Mooi Ruhr is niet lelijk

Het Ruhrgebied - rommelig en industrieel - moet je leren waarderen. Dat kan heel goed per fiets, over de honderden kilometers aan fietspaden. Maar zeker ook te voet, met een oude steenkolenmijn in Essen als ideaal startpunt.

Voor wie wil leren de schoonheid van het Ruhrgebied te zien, is de Zeche Zollverein in Essen het ideale startpunt. Deze steenkolenmijn - Zeche - werd na de opening in 1932 al snel de mooiste mijn ter wereld genoemd. De imposante gebouwen, waarin de steenkool werd verwerkt, zijn opgetrokken in een heldere, kubistische stijl - stalen raamwerken opgevuld met rode bakstenen. De invloed van de destijds vernieuwende Bauhaus-architectuur is duidelijk. Toen de mijn in 1986 gesloten werd, dreigde verval en sloop. Maar met een vooruitziende blik kocht deelstaat Nordrhein-Westfalen het terrein op. Tegenwoordig is het goed gebruik om oude industrieterreinen om te toveren tot culturele centra. In Essen waren ze er vroeg bij. In kleine stapjes werd de Zeche geschikt gemaakt voor evenmenten, kunstenaars, exposities. In 2010, Essen was toen culturele hoofdstad van Europa, opende het Ruhrmuseum de deuren in het grootste gebouw, de Kohlenwascherei. Daaromheen ligt een uitgestrekt industrieel landschap; de schachtbok met vier grote wielen, overdekte transportbanden die de gebouwen met elkaar verbinden. Spoorlijnen, koeltorens en hoge schoorstenen. Alles omgeven door weelderig groen, maar dat is vast niet altijd zo geweest.


Smetteloos wit


Op het plein voor het museum sluit ik aan bij een rondwandeling die verzorgd wordt door Franz-Josef Vienken, die tot de sluiting in 1986 in de mijn werkte. Hij is gekleed in smetteloos wit, alsof hij wil laten zien dat hij het kolenstof voorgoed van zich heeft afgeschud. Niet dat hij slechte herinneringen heeft, hij vertelt vol passie over een van de grootste mijnen van het Ruhrgebied: drie miljoen ton kolen werden hier jaarlijks omhoog gehaald, bijna 7000 mensen werkten er.


We lopen naar de schachtbok met het grote wiel, waarover de kabels liepen die liften vol mijnwerkers honderden meters de diepte in lieten zakken. De mijn kunnen we niet in, die staat vol met vervuild water. We gaan het gebouw ernaast binnen. Daar werden de karren vol steenkool leeggekieperd op bewegende roosters. De brokken werden gescheiden van het gruis.


Als Franz-Josef praat hoor je de machines bijna ratelen - het moet een oorverdovend lawaai geweest zijn. Het kolengruis ging door naar de wasserij, het gebouw waar nu het museum gevestigd is. De brokken werden vanaf een overdekte brug in treinwagons gestort - bestemd voor de industrie en stoomschepen. Het kolengruis ging na reiniging naar de Kokerei. Die kunnen we goed zien als we in het Ruhrmuseum de lift nemen naar het panoramaterras, 45 meter hoog. De Kokerei, een eind verderop, is een mega-installatie met zes hoge schoorstenen. Hier werd het kolengruis samengeperst tot cokes, de brandstof voor de staalproductie. Het spul is zo brandbaar dat het meteen vlam vat als het met zuurstof in aanraking komt. Het moest meteen na productie geblust worden. "Kijk", zegt Franz-Josef,en hij wijst naar de horizon. Daar stijgt net een paddestoelvormige dampwolk op. "Dat is de Zeche Prosper, de enige mijn die nog in gebruik is in het Ruhrgebied. Daar worden ieder kwartier de cokes afgeblust."


Designmuseum


Ieder kwartier een dampwolk. Zo was het hier dus, stel ik me voor als we, weer beneden, verder lopen over het immense terrein. Nu is het groen en bloeien overal wilde bloemen. Toen was het een wereld van rook, kolenstof, damp en een hels kabaal. We komen aan bij het voormalige ketelhuis, een streng, symmetrisch gebouw, waarin het Designmuseum is gevestigd. Hier zijn alle producten te zien die de afgelopen decennia bekroond zijn met de prestigieuze Red Dot Award - een designliefhebber moet hier beslist naar binnen. En dan is er nog de beeldentuin, de ateliers bij de Kokerei en verderop, het restaurant. Ik ben zo een kwartier onderweg van de ene naar de andere locatie, je kunt hier uren rondzwerven. Door de afmetingen maakt de Zeche Zollverein, zelfs als er veel bezoekers zijn, soms een wat verlaten indruk. Het is een goed idee dat de Folkwang-universiteit hier een afdeling opent. Het terrein kan alleen maar aangenamer worden als het bevolkt wordt door honderden studenten.


Bij de oude hoofdingang van de Zeche worden fietsen verhuurd. Hier wacht Jochen Schlutius me op. We gaan een tocht maken door het Ruhrgebied. Er ligt al 700 kilometer fietspad en daar komen ieder jaar weer kilometers bij, zegt hij trots. Ik had verwacht dat we op zijn minst een stuk door woonwijken en langs snelwegen zouden rijden - de Zeche ligt middenin een woonwijk - maar we rijden zo het groen in. "De mijnen, hoogovens en fabrieken waren met elkaar verbonden door een fijnmazig spoorwegennet", zegt Jochen. Die spoorlijnen zijn voor een groot deel opgeheven en daar zijn fietspaden voor in de plaats gekomen. De weelderig begroeide voormalige spoorbanen kruisen wegen en kanalen via tunnels en bruggen. Je kunt dus ongestoord kilometers fietsen.


Berglandschap


Als we een half uurtje onderweg zijn, maken we een behoorlijk pittige klim. Het Ruhrgebied kent van nature nauwelijks heuvels, zegt Jochen. Maar het puin, dat met de kolen uit de mijnen omhoogkwam, moest wel gestort worden en zo groeide in de loop van twee eeuwen een heus berglandschap. De hellingen van de storthoop die wij oprijden zijn mooi begroeid, maar bovenop is duidelijk te zien dat deze berg uit puin bestaat: een kale grijze vlakte, waarop een kunstwerk van cortenstaal is geplaatst.


We volgen de Emscher, eeuwenlang het open riool van het Rurhgebied, volledig gekanaliseerd en niet te herkennen als rivier. "De Ruhr is veel meer met rust gelaten", zegt Jochen. Daar stonden de villa's van de eigenaren van de mijnen en fabrieken. Die hadden geen zin in de stank. Op slechte dagen ruikt de Ems nog steeds niet echt fris, maar er wordt hard gewerkt aan een complete sanering. Al het afvalwater moet in de toekomst via een echt riool worden afgevoerd en gezuiverd, de Ems moet zijn oude loop terugkrijgen. Op sommige plekken is dat al gelukt.


De tocht voert verder over vooral groene fietspaden. Vaak heb je geen idee dat je hier door een van de dichtstbevolkte, zwaarst geïndustrialiseerde stukken van Europa rijdt. We komen aan in Oberhausen, bij de torenhoge gashouder. Ooit werd hier het gas opgeslagen dat als bijproduct van de kolen- en staalindustrie ontstond. Nu worden in de toren wisselende tentoonstellingen georganiseerd. We nemen de lift naar boven, waar Jochen op 117 meter nog iets wil vertellen over het Ruhrgebied. De steden hier, zegt hij, ontstonden niet rondom een kasteel of een kerk, maar bij de fabrieken en mijnen. Alles was tijdelijk: was een mijn uitgeput of ging een fabriek failliet, dan verviel de boel en trokken de arbeiders verder. Zo ontstond de aan elkaar gegroeide agglomeratie zonder duidelijke centra waarover we nu uitkijken: industrie, huizen, hoogbouw, wegen, parken en kanalen - een uniek landschap met een geheel eigen schoonheid, dat je kunt leren waarderen.


Daarbij helpt zeker een bezoek aan het Ruhrmuseum. De entree bevindt zich op 24 meter hoogte. Ik zweef het museum in, op een eindeloze roltrap die tegen de gevel van het gebouw is geplaatst. Alsof de bezoekers kolen zijn die via een lopende band vervoerd worden. In het museum slingert een lichtgevende oranje trap vervolgens weer 20 meter naar beneden in een diepe, donkere schacht. Als een stroom vloeibaar staal. Een dichterlijke vrijheid. In de mijn werden weliswaar de kolen gedolven voor de staalproductie, maar er is hier nooit ijzererts gesmolten. Indrukwekkend is het wel. Via deze trap zijn alle zalen van het museum te bereiken.


Dagelijks leven


Alle aspecten van het belangrijkste industriegebied van Europa worden belicht, van de planten die in miljoenen jaren werden fijngeperst en steenkool werden, tot het verval van de grote industrie rond de eeuwwisseling. Daar kan waarschijnlijk niet iedereen de aandacht bij houden, maar er is ook een lichtvoetige fototentoonstelling over het dagelijks leven in het Ruhrgebied, waarin de clichés niet worden geschuwd. De Opel Manta's, de trainingspakken en de matjes, mensen die recreëren op schaarse stukjes groen tussen Autobahn en kanaal, volkstuintjes onder de rookpluimen van de zware industrie, de vele culturen met hun eigen winkels en gebedshuizen. Daartussen opeens een portret van inspecteur Schimanski uit de Tatort-reeks. En verderop een serie foto's van Trinkhallen, die onooglijke kioskjes waar je staand een biertje kunt drinken.


Allemaal typisch Ruhrgebied: lelijk, zou je in eerste instantie zeggen. Maar zo bij elkaar gepresenteerd gaat er een enorme energie uit van de mensen en hun rommelige, industriële leefomgeving. Een ander soort schoonheid dan de modelspoorbaanromantiek in de rest van Duitsland.

Extra Schicht

Elke laatste zaterdag van juni vindt in het Ruhrgebied Extra Schicht plaats, een cultureel festival dat bij tientallen industriële monumenten tegelijk wordt georganiseerd. extraschicht.de

Aardbol in de Gasometer

In de Gasometer in Oberhausen is tot 30 nov. de tentoonstelling 'Wonderen der natuur' te zien. In de gashouder hangt een immense wereldbol die langzaam ronddraait: je ziet de zon opkomen en ondergaan, wolken over het aardoppervlak schuiven en de continenten voorbijtrekken. Erg indrukwekkend! gasometer.de/nl

Zeche Zollverein

De Zeche Zollverein staat sinds 2001 op de Unesco Werelderfgoedlijst. Behalve het Ruhrmuseum en Red Dot Designmuseum zijn er tal van kleinere exposities te bezoeken en er zijn regelmatig evenementen. In de Kokerei gaat deze zomer ook het Werksschwimmbad weer open: surrealistisch zwemmen tussen de fabrieksschoorstenen. www.zollverein.de

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden