Moordhoofdstad tussen hoop en vrees

reportage | Nergens worden zoveel moorden gepleegd als in de Hondurese stad San Pedro Sula. Criminele bendes tieren welig tussen de armoede en de werkloosheid, maar een nieuwe aanpak lijkt de stad veiliger te maken.

JAN-ALBERT HOOTSEN

Martín Molina leest het berichtje op zijn mobiele telefoon en zucht. "Gaan we weer: nog een dode. Het wordt nog een lange avond." Net op dat moment leggen twee pathologen van het Catarino Rivas Ziekenhuis, het grootste van San Pedro Sula, een lijkenzak in zijn roestige, witte busje. Het slachtoffer, een tienerjongen, is enkele uren daarvoor met schotwonden naar de eerste hulp gebracht en aan zijn verwondingen overleden. Een groepje rechercheurs en de openbaar aanklager van dienst maken snel enkele aantekeningen en geven Molina het seintje dat ze gaan vertrekken. Op naar het zuiden van de stad, op naar het volgende lijk.

Molina werkt al meer dan tien jaar als lijkwagenchauffeur voor het gemeentelijke mortuarium van San Pedro Sula. "Het is een grillige baan", zegt hij monter. "Ik draai om de twee dagen een dienst van 24 uur. Soms heb ik uren niets te doen, maar vandaag is het druk. We hebben al vijf klussen gehad en het is nog niet eens spitsuur." De gedrongen veertiger met buikje en borstelsnor gebruikt de eufemismen van iemand die dagelijks wordt omringd door geweld. 'Klussen' en 'passagiers' zijn lijken, 'spitsuur' het einde van de middag, als de meeste moorden in de stad plaatsvinden.

Vandaag begint het spitsuur in Villanueva, een arme wijk ten zuiden van de stad. Pal naast de snelweg zit een man van 22 gebogen over zijn motortaxi. Rechts van hem ligt een grote plas bloed. Met aan kop het busje van Molina, altijd licht walmend door de weeïge lucht van lichamen in ontbinding, arriveert de politiekaravaan op de plaats delict, waar tientallen buurtbewoners zich om het slachtoffer hebben verzameld. Ze kijken toe terwijl de rechercheurs hun werk doen. Molina leunt tegen zijn busje en kijkt toe. "Neergeschoten door twee jongens terwijl hij zijn motor repareerde, begrijp ik", zegt hij. "In deze wijk gebeurt het bijna iedere dag wel een keer. Ik ben hier al vier keer geweest deze week."

undefined

Sloppenwijken

San Pedro Sula is met bijna 800.000 inwoners de tweede stad van Honduras, na hoofdstad Tegucigalpa. Het is het industriële centrum van het Midden-Amerikaanse land, een stad van assemblagefabrieken, omringd door een vruchtbaar laagland van bananen- en palmplantages. De laatste drie jaar heeft San Pedro Sula echter vooral de twijfelachtige eer de moordhoofdstad van de wereld te zijn. Alleen al in 2014 werden er 1317 mensen vermoord, 169 per 100.000 inwoners. Oorlogsgebieden daargelaten is het daarmee de gewelddadigste stad op de planeet. In Amsterdam, met ongeveer even veel inwoners als San Pedro Sula, werden 24 mensen vermoord in 2014.

Het geweld in de Hondurese stad concentreert zich vooral in sloppenwijken die om het centrum van de stad heen liggen. Basale voorzieningen zijn er amper; kleine, betonnen huisjes staan er langs onverharde wegen, vaak zonder riolering en met warrige, geïmproviseerde bossen elektriciteitskabels aan scheefstaande palen. De werkloosheid is hier hoog; in Villanueva alleen al kan meer dan de helft van de beroepsbevolking geen baan vinden. Het schaarse werk dat wel beschikbaar is, betaalt zo weinig dat men er nauwelijks van rond kan komen.

In die troosteloze omgeving zijn de sloppenwijken van San Pedro Sula ten prooi gevallen aan maras, criminele bendes die vooral bestaan uit jongeren. De twee grootste maras zijn de Mara Salvatrucha (ook wel MS-13 genoemd) en de M-18, hun aartsrivalen. De bendes ontstonden in de jaren tachtig en negentig onder Salvadoraanse migranten in Los Angeles. Naarmate steeds meer leden van de bendes in met name de jaren negentig naar El Salvador werden gedeporteerd, schoten de bendes daar wortel, waarna ze zich snel uitbreidden naar buurlanden als Guatemala en Honduras.

Hier in San Pedro Sula houden de maras zich vooral bezig met afpersingen en drugs- en wapenhandel. De bendeleden hebben een reputatie verworven van meedogenloosheid en wreedheid. Wie ze ook maar een stroobreed in de weg legt, loopt het risico te worden omgelegd. Zo ook de jonge taxichauffeur in Villanueva, zegt de 21-jarige Lesly López, die enkele straten verderop woont van de plek waar de man is vermoord.

"Deze hele wijk is vergeven van de maras, iedereen die een eigen bedrijfje heeft wordt afgeperst. Dagelijks worden mensen doodgeschoten die niet kunnen of willen betalen", verzucht ze. "Het leven is hier moeilijk. Er zijn overal schietpartijen. Zelfs al sta je niet op de zwarte lijst van de bendes, dan loop je nog steeds kans om door verdwaalde kogels geraakt te worden. Eigenlijk durven we de straat niet op, maar we hebben geen keuze."

Het geweld in Honduras staat niet op zichzelf; in heel Midden-Amerika is het moordcijfer schrikbarend hoog. Ook Guatemala, El Salvador en Belize staan in de topvijf van moordlanden, naast Venezuela. Honduras is echter een extreem geval; het moordcijfer is er met 50 procent gestegen sinds 2009.

"Het is geen toeval dat juist de situatie hier zo kritiek is geworden", zegt Ricardo Matute (26), die als misdaadverslaggever werkt voor een lokale televisiezender. "Armoede en werkloosheid zijn een belangrijke oorzaak; op het platteland is nergens werk te vinden, dus veel mensen trekken naar de stad. Maar ook hier is niets, geen kans op goed onderwijs, geen werk. Veel jongeren voelen zich hopeloos, ze zien lid worden van de bendes als de enige mogelijkheid om aan geld te komen."

Maar waar armoede, werkoosheid en het ontstaan van bendes de hele regio in hun greep houden, was het in Honduras de politieke situatie die het geweld nog eens versterkte. Op 28 juni 2009 werd de toenmalige, linkse president Manuel Zelaya in een militaire staatsgreep afgezet. In de jaren die volgden viel het land ten prooi aan een machtsvacuüm; terwijl politici en het leger in een machtsstrijd verwikkeld raakten, konden criminele bendes in alle straffeloosheid hun invloed uitbreiden in steden als San Pedro Sula. "De politie, die toch al slecht getraind en betaald was, kon nauwelijks nog iets uitrichten tegen de bendes", vertelt Matute. "Agenten kregen de keuze om tegen betaling de bendes te helpen of zelf het loodje te leggen. De maras kregen in feite vrij spel."

Matute kan het weten; hij ziet het dagelijks van dichtbij. Iedere avond om tien uur trekken hij en zijn cameraman de straat op voor 'La Nota Roja', het Rode Nieuws: moorden, ongelukken geweld. Het is zwaar werk, waarbij hij voortdurend met de dood wordt geconfronteerd. Niet zelden loopt hij daarbij zelf gevaar.

"Ik woon in Rivera Hernández, een sloppenwijk die is vergeven van de maras. De bendeleden weten wie ik ben en wat ik doe. Ik word regelmatig bedreigd als ik de verkeerde beelden op televisie laat zien of een verkeerde opmerking maak", legt hij uit. "De samenleving is zo gewend geraakt aan het geweld dat men het gelaten ondergaat, alsof we het maar moeten accepteren als voldongen feit. Ook dat is een reden dat het zo uit de hand is gelopen; niemand hier durft of wil iets aan de situatie te doen."

Niet iedereen deelt echter die gelatenheid. In januari vorig jaar trad president Juan Orlando Hernández aan, een conservatief die in zijn verkiezingscampagne beloofde het geweld en de straffeloosheid aan te pakken door het leger in te zetten tegen de bendes. In San Pedro Sula begon hij die belofte in de praktijk te brengen, door leger, politie en rechterlijke macht samen te brengen in een nieuw instituut, Fusina.

undefined

Militaire politie

Onder de hoede van Fusina patrouilleren sinds vorig jaar agenten van de militaire politie in de grootste probleemwijken van de stad. Recent heeft een contingent van 500 man zich gestationeerd in López Arrellano, een wijk in het noorden van San Pedro Sula, die vergelijkbaar is met Villanueva. Kolonel Omar Vedea heeft er de leiding; zijn mannen hebben op de toegangswegen wachtposten opgezet. Ze patrouilleren er dagelijks door de straten, fouilleren voorbijgangers en controleren auto's.

López Arrellano was in februari nog een van de gevaarlijkste plekken in de stad; iedere dag vielen er meerdere doden. Maar volgens Vedea zijn er sinds de komst van zijn regiment nauwelijks nog incidenten, iets wat lokale bewoners bevestigen.

"Dat het leger moest ingrijpen stond buiten kijf", vertelt hij. "De politie heeft veel te weinig mankracht en was te makkelijk te corrumperen door de bendes. Wij proberen nu de orde te herstellen, niet door machtsvertoon, maar door overal onze aanwezigheid te tonen. Tot nu is dat een groot succes. De bendes zijn nog steeds in deze wijk, maar ze houden zich rustig sinds wij er zijn."

Inderdaad lijkt met de oprichting van Fusina, dat nu in zes wijken actief is, het geweld in San Pedro Sula af te nemen. Volgens een in april gepubliceerde studie van de Nationale Autonome Universiteit in hoofdstad Tegucigalpa is het aantal moorden in San Pedro Sula in het eerste kwartaal van 2015 met een kwart gedaald ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar.

Voor de korte termijn durven de inwoners van San Pedro Sula daardoor weer even adem te halen. Critici vragen zich echter af of de inzet van Fusina niet slechts symptoonbestrijding is. "Het onderliggende probleem van San Pedro Sula en Honduras wordt er niet door aangepakt", zegt Ricardo Matute. "De werkloosheid en de armoede zijn de laatste jaren alleen maar toegenomen. We kunnen niet eeuwig op de militaire politie blijven leunen."

undefined

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden