveel méér Nederlandse Joden vermoord zijn.

Het deportatiesysteem van werkkampen en doorgangskampen suggereerde een geleidelijkheid die het zicht op het uiteindelijke doel van transport belemmerde. Dat gold ook voor het kat-en-muis-spel van tijdelijke ontheffingen voor bepaalde categorieën Joden die op het uur U kwamen te vervallen, wanneer het te laat was.

Een andere factor die Moore weegt, is het niet-militaire Duitse bestuur in Den Haag, tegenover de militaire besturen in België en Frankrijk die aan de nazi-partij en de SS minder ruimte lieten voor hun ideologische politiek. En naast de competentiestrijd in het Duitse kamp was er - na eeuwen van betrekkelijke rust en een vrijwel conflictloze assimilatie - de gezagsgetrouwheid van de Nederlanders en het gevoel van veiligheid onder de Joodse burgers.

Het zijn elementen die, verbrokkeld, langzamerhand wel bekend waren, maar die bijeengebracht de munitie vormen die Nederland in zijn laksheid treft. Moore, die zich met zijn in 1997 in Engeland verschenen studie schaart in de rij van buitenlandse Nederland-watchers (Jonathan Israel, Simon Schama, Peter Burke, Gary Schwartz), heeft de door Blom aangespoorde geschiedvorsers een dienst bewezen.

Hij bundelt, handzaam en samenhangend, in dit uitputtende overzicht echt zo ongeveer alles wat er over de oorlogsjaren in Nederland is verschenen: enkele honderden titels. Met Connie Kristel, die binnenkort in haar proefschrift De Jong en Herzberg en Presser op hun waarde zal schatten, sluit hij vijftig jaar geschiedschrijving af en plaveit hij de weg voor het onderzoek naar het schemergebied van collaboratie & verzet, dat tot nu toe vooral door Weinreb met zijn waan is gepatenteerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden