Mooi, maar dat is het woord niet

PETER HENK STEENHUIS

De val

We kruisten de Styx. De veerman lag dronken in zijn schip. Ik hield het roer en we zonken als stenen.

Water bestaat als de aarde in lagen, transparante linten, glanzende strata van steeds kleiner leven, minder warmte.

In je haren bloeiden luchtbellen, de stroom trok je hoofd naar achter en streelde je hals.

Stenen wuifden met armen van algen en varens, zongen zachtjes gorgelend 'vrede'. Ze sneden je kleren los.

Vissen likten het bloed van je benen. Ik hield je hand vast. Ik wilde je troosten maar we vielen te snel en er zijn geen woorden

die zonder lucht bestaan, mijn liefde bleef boven, blauwe ballonnen, bakens voor even, de plaats markerend van het ongeluk

voordat ze verder dreven. Je mond ging open. Je gezicht werd rood, je handen zochten evenwicht, zochten mijn armen.

Je probeerde in me omhoog te klimmen. Je was een glasblazer met een wolk van diamanten aan zijn mond. Ik hield je vast als een katje.

Ik aaide je vingers. Je liet niet los. Je sliep en ik aaide je vingers, liet los.

Esther Jansma(Maatstaf, 1994)

Kopland: “Ik vind dit een mooi gedicht. Het was het eerste gedicht dat ik op de gastcolleges heb behandeld. Ik heb toen gezegd: ik weet nog niet waarom ik het een mooi gedicht vind. Dat is op dit moment ook geen goede vraag. Misschien is ook het woord 'mooi' verkeerd. Het gedicht treft me, en laat ik eerst maar eens zien wat me treft en hoe. Hoezeer ook 'de ontroering' een ervaring is die zelf niet onder woorden te brengen is, over de manieren waarop zij teweeg wordt gebracht valt te praten.”

“Het gedicht van Esther Jansma heet De val. Het is niet zomaar een val, het is 'de' val. Welke? De val in het algemeen, die ene, altijd plaatsvindende val, of die ene val die ooit plaatsvond? Ook het woord 'val' roept vragen op. Is het de val waarin je trapt, getrapt bent, gevangen zit, voor op je hoede moet zijn? Is het leven een vallen, is de val een metafoor voor Het Leven?”

Jansma: “Het gedicht gaat over het ontregelen van veiligheid. Aan het begin kruisen we de Styx.”

Kopland: “Zo worden we ogenblikkelijk de mythische wereld ingevoerd, naar de onderaardse rivier van de dood, de Styx, waarover een veerman de mens naar het dodenrijk brengt, de overkant. Het tij van de dood is in dat verhaal niet te keren.”

Koenegracht: “Waarom staat hier kruisen en niet oversteken?”

Jansma: “Dat verschil is ritmisch.”

Oosterhoff: “Kruisen wordt ook bij zeilen gebruikt.”

Kopland: “Dit is mijns inziens een roeiboot, de Styx wordt door de veerman Charon per roeiboot bevaren. Dat is wonderlijk in dit gedicht: de veerman ligt dronken in zijn schip. De dood is bezopen.”

Jansma: “Na de strofe over het water ontrolt zich een gezink waarbij alles wat lief, mooi en aardig is niet lief mooi en aardig is. Inclusief de ik-persoon. Om het gedicht te duiden gebruik ik soms de funny walk van John Cleese. Zoals Cleese loopt, hobbelt het gedicht. Telkens lezen we over lyrische beelden, mooie beelden die de mist ingaan. De lezer van De val zinkt door allerlei 'beschermende' kleur- en metafoorrijke lagen naar de kaalheid van twee handen die elkaar loslaten.”

Kopland: “Na de tweede strofe, de strofe die het water beschrijft als een doorzichtig graf, komt er plotseling een 'je' in het gedicht. Dan verandert het perspectief: alsof alles wat tot nu toe verteld is in de eerste plaats voor die 'je' bedoeld was en pas in de tweede plaats voor mij, voor ons. Het gedicht wordt ineens een verslag van belevenissen van de ik met een ander, waarvan de ik die ander vertelt: dit en dit is er met ons gebeurd en toen en toen. Een verdrinking, maar alsof de ik in het gedicht mee wilde de dood in en dat niet kon.”

“In mijn college over Jansma zei ik dat vanaf dat moment de lezer getuige wordt van een film met herinnerde beelden: 'hoe de 'je' uitgeleverd was aan het water, het water dat de 'je' als een willoze beminde behandelde, de haren bewonderde, het hoofd naar achteren trok en de hals streelde. De beminde zou een kind geweest kunnen zijn. Het water liet de beminde drijven zoals de handen van een moeder een kind laat drijven in een bad.”'

Koenegracht: “Esther Jansma maakt van een gedicht veel meer dan bijvoorbeeld een Vijftiger zou doen. Je vertelt meer.”

Jansma: “In dit gedicht is het verhaal essentieel. Het is een epische vorm, waarin de ik iets wil vastleggen en vertellen aan de 'je'.”

Trouw: “Is dat kenmerkend voor uw poëzie?”

Jansma: “Of het verhalende een kenmerk is weet ik niet. Het thema is typisch: afscheid. En de combinatie van lyriek met gebrek aan angst voor gebral.”

Trouw: “Gebral?”

Jansma: “Middenin heb ik een enigszins brallerig rijm verborgen: mijn liefde/ dreef boven, blauwe ballonnen, bakens voor even,/ de plaats markerend van het ongeluk// voordat ze verder dreven. 'Even' en 'dreven' rijmen op elkaar als de golfjes water die de blauwe ballonnen wegvoeren, en dat is in orde. Maar tegelijkertijd is het rijm - 'even', 'dreven' - platvloers en larmoyant.”

Trouw: “Het is geen nadrukkelijk rijm. Hoe kom je erachter dat dit dik aangezet is?”

Kopland: “Hoe goed ik het ook gelezen heb, ik heb dat niet als dik aangezet gevoeld.”

Oosterhoff: “Het gedicht heeft een vrouwelijk waterritme. Dat lijkt me niet brallerig.”

Jansma: “De eerste zin vind ik brallerig.”

K. Michel: “Ach, je kunt de Styx ook weglaten. Als je er 'de donkere rivier' zou neerzetten, of 'het zwarte water' functioneert het gedicht ook.”

Jansma: “Nee, de Styx is verantwoord. Trek de laatste klank van het woord Styx af, en je houdt de stam van het werkwoord 'stikken' over. De rivier van de dood heet in het Nederlands bijna Benauwdheid. Ademloosheid is het onderwerp van het gedicht. Bovendien maakt het grootse van de Styx de tegenstelling met het einde groter, waarin alleen nog handen zijn. Als je het gedicht wilt samenvatten: neem het eerste woord en het laatste: we en los.”

Vroege sneeuw

In plaats van op de man te schieten begon het vuurpeloton allerlei vragen te stellen zoals: waarom doe je ons dit aan,

waar hebben we dit aan verdiend, denk je dan alleen maar aan jezelf en: wat is er toch aan de hand.

Er kwam geen antwoord. Ook niet toen de generaal begon te spreken, de vreemdste dingen beloofde, zich van wanhoop

en woede zo'n beetje op de grond stortte, ja er in feite een vrij pijnlijke scène van maakte. Geen antwoord.

Gelukkig redde de kapitein de situatie. Hij hees zijn oude meerdere op, troostte hem, kuchte en zei:

Kom heren dit was een kostelijke grap maar laten we nu weggaan het wordt immers al donker, kijk: de eerste sneeuw.

Frank Koenegracht (Uit: De verdwijning van Leiden, 1989)

Kopland: “Tijdens het college heb ik bij de bespreking van dit gedicht een cartoon gebruikt die Frank Koenegracht mij stuurde toen we correspondeerden over zijn poëzie. Er is een grote, mooie, jonge vrouw in haar blote kont bezig uit een loopgraaf te kruipen. Haar heerlijke benen en bilpartij zijn prachtig te zien. Zij bekruipt een slagveld, terwijl de toeschouwers zich in een loopgraaf bevinden. Naast haar, op de rand van de loopgraaf staat een militairtje, vele malen kleiner dan zij, eigenlijk een kind nog, met een machinegeweer, zo groot als hijzelf. Het militairtje schreeuwt: “Mannen vooruit! Volg mij! Willen jullie soms eeuwig blijven leven?” Boven de hoofden van de mannen hangt een grote wolk waarin met massieve letters staat geschreven: 'Ja'.”

Kopland: “Het mechaniekje dat mij in de lach doet schieten bij de poëzie van Koenegracht is te onderzoeken door zijn gedichten te vergelijken met enigszins droevige cartoons. Koenegracht schrijft onnadrukkelijke, lichtvoetige, maar tegelijk zwarte, melancholieke humor.”

Koenegracht: “Al in de jaren zeventig is er een verband gelegd tussen mijn werk en Monty Python. Misschien is humor en vervreemding een bindend element in de poëzie van ons vijven?”

Jansma: “Vroeger had ik een hekel aan mensen die grappen maakten omdat ze daarmee alles relativeerden. Inmiddels ben ik erachter dat humor genade is.”

Kopland: “Ik vind het gedicht Vroege sneeuw indrukwekkend grappig. Ik zie een rijtje soldaten op de binnenplaats van een kazerne, of ergens in het veld, hun geweren gericht op een man, die kennelijk om het een of ander vergrijp de doodstraf verdient. Maar in plaats van met geweervuur wordt hij bestookt met vragen. Verwijten eigenlijk, die uit een andere context komen: de huiskamer. Het zijn naar vorm en inhoud exacte citaten van ouders die een ongehoorzaam kind toespreken: doe je dit om ons te pesten? Wat is er toch aan de hand, klagen de soldaten. Het moeten neerschieten van een man schept een onverwachte, akelig diepe band tussen beul en veroordeelde. Dan grijpt het hoogste gezag in, de generaal. Hij ziet dat de executie gevaar loopt. Hij moet van de veroordeelde toestemming zien te krijgen om hem dood te schieten, zeg alsjeblieft dat je schuldig bent dan zit ik er niet mee dat ik je neerknal. Maar ook de generaal krijgt zijn zin niet. Uiteindelijk moet de kapitein de situatie redden, door te zeggen, mensen, het was een leuk kinderspelletje, maar we moeten naar huis: en dan komt die magistrale laatste regel: kijk de eerste sneeuw. Alsof het hele gedicht is bedoeld om die laatste regel.”

K. Michel: “Technisch gesproken vind ik het mooi die sneeuw te introduceren. Bij dat schieten zie ik kogels voor me die horizontaal vliegen. En sneeuwvlokken dwarrelen naar beneden. Op diepteniveau zit daar rijm in. Kogels en sneeuwvlokken werken als gelijkvormige objecten.”

Kopland: “Van het neerdalen van sneeuw gaat een oneindige vrede uit.”

Koenegracht: “Mijn vader zong vroeger, toen ik een jaar of zes was, een liedje: sneeuwvlokken zijn vlinders die dalen uit de lucht. IJle vlinders die dalen. Vroeger zong ik liedjes, dus mijn teksten zijn eigenlijk liedjes zonder muziek. Dan moet je met woorden erg veel doen. Want de gitaar mag je niet meenemen.”

De liefdesbrief

Het was een zomernacht: de maan verlichtte het dorp met de toren, de dijk, het buitendijkse

en de eeuwige rivier in de diepten van ons donkere zonnestelsel bewoog een komeet die door een zekere nevelachtigheid omgeven scheen te zijn

kosmische stofwolken schoven door intergalactische leegten en de grenzen aan alles snelden van ons weg

de man die besefte dat zijn blik in de ruimte een blik in het verleden was besloot naar binnen te gaan en een brief aan zijn geliefde te schrijven

is de mug die ik niet dood kan slaan, bedacht de man, die ik kwijtraak en vergeet en die dan weer rakelings over mijn papieren vliegt, zoiets als een herinnering?

of is de herinnering meer zoals het papier dat ik nodig heb als ik wil schrijven?

Zo was de man in het huis onder de sterrenhemel aan het denken geraakt

hij legde zijn pen neer, begon heen en weer te lopen en ontdekte nu de overeenkomst tussen de gang van zijn gedachten en de gang van zijn lichaam door de kamer

er is weemoed in ijsberen en vasthoudendheid

stel: de man krijgt bezoek uit de mogelijke wereld w2 die in alle opzichten gelijk is aan onze w1 behalve dat het daar geen water regent maar XYZ

zou de man zijn mogelijke gast mee de dijk opnemen en zeggen: daar - die verbinding tussen waterstof en zuurstof die daar stroomt,

die het licht zo mooi weerspiegelt, dat is water?

en zijn brief, zou zijn gast hem daar misschien mee kunnen helpen?

Martin Reints (Uit Lichaam en ziel, 1992)

Reints: “Dit gedicht maakt deel uit van een serie van vijf gedichten die betrekking hebben op het rivierengebied. Ik had voor deze serie besloten dat het een aantal tweedelige gedichten moest worden. Daarin moest steeds op een andere manier het rivierengebied de omgeving zijn van dat wat ik ging beschrijven. Ik besloot zinnen te bedenken die achter elkaar gezet een landschap in gedachten zouden roepen. Verschillende soorten zinnen. In de eerste plaats beschrijvende zinnen in de traditie van de Natureingang: Het was een zomernacht:/ de maan verlichtte het dorp met de toren,/ de dijk, het buitendijkse/ en de eeuwige rivier. In de tweede plaats wilde ik zinnen met een handelingswerkwoord: hij legde zijn pen neer. In de derde plaats zinnen waarin het denken beschreven wordt:

de man/ die besefte dat zijn blik in de ruimte/ een blik in het verleden was/ besloot naar binnen te gaan. In de vierde plaats wilde ik per tweedelige tekst één zin die eigenlijk niet kan in een gedicht: kosmische stofwolken schoven door intergalactische leegten. Op grond van zulk soort beslissingen vooraf kan ik zinnen in elkaar zetten.''

Jansma: “Zo verzamel jij zinnen?”

Reints: “Ja, ik bepaal vooraf dat ik mijn tekst samenstel uit dat en dat soort zinnen, en ik bepaal met welke toon, met welke kracht, in welk tempo, in welk ritme ik ze formuleer. Mijn eerste bundel bestond zelfs helemaal uit losse zinnen. Die heb ik in alle mogelijke volgordes op tafel gelegd, en in een van de mogelijkheden gepubliceerd. Toen er in recensies het woord gedicht werd gebruikt verbaasde dat me zeer. Want ik had geen gedichten gemaakt, maar reeksen zinnen. Je kon met hetzelfde effect drie zinnen citeren of een bladzijde of vier bladzijden - maakte niet uit.”

Jansma: “Niets voor mij. Zo fragmentarisch zijn mijn gedichten niet.”

Reints: “Ik bedenk de woorden die ik wil gebruiken, het onderwerp, de zinsmelodie, en ik zit te schrijven. Voor de inhoud van het gedicht 'De liefdesbrief' werd mijn uitgangspunt gevormd door twee genres in de zeventiende-eeuwse schilderkunst, namelijk het riviergezicht en de briefschrijver. Daarmee was bepaald dat er, om het zo te noemen, een buitenomgeving zou zijn en een interieur.”

Kopland: “Het gedicht heet 'De liefdesbrief', niet 'Een liefdesbrief'. Zal het gaan over de liefdesbrief die ooit iemand wilde schrijven of schreef? Over de liefdesbrief in het algemeen, de inhoud, de functie, het verschijnsel liefdesbrief? De inhoud lijkt een poëtisch thema aan te kondigen. Is de liefde niet het mooiste wat er is in onze wereld, onze beste schuilplaats? En inderdaad, de eerste strofe is 'romantisch': een vredige wereld ontrolt zich voor onze ogen, een wereld waarin liefde en geborgenheid “om de voorrang strijden”. Een zomernacht, maanlicht, het dorp, de toren, de dijk, en daar buiten gras en “de eeuwige rivier. Ik heb in mijn gastcollege over Reints gezegd dat ik dit niet anders dan ironisch kan lezen: 'Het is een zorgvuldig gekopieerd cliché. Maar dat betekent dat men ook iets ernstigs proeft door het glazuur van de spot. Het gebruik van het paradijselijke cliché spot niet met dit verlangen, het spot met de taal.”'

Reints: “De openingspassage van 'De liefdesbrief' - over de zomernacht en het dorp met de toren - is inderdaad een cliché, maar wel een cliché zoals dat in mij kan opkomen. Ik haal de regel op eenzelfde manier aan als een filosofische passage of een zin over de intergalactische leegten. Ik doe dat zonder ergens afstand van te nemen, zonder spot. Ik schrijf met taal, en er is nu eenmaal allerlei taal, en ongeveer alles wat je zegt kan op verschillende manieren worden opgevat. Dat is onvermijdelijk, en helemaal niet iets om tegen in opstand te komen. Het is niet ironisch.”

“Ironie is een dubbelzinnige wijze van uitdrukken, waarbij je je opvatting enkel laat doorschemeren: met spottende of verwijtende ondertoon zeg je het tegendeel van wat je bedoelt. Spottend het tegengestelde zeggen van wat je bedoelt, veronderstelt op zijn minst twee dingen: dat je iets bedoelt en dat je ergens de spot mee drijft. Wie dus ironie in een tekst aanwijst, zegt niet iets over de tekst maar over de veronderstelde bedoeling en het standpunt van de schrijver. Maar ik drijf nergens de spot mee, noch bedoel ik iets.”

“Ik heb me wel eens afgevraagd waarom ik een soort allergie heb voor het begrip 'ironie'. En ik weet wat het is. Het is dat de ironicus altijd zo gruwelijk precies weet wat hij eigenlijk bedoelt. Hij kiest alleen maar een onverwachte formulering om een soort glimlach bij zijn publiek af te dwingen. Ironie is daardoor dus helemaal niet dubbelzinnig, maar juist eenduidig. Ironie is loos en vals, en daarmee is het eigenlijk een vorm van kitsch. Het is in ieder geval het tegendeel van oprechte dubbelzinnigheid. Daarom ben ik ook niet zo gelukkig met de aanduiding ironie, zoals ik juist wel gelukkig ben met de karakteristiek 'er is in deze gedichten ongetwijfeld een zeer ernstige ondertoon, maar het is de techniek waarmee ze zijn geschreven die de ernst luchtig en lichtvoetig maakt'.”

K. Michel: “Heb je dit opgestuurd als liefdesbrief? Als je dit gedicht als vervanging van die liefdesbrief hebt opgestuurd, zou je daarmee hebben getoond dat wat in w1 de aanzet voor een liefdesbrief is in w2 door dit gedicht vervangen kan worden.”

Kopland: “De geliefde die dit zou ontvangen zou hier buitengewoon blij mee zijn.”

Reints: “Jullie vragen toch niet in ernst of ik deze brief heb opgestuurd? Die brief wordt niet geschreven. Iemand wordt afgeleid door een mug en gaat ijsberen. Langzamerhand glijdt hij af en bedenkt een tweede wereld die een nauwkeurige kopie is van onze aarde, alleen komt daar de vloeistof die wij water noemen en die H2O is, overeen met een eveneens als water aangeduide vloeistof die echter niet H2O is. Dat is een opwindend gedachte-experiment, want waarom zou je inderdaad die andere vloeistof niet ook gewoon water noemen?”

Kopland: “Het gedicht doet mij ook denken aan vertaalproblemen. Het woord water kan vertaald worden als wasser, eau, aqua, maar al die woorden roepen verschillende wateren op. De man vraagt zich af of de gast uit w2, die XYZ aanduidt met 'water' hem met zijn brief kan helpen. Hij vraagt zich af of de man zou kunnen schrijven: liefste, herinner jij je nog hoe mooi het licht werd weerspiegeld door het eeuwige XYZ?”

In het vijfde element

Nooit begrepen waar de bovenmaanse sferen zich bevinden, geen kaart of atlas gaf de geringste aanwijzing

Liep je maar lang genoeg door, dacht ik dan viel je over de rand van de wereld en belandde in de blanco legenda

Te midden van geruis en vogelsignalen

verscheen vandaag, terwijl ik de afwas deed in de milde stemming van een herfstmiddag als het licht van een reeds lang

uitgedoofde ster, een verdwenen stem

Hij leest een verhaal voor oud en moe, op een middag in 1959 over een plezierreis met de trein

in de zomer van 1896 naar Nijmegen 'ik zie nog de blauwe aanplakbiljetten en ik voel weer de oude verwachting

van toen, toen die dag nog komen moest'

Moeizaam mompelend bereikt de stem 'en het koeren van een duif' wordt overmand door ontroering en breekt

Het is een tijdje stil, de radio kraakt en dan plompverloren in de stilte zegt Nescio 'waar wacht ik nou op'

In de ruimte tussen zon en aarde

moest iets zijn, zo dachten de ouden waardoor een kracht zich voort kon planten een tussenstof, ether, het vijfde element

Ontevreden met de occulte werking op afstand nam Descartes aan dat de wereldruimte gevuld was met een substantie die fungeerde

als drager van trillingen tussen lichamen

Later ging men dit à la Einstein anders zien en raakte de ether in discrediet, maar vandaag leverde Nescio's stem ex nihilo het bewijs

een man, een houtduif, een trein en wat licht kwamen uit het ongerijmde in mijn keuken samen om een glimp te tonen van gene zijde

in een trage werveling van tijdstippen

K. Michel

Koenegracht: “Het aardige aan dit gedicht is dat er veel woorden in staan die volgens de regels van de kunst eigenlijk verboden zijn. 'Bovenmaanse', 'de geringste aanwijzing', 'vogelsignalen', 'plompverloren', 'fungeerde', 'in diskrediet brengen' 'à la Einstein'.”

Kopland: “Dat zijn geen verboden woorden. Het zijn woorden die in verschillende taalregisters thuishoren. Het ene komt uit de filosofie, het andere uit de wetenschap, nog een ander komt uit de huis-, tuin- en keukentaal. Dat maakt verboden woorden interessant. Bovendien is het verbodene altijd prettig.”

Reints: “Als wij allemaal een lijst met woorden krijgen voorgelegd, kunnen we zo strepen welke woorden we nooit zouden gebruiken. Ik zou een falsificatie van mijn werk onmiddellijk aan het woordgebruik herkennen.”

Koenegracht: “Ik geloof niet dat er woorden zijn die ik nooit zou gebruiken. Er zijn al zo weinig woorden.”

Reints: “'De ouden', in een gedicht, meesterlijk.”

K. Michel: “Ik gloei van trots.”

Trouw: “Heeft u een thema?”

K. Michel: “Nee, ik werk niet volgens een plan.”

Trouw: “Als u terugkijkt op uw poëzie heeft u niet het idee terugkerende motieven of thema's te kunnen aanwijzen?”

K. Michel: “Ik beschouw de vraag als een uitnodiging mijn werk te definiëren en daar houd ik niet van. Ik begin te steigeren wanneer men mij probeert te identificeren, zoals de douane je identificeert. Alles in mijn werk is daar tegen. Woorden zijn in staat iets te laten stollen. Daar verzet ik me tegen. Als mij gevraagd wordt wat kenmerkend is voor mijn poëzie gaan er alarmbellen af.”

Kopland: “Dit gedicht is dus een K. Michel die geen K. Michel wil zijn.”

Trouw: “Waar gaat Het vijfde element over?”

Kopland: “In mijn college over K. Michel heb ik zijn poëzie in verband gebracht met de patafysica. Dat is de wetenschap die de wetten bestudeert die ten grondslag liggen aan de uitzonderingen, en als stelling heeft dat alle gebeurtenissen gelijkwaardig zijn. Onze fysische en metafysische instelling verleiden ons er toe om Het probleem te stellen, De vraag, en te zoeken naar De oplossing, De oorzaak, De waarheid. In de patafysica bestaan die niet. Er zijn evenveel problemen, vragen oplossingen, oorzaken en waarheden.”

“Deze gedachtegang werkt hilarisch, zij spot met de traditionele, rationele strategieën de werkelijkheid in kaart te brengen. Die spot, die rebellie tegen eenduidige concepten herken ik in Het vijfde element. Het gedicht bezorgt mij een weemoedige hilariteit, een vreemd weten: het is onzin en het is het niet.”

K. Michel: “De typering 'weemoedige hilariteit' vind ik trefzeker, maar van patafysica weet ik geen fluit. De mentaliteit van mijn werk blijkt onvermoede verwantschappen te bezitten met een filosofie die ik niet ken. Noem het een gelukkig voorbeeld van patafysisch toeval.”

Kopland: “Het is er een bijna perfecte demonstratie van. Nooit begrepen waar dat wat ons verstand te boven gaat zich bevindt, zegt de verteller. Fysica en metafysica brachten geen uitkomst. Ergens, dacht hij, kwam je na lange tijd lopen aan de rand van de wereld, waarna er een diep gat kwam, waar je dan inviel en dan was je gewoon weg, een naam op een onbeschreven papier, opgegaan in de kosmos.”

“En dan gebeurt er in het gedicht iets, zo stelde ik in mijn college, een verdwenen geachte stem mengt zich in het geruis en de vogelgeluiden die uit het universum tot ons komen. Hij luistert: het is 1959, het is 1896, het is nu, hier in de keuken. En ineens is het de stem van de dode Nescio, die een verhaal leest over het geluk van het verlangen naar geluk. Wat gebeurt er dan: ontroering, want een man, een houtduif, een trein en wat licht kwamen uit het ongerijmde samen. De fysica en de metafysica proberen al eeuwen die ervaring te neutraliseren, wetmatig, verklaarbaar te maken, herhaalbaar. De patafysica laat het uitzonderlijke, eenmalige intact.

K. Michel: “Een kraakhelder commentaar.”

Openbaarheid prijs

Grote dikke men, een van de laatste klassepatiënten, in coma sedert mensenheugenis, althans niemand die hier werkt kent haar bij de tijd,

glimlacht zonder bedoeling, wie haar nadert breekt ze de rug. Dat onrobuuste glimlachje is echter lieftallig, mondhoekerij in het grote gezicht, groot schaduwbed, de grote duistere kamer.

Haar voeten kietelen, haar toch toespreken; aai hersenen; kam hersenen; voorzichtig. Halfdonker bewusteloos menmeisje.

Tonnus Oosterhoff

Kopland: “Ik ben dokter en psychiater en heb veel met lichamen te maken gehad, lichamen die spraken en lichamen die niet spraken. Lichamen die niet meer spreken zijn confronterend.”

Oosterhoff: “Dat lijkt me een machtige ervaring.”

Kopland: “Je speurt naar een beweging, een gebaar, een reaktie op prikkels: op een watje, een naald, een lichtflits, een geluid, een woord. Je verlangt hevig naar taal, zoals een moeder verlangt naar woorden waarmee zij de signalen van haar kind begrijpt.”

“De verteller staat bij een ziekbed. Daar ligt 'een grote dikke men'. Wat is een men? Men is niemand, men is de naamloze, openbare iedereen. In coma sinds mensenheugenis, althans niemand die hier werkt kent haar bij de tijd. Je kunt iemand bij naam kennen. Iemand kan bij de tijd zijn, weten wat er gebeurt in de wereld. Maar dat is geen men, dat is iemand zonder naam. Zo weg is ze, weg uit het geheugen, weg uit de taal. Glimlacht/ zonder bedoeling, wie haar nadert breekt ze de rug. Je leest een welkom, een uitnodiging tot naderbij komen, opnemen, maar wees gewaarschuwd, het is een grimas, niet naderen, niet opnemen, ze is te zwaar, ze breekt je rug, ze breekt je verlangen om haar op te nemen.”

Trouw: “En dan dat fraaie woord 'mondhoekerij'.”

Oosterhoff: “Ik merk dat ik steeds meer neig naar neologismen. Een trekje dat me niet bevalt. Een gedicht moet eenvoudig zijn.”

Kopland: “Dikdoenerij, praatjesmakerij, bangmakerij, allemaal woorden waarvan de strekking is: ik geloof er niet in, het is theater. Het zijn ongeloofwaardige mondhoeken, ze suggereren een glimlach.”

Jansma: “Het gaat van die grote dikke men, via het gedicht naar het menmeisje, log en groot wordt het opeens mensenwerk. Ik vind dat 'aai hersenen, kam hersenen' erg mooi. Lieflijk, of juist niet. Dat kammen, dat ordenen van haren op een kop.”

Oosterhoff: “Het is toch een beetje teder allemaal.”

Kopland: “Openbaarheid? Prijs? Het is precies wat je bevangt bij een bewusteloze: daar ligt het nu, open en bloot, prijsgegeven, dat is de prijs.”

Oosterhoff: “Ik heb dit gedicht destijds vooraan in de bundel gezet omdat ik bang was voor de publiciteit, voor aandacht. 'Wie haar nadert breekt ze de rug', als je je eenmaal aan de openbaarheid prijsgeeft, wordt je de rug gebroken. Als je gaat interpreteren, worden gedichten die eigenlijk in coma zijn aan de openbaarheid prijsgegeven. Tegelijkertijd gaat het gedicht over een lichaam dat in coma is. Kopland heeft eens vastgesteld dat in haast alle gedichten die uit de bundel 'De ingeland' lichamen en lichaamsdelen voorkomen. Dat is blijkbaar mijn domein. Alleen op dat gebied heb ik iets te zeggen. Ik vind het natuurlijk jammer dat ik niet iemand anders ben, ik ervaar mijn beperktheid als een probleem. Maar ik ben tegelijkertijd blij dat ik grenzen tegenkom: zo laat ik zien dat ik iemand in het bijzonder ben, een 'kerel uit een stuk'.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden