Mooipraters maken geen indruk in Den Haag

Welsprekendheid legde het in de parlementen af tegen verzakelijking

Hij stierf in het harnas, het liberale Tweede Kamerlid Lambert Storm. Tijdens een verhit debat op 3 juni 1859 wond hij zich enorm op. Halverwege zijn betoog stokte zijn stem en zeeg hij neer in zijn bank. Collega's dachten dat het om een flauwte ging, maar bij het wegdragen van Storms lichaam zag dat er toch wel erg levenloos uit. Even later deelde de Kamervoorzitter dan ook met 'treurige zekerheid' mee dat het Kamerlid 'op zijn plaats gezeten, was ontslapen'.

Zoveel consternatie was een zeldzaamheid in de negentiende-eeuwse volksvertegenwoordiging, concluderen de samenstellers van 'In dit Huis. Twee eeuwen Tweede Kamer', verschenen vanwege dit bijzondere jubileum deze maand. Nederlandse parlementariërs waren er niet op uit hun gehoor mee te slepen. Ze wilden wetten maken en daarover discussiëren.

De omgangsvormen waren rustig en beleefd, zeker in vergelijking met omringende landen. Kamerleden toonden hun belezenheid door kwistig met citaten uit het Latijn en andere talen te strooien. De parlementaire taal droeg de sporen van koopman én dominee. Nog dominanter was wat waarnemers wel de balietoon noemden, een gevolg van het grote aantal juristen in de Tweede Kamer. Men sprak vooral voor en met elkaar, niet voor de buitenwereld.

Pas toen steeds meer Nederlandse mannen het kiesrecht kregen, en nieuwe partijen als de sociaal-democraten met hun redes in de Kamer ook hun aanhang buiten het parlement wilden begeesteren, kwam er aan het Binnenhof stilaan meer ruimte voor pathos. Al bleven sommigen al te 'hartstochtelijke exclamaties' zien als bedreiging van de orde. In Den Haag gold voorlezen van een papiertje of stotteren in het openbaar als bewijs van echtheid. Al te mooie toespraken wekten maar de indruk van een ingestudeerd vertoon.

Spreken gebeurde aanvankelijk ook vanaf de zitplaats. Uit respect voor zijn collega's ging degene die het woord wilde voeren daarbij staan. Toehoorders hadden vaak moeite om de betogen te volgen. Ook de stenografen klaagden daarover. In 1906 kwam de oplossing: een spreekgestoelte.

Het jubileumboek geschreven door een reeks van vooraanstaande (parlementaire) historici, is alleen al feestelijk door de met veel zorg uitgezochte, vaak nog nauwelijks eerder vertoonde illustraties. De deels thematische opzet van de bundel maakt wel dat bij achter elkaar lezen de gang der geschiedenis zich steeds weer opnieuw ontvouwt, met steeds weer een andere invalshoek. Het is daarom verstandiger deze historie van de Tweede Kamer in brokjes te consumeren. Dan wordt ook langzaam duidelijk hoe het instituut zichzelf om de dertig, veertig jaar opnieuw uitvond onder invloed van ontwikkelingen in maatschappij, media en bestuur. Overigens waren de parlementariërs meestal meer geïnteresseerd in bestuurlijke dan in vertegenwoordigende taken.

In vergelijking met de gezapige Tweede Kamer van de negentiende eeuw ging het er heel anders aan toe in de Britse en Franse parlementen. Vanuit heel Europa werd destijds met belangstelling naar de debatten daar gekeken. Ondanks het tumultueuze verloop golden ze als een voorbeeld. Reden voor Henk te Velde, hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Leiden, om juist het belang van welsprekendheid in deze volksvertegenwoordigingen nader te bekijken voor zijn boek ' Sprekende politiek. Redenaars en hun publiek in de parlementaire gouden eeuw'.

Net als in Nederland bleven de bijeenkomsten in Londen en Parijs wel lang iets houden van onderonsjes. De ruimte voor toeschouwers was beperkt. Van uitvoering van plannen als die van Robespierre tijdens de meest radicale fase van de Franse Revolutie voor de bouw van een vergaderzaal met 12.000 zitplaatsen kwam het nooit. De parlementen kozen voor een iets bescheidener behuizing.

Erg ordelijk ging het er niet aan toe in de parlementen. In het Lagerhuis heerste soms de sfeer van een kostschool. Minder begaafde leden werden snel het mikpunt van spot. Tijdens bijdragen van collega's werden bij tijd en wijle dierengeluiden gemaakt. In de Assemblée Nationale gingen parlementariërs zich geregeld te buiten aan schreeuwpartijen. Voorzitters lukte het niet om de vergaderingen in de hand te houden. Een journalist noemde een zitting 'une session de guerre civile'.

De massamedia droegen bij aan de populariteit van de parlementariërs. Bij gebrek aan

filmsterren en sporthelden groeiden de Britse volksvertegenwoordigers uit tot idolen. In de verslagen stond wie punten hadden gescoord tijdens debatten en wie niet. Welsprekendheid werd mateloos bewonderd. Gewone burgers bekwaamden zich er ook in. Debating societies groeiden uit tot een ware rage. Tienduizenden ontwikkelden daar hun verbale gaven met hun Londense voorbeelden in gedachte. In Frankrijk vonden boeken met redevoeringen van begaafde orators gretig aftrek.

Daar kwam verandering in in de twintigste eeuw. Welsprekendheid legde het af tegen argumentatie. De discussie in parlementen verzakelijkte, werd steeds meer specialistenwerk. Verbale kunsten werden al snel geassocieerd met mooie praatjes. Of erger: Émile Zola had het al over het theatrale, circusachtige karakter van de Assemblée.

De loop van de geschiedenis maakte pathos extra verdacht. Na de excessen van fascisten, nationaal-socialisten en communisten werden goede sprekers al snel op een hoop gegooid met volksmenners.

Ook in Frankrijk en Groot-Brittannië richtten de parlementen zich in toenemende mate op het bestuurlijke, constateert Te Velde. Hij wil met zijn begeesterde, zij het soms wat wijdlopige vergelijkend onderzoek een boodschap afgeven: met de veronachtzaming van het debat is een belangrijk stuk politieke cultuur verloren gegaan. Bovendien werkt het misverstanden in de hand: de volksvertegenwoordigingen zijn uiteindelijk niet van de staat maar van de maatschappij.

Remieg Aerts e.a. (red): In dit Huis. Twee eeuwen Tweede Kamer Boom; 520 blz. euro 34,90

Henk te Velde: Sprekende politiek. Redenaars en hun publiek in de parlementaire gouden eeuw Prometheus/Bert Bakker; 330 blz. euro 29,95

undefined

Lodewijk Duymaer van Twist, Kamerlid met zitvlees

Zijn twee bijnamen leken wat strijdig met elkaar. Lodewijk Duymaer van Twist (1865-1961) werd 'Duympie' genoemd maar ook 'de Trombone van Steenwijk'. Hij was een kleine man met een groots stemgeluid. Dat viel jaarlijks te horen tijdens Prinsjesdag. De AntiRevolutionaire politicus was de man die vanaf 1921 jaarlijks na de Troonrede luidkeels 'Leve de koningin!' riep.

Duymaer van Twist, een landmachtgeneraal, voerde voor zijn partij het woord op het gebied van defensie en visserij. In 1918 reageerde hij op de befaamde revolutierede van de sociaal-democratische leider Troelstra met het bijeenroepen van de Vrijwillige Landstorm ter bescherming van koningin en vaderland. Een jaar eerder schreef hij geschiedenis door de Bond tegen het Vloeken op te richten.

Duymaer van Twist kwam in 1901 in de Tweede Kamer en nam afscheid in 1946. Hij is daarmee het langstzittende Kamerlid ooit. In zijn tijd lag de gemiddelde zittingsduur van een parlementariër met meer dan tien jaar sowieso veel hoger dan nu. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw was dat rond de zes jaar. Inmiddels kan het doorsnee-Kamerlid bogen op slechts een kleine vier jaar ervaring.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden