Mooi, stoer en toch sympathiek Mijn Held

Elke heldengalerij is een opsomming van persoonlijke tekorten, schrijft Bert Keizer. En kiezen voor één held kan hij niet. Zijn held oogt als George Harrison, schrijft als Samuel Beckett, speelt als Jimi Hendrix, en denkt als Ludwig Wittgenstein.

Hoe ouder je wordt hoe minder helden er overblijven. Da’s maar goed ook, want helden zijn mensen die je in de geest voor je neerzet om je een aantal vaardigheden eigen te maken. Wie op zijn zestigste nog evenveel helden heeft als op zijn zesde, is weinig opgeschoten in het proces van zelfoprichting. En wie op zijn zestigste geen enkele held meer over heeft, is helemaal klaar met zelfbouw en kan geestelijk plaatsnemen op zijn veranda om moe maar voldaan over de landerijen van een welbesteed leven uit te kijken.

Zo bezien is een galerij van helden een opsomming van persoonlijke tekorten. Als ik echt goed kon schaatsen zou ik de vriendelijke stoerheid van de slag van Fred Anton Maier niet zo hoeven koesteren. Wat schaatste die man mooi. Dat waren eigenschappen die ik als jongetje het meest bewonderde: mooi, stoer en toch sympathiek. Dat gold voor mannen én vrouwen. Ik wilde het nu eigenlijk niet over vrouwen hebben, want als ik daarover begin dan kunnen al die voorbeeldige mannen me gestolen worden. Daarom stel ik voor om heldenverering te definiëren als een vorm van aanbidding die niet stiekem hoopt op een dramatische verkorting van de afstand tot de aanbedene. U moet mij geloven als ik zeg dat enigerlei veronderstelling over de inhoud van Fred Anton Maiers schaatsbroek mij geheel onverschillig was.

Omdat dergelijke anatomische vermoedens, gekoppeld aan het mogelijk slechten van de afstand, wel een rol spelen – of misschien de enige rol – bij mijn vrouwelijke helden, stel ik voor de dames buiten dit bestek te plaatsen.

Dat neemt niet weg dat er een diffuse erotiek valt te ontwaren in mijn bewondering voor vriendelijke stoere mannen, ongeacht of er anatomie bij kwam kijken of niet.

Eerst enkele helden uit mijn zogeheten latente tijd. Niet Dik Trom, want zo wilde ik niet zijn. Ik denk eerder aan Arendsoog en Witte Veder, en dat andere openlijker fascistische duo: Old Shatterhand en Winnetou. Arendsoog en de éénwoordige Witte Veder waren figuren in een jongensboek. Maar wat Karl May beschreef was een wereld van volwassenen waar ik dolgraag naartoe wilde. Deze mannen brachten maanden door op zoek naar voetsporen van een veedief of een moordenaar. Uit niets bleek dat ze een fase van huiswerk, boodschappen doen, beroepskeuzetwijfels en vooral ook ouders hadden moeten doorstaan voordat ze lekker konden paardrijden op die eindeloze prairie.

Ook in het echte leven kwam ik stoere goedheid tegen, eerst in de figuur van kapelaan H., een sympathieke parochiegeestelijke, die op een gegeven moment tevens aalmoezenier werd in het leger. Ik was gek op uniformen (begrippen als ’ponjaard’ en ’adelborst’ vond ik onweerstaanbaar, die rode streep op de marineblauwe broek, de strenge kinband rond het blozende gelaat onder die hagelwitte pet, buurvrouw hou op). Kapelaan H. kreeg bij zijn benoeming min of meer gratis een majoorsuniform aangereikt en het leuke was dat hij daar precies de lol in had die erbij hoorde. Ik voelde wel dat dit in de grond van de zaak niet helemaal klopte, want hij zou natuurlijk nooit schieten, maar toch, het stond hem echt goed.

Omdat ik in die jaren geen ideeën had over het celibaat, keek ik met bewondering naar priesters met stijl, want die waren er. Als misdienaar kon je dat van nabij inschatten en die inschatting begon al in de sacristie bij het aankleden. De deken in onze parochie bijvoorbeeld was een goedaardige ouwe knorrepot, die zich (geestelijk maar half aanwezig) nors liet omhangen met albe en kazuifel. Kapelaan-majoor H. was ondanks dat uniform geen sharp dresser op het altaar, maar kapelaan W. had een flitsende manier van zich omgorden met de singel, die een en al beheersing uitstraalde. Wat hij vastknoopte, bleef zitten ook.

Die stijl van aankleden zette zich voort in de liturgie. De deken blunderde door de mis heen, zijn Latijn tot op de draad versleten en volstrekt onverstaanbaar geworden. De majoor maakte er het beste van, maar ik vond hem niet krachtig genoeg en ik had zo mijn twijfels als hij naast zijn eigen hostie ook nog een hele ciborie vol moest zien te consacreren. Kapelaan W. daarentegen danste welhaast door de mis en zou desnoods in één klap voor een heel jaar hosties kunnen aanmaken door zijn even rappe als rake stijl van celebreren.

Ook op de middelbare school leerde ik priesters kennen, maar ik had mijn ogen al een beetje uitgewreven en ik begon zicht te krijgen op hun mallotige eigenschappen. Pater Van de B., onze leraar Frans, was een negatieve held. Je ziet meestal parttimers op dat gebied, maar dit was echt een fulltime etter. Ik heb gelukkig nooit weer iemand ontmoet die zijn verachting voor alles en iedereen zozeer op zijn gezicht droeg. Hij heeft zich later toch nog de toog van het lijf gerukt om zich in de armen te storten van een vrouw – een onbegrijpelijke ontwikkeling die haar weinig goeds kan hebben opgeleverd.

Daar stond pater B. tegenover die een schat was. Eerlijk, geestig, scherp en zonodig meedogenloos. Hij gaf tekenen en kunstgeschiedenis en maakte de kachel aan met onze mariakaakjesideeën over beeldende kunst. Hij kon je om jezelf doen lachen. Hij leidde je in een vraag- en antwoordspel naar een punt waarop je je vreselijk betrapt zou moeten voelen maar hij lachte je nooit uit. Integendeel, hij feliciteerde je met de zojuist geloosde ballast. Ook hij stapte uit zijn toog, maar op ongemakkelijk hoge leeftijd, ik meen reeds voorbij de zeventig, en dat alles voor een vrouw die hem geld afhandig maakte. Gelukkig weet ik er het fijne niet van, het is te triest voor woorden. Voor mij blijft hij een held omdat hij mij iets doms afnam en daar iets geestigs voor teruggaf.

Na mijn twaalfde ontdekte ik hoe langer hoe minder helden in de persoonlijke ontmoeting. Nu braken de jaren aan van echte helden.

Er zijn twee films waar ik niet omheen kan. ’Ben Hur’ (1959) en ’The Great Escape’ (1963). Ik zag Ben Hur naar ik aanneem ergens in 1960 of 1961 en ik had nog nooit een man gezien die zo goed, sterk, eerlijk, dapper en aantrekkelijk was als Charlton Heston. Ik stikte bijna van machteloos verdriet toen deze bonk goedheid geheel buiten zijn schuld door die klootzak van een Messala tot galeislaaf werd gedoemd. Het schouwspel van zijn langzame opstanding en uiteindelijke triomf blijft een van de bevredigendste ervaringen van mijn leven. De paardenrace is een van de ergste dingen die ik heb meegemaakt, echt verschrikkelijk. En dan die laatste scène waarin de nobele, alles vergevende Ben Hur de stervende Messala bezoekt.

Later, veel later, las ik dat Gore Vidal de scenarist was. Hij sprak neerbuigend over Charlton als ’Chuck’ en beschreef de acteur als niet bepaald snugger. Vidal zou Stephen Boyd, die Messala speelde, een homoseksuele subtekst ingefluisterd hebben waarin Heston Boyd had verstoten als minnaar. Vidal hield deze regieaanwijzing weg bij Heston, vandaar dat die zijn onbegrip over Messala’s venijnige wraakzucht zo oprecht speelde.

Charlton Heston had iets Klassieks als hij in wapperende toga over straat schreed, een heilige eigenlijk. Deze associatie was onmogelijk bij Steve McQueen in The Great Escape. Lefgozertje, motorduivel, sportman en oorlogsheld. Hoewel er geen vrouwen voorkwamen in The Great Escape, begon zich hier iets onmiskenbaar geils te roeren in mijn appreciatie van mannelijke helden. Dit waren de jongens die de meiden kregen. Dat klopt allemaal redelijk met mijn fysiologie, want in 1963 was ik zestien jaar oud.

Over Charlton Heston en Steve McQueen droomde ik wel, maar ik probeerde niet écht een span paarden te mennen of een motorfiets op te voeren. Maar met de komst van The Beatles begon het gelazer pas werkelijk. Ik kon het niet helpen, ik vond ze alle vier fantastisch. Miljoenen leeftijdgenoten zaten met hetzelfde probleem. Het Chinese spreekwoord waarin brede rivieren zelden diep zijn, gaat in dit geval niet op. Paul, the pretty one, John, the clever one, Ringo, the funny one, maar bovenal George, the quiet one – ik zag alles in deze jongens wat ik zelf zo graag wilde zijn. Aantrekkelijk, sexy, grappig, uitdagend, afwijkend en alsof dat nog niet voldoende was, ze konden ook nog iets. Hun muziek. Onder het luisteren zat ik uren te staren naar de hoes van ’Rubber Soul’ of het binnenwerk van ’Sgt. Pepper’ en ik vroeg me heimelijk af of ik meer op George leek dan op Paul.

In 1968 verhuisde ik naar Engeland. Jimi Hendrix rukte op. Hij was veel erger dan The Beatles, die wel van een geintje hielden, maar niet geneigd waren om het hele gebouw in de fik te steken.

Jimi daarentegen ramde hele planeten uit koers. In zijn muziek raasde je van een bergweg af de diepte in en bij elke kromming in de weg waar een normaal mens even zou terugschakelen, gaf Jimi juist gas in de waanzinnige hoop dat het hele zootje uit de bocht zou vliegen. En het ongelofelijke van Hendrix was dat hij deze zelf opgeroepen chaos enigszins leek te beheersen.

Enigszins, want zijn kaars brandde aan drie kanten leek het wel, en toen mijn huisbaas op een grijze septemberochtend in Nottingham met een valse grijns meldde „This Jimi Hendrix o’yours e’s dead!”, had ik hem in machteloos verdriet wel in zijn gezicht kunnen slaan.

Hendrix’ dood vond ik moeilijk te vergeven. Hij had zijn roekeloosheid moeten beperken tot zijn optredens. Ik vond dat hij ons mooi liet zitten. Verder leven was misschien wel laf, maar wat was er zo heldhaftig aan die rommelige rotdood van hem? Gestikt in eigen kots, na zoveel drugs dat het stikken hem niet meer dwars kan hebben gezeten. Niet echt gewild, wel half gezocht. En vervolgens niet duidelijk in het pand aanwezig toen de boel instortte.

Dit gedoe in eigen braaksel plaatste veel van zijn interplanetaire visioenen in een kitscherig licht. Ik was toen begonnen met filosofie en ik slaagde er meestal in om het intellectuele presteren van mijn pophelden met grote vergevingsgezindheid tegemoet te treden.

Ik vond het niet echt erg dat George en Jimi in reïncarnatie geloofden, in God, Krisjna, karma, dharma, yoga, prana, Boeddha, in druk verkeer tussen de planeten en in de betere wereld die hier uit tevoorschijn zou komen. Als ik het maar niet ernstig hoefde te nemen. Het was gênant, hoor. Het duurde even voordat ik er echt om kon lachen, en ik doe het nog altijd niet van harte.

De popcultuur in die jaren stelde zichzelf niet alleen tot taak om jonge mensen aan een razende avond te helpen, ze timmerde ook aan een visie op de kosmos. Alles straalde, golfde en trilde op weg naar een samenklank die alles in één, één in alles zou doen opgaan. Het was tandeloos gemummel tegenover een Heelal dat zich in mijn beroerde ervaring nu juist in het geheel niet opstelde tegenover de Mensheid.

En toen kwamen de filosofen.

Het liefst zou ik Plato als eerste en enige held in deze regio willen koesteren, maar zijn contouren zijn te vaag en zijn bereik is te indrukwekkend. Hij zit boven de helden, net als Shakespeare, van wie we ook geen idee hebben hoe hij was na een klapband in een sneeuwstorm als de benzine op is en je mobieltje leeg.

Van Bertrand Russell heb ik jaren gehouden, omdat ik door zijn ’History of Western Philosophy’ zeker wist dat ik filosofie wilde studeren. Ik ken nog altijd geen enkele filosoof die zo pienter is, als u mij de uitdrukking wilt vergeven. Russell heeft een uitzonderlijk scherpe en humorvolle geest en ik vond zijn autobiografie een waardige lofzang op de aard van een man die zowel in liefdeszaken als in kwesties rond de grondslagen van wiskunde altijd even scherp, warm en komisch was. Ray Monks biografie ondergroef dit beeld op bijna onweerlegbare wijze. Maar ik laat me Bertrand Russell zeker niet door een eindeloze parade van miezerige initiatieven afnemen, ook niet als het allemaal klopt.

Dan zit ik beter bij Wittgenstein. Wat ik Hendrix zo kwalijk nam, de slordige omgang met zijn talent, daar hoef je je bij Wittgenstein geen zorgen over te maken. Niet dat hij in aanbidding voor zijn gave neerknielde, maar Wittgenstein was een van de zeer weinige denkers wier instrumentarium tot vlak voor hun overlijden geheel intact bleef. Kwestie van mazzel zult u zeggen, maar dan onderschat u de moeite die ook een getalenteerd filosoof zich moet getroosten om goed werk te leveren. Dat Wittgenstein die moeite bleef nemen, ook met de dood voor ogen, vind ik iets ongelooflijks. Ik ben zelf veel grover, eigenlijk onbehouwen, als het over de dood gaat. Meer geneigd tot een wat-maakt-het-eigenlijk-uit-houding.

Dit gewone doorwerken tot op de rand van het graf, zonder pose dus, heb ik eens gefilmd gezien door Buster Keaton. De held van het filmfragment staat trots saluerend op het dek van een boot die te water gelaten wordt. Zodra de touwen gekapt zijn, glijdt het scheepje schuin omlaag van de helling af en blijft schuin omlaag koersen totdat het helemaal onder water verdwijnt. Keaton blijft rustig op zijn plaats en verdwijnt, nog steeds saluerend, onder water.

Ook het werk van Samuel Beckett is een nooit eindigend saluut, in wanhoop gebracht, omdat salueren ons nu eenmaal in het bloed zit, maar niet omdat er iets of iemand is dat zich laat begroeten door de mens. In Beckett bewonder ik de eigengereidheid waarmee hij de woestijn in slentert zonder zich iets aan te trekken van de vraag of iemand hem daar zal volgen. Het interesseert hem niet of hij gelezen wordt. Hoewel – als dat hem echt niet zou interesseren dan zou hij niet schrijven.

In zijn jonge jaren verklaarde hij niets anders te willen doen dan op zijn achterste zitten, scheten laten en aan Dante denken – een onmaatschappelijke levensvulling die mede mogelijk was door een toelage van pa. Ouderlijke bijdragen vind ik nooit een sterk punt, maar goed. Blijft het feit dat Beckett in zijn schrijverschap die half-paradoxale ongenaakbaarheid op heldenniveau beoefent.

Becketts sterven verliep nogal rommelig en moeizaam. Hij was 83 en kwam heel geleidelijk tot stilstand. „Mijn benen zijn het even zat mij te dragen, als ik het gedragen worden zat ben.” Zijn laatste jaar was ronduit verdrietig.

Omdat ik zelf (59) definitief over de helft ben, denk ik er soms niet aan hoe het mij straks zal vergaan. Wittgensteins sterven was anders dan dat van Beckett. Hij was glashelder, zeker niet verdrietig, eerder welgemoed. Hij was pas 62 maar hij deed niet verontwaardigd tegen zijn dood. Hij had het pand allerminst verlaten terwijl de boel op instorten stond. Toen hij hoorde dat het niet lang meer zou duren, was zijn antwoord: „Prima.” Waarbij ik Buster Keaton weer even saluerend onder water zie verdwijnen.

Ik bewonder dat, hoor. Al weet ik dat voor zo’n sterven als dat van Wittgenstein veel meer geluk dan heldenmoed nodig is. Maar mijn held, die oogt als George Harrison, schrijft als Beckett, speelt als Hendrix en denkt als Wittgenstein zou ook van die laatste richel af moeten stappen met Wittgensteins blijmoedige acceptatie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden