'Mooi, als je aan een titel kunt zien wie de schrijver is'

In de serie Elementaire delen vertellen vooraanstaande auteurs steeds over een aspect van hun vak. Deel 5: Oek de Jong over titel en slot van een roman.

Oek de Jong (60) heeft zichzelf in een luxueuze positie geschreven. Sinds zijn debuutroman 'Opwaaiende zomerjurken' uit 1979 (ruim 230.000 exemplaren verkocht) kan hij helemaal schrijver zijn en niks anders dan dat. Er verschijnen niet veel romans van zijn hand, maar als er een boek uitkomt, dan is het succesvol. Zijn laatste, 'Pier en Oceaan' werd weer warm ontvangen met nominaties en onderscheidingen van de grootste literatuurprijzen van Nederland en Vlaanderen. Als de grootste opwinding over die tweedelige roman voorbij is, kan De Jong werken aan een tachtig pagina's tellend essay met als werktitel 'Lof van de roman'. Hij beschrijft daarin romans van andere schrijvers. "Dit is het moment daarvoor. Ik sta nu op de top van mijn kunnen."

We worden ontvangen in de bibliotheek van De Jong, in zijn huis aan de Amsterdamse Keizersgracht. Een royale, rustgevende kamer met uitzicht op de stille stadstuinen beneden aan de achterkant.

Is dit de kamer waar u schrijft?
"Nee. Ik houd van de intimiteit van een kleine kamer. Deze ruimte is veel te groot voor mij om te kunnen schrijven. Boven is een kleinere kamer, daar schrijf ik. Althans, als ik in Nederland ben. Het liefst schrijf ik in mijn huis in de Franse Ardennen. Daar heb ik een schaftkeet in de tuin staan. Weet je wel, zo'n wagen waarin bouwvakkers hun boterham eten. De tafel waar de stratenmakers aan zaten te schaften, gebruik ik nu als werktafel. Ik heb er wel een mooie houten vloer in laten leggen en er zit nu dubbel glas in. Er is daar totale rust, ik zit daar midden tussen de meidoorns. Hier in Amsterdam is er altijd de energie van de grote stad om je heen. Afleiding. Drukte. Ik kan in Amsterdam goed schrijven, maar in Frankrijk twee keer zo snel. Toen ik met het laatste gedeelte van 'Pier en oceaan' bezig was, waren er dagen dat ik wel vier, vijf pagina's per dag schreef."

'Pier en oceaan'. Hoe kwam u op die titel?
"Het is de titel van een reeks tekeningen en schilderijen van Mondriaan, die hij maakte in de tijd dat hij min of meer in Nederland zat opgesloten. De Eerste Wereldoorlog was uitgebroken en hij kon niet terug naar zijn atelier in Parijs. De zomers bracht hij door in Domburg en daar zag hij de paalhoofden op het strand die hem inspireerden tot de reeks 'Pier en oceaan'. Ik ben in de jaren tachtig veel met Mondriaan bezig geweest. Ik was al heel ver met mijn nog titelloze roman en vond dat het tijd werd om een titel te bedenken. Je moet daar de tijd voor nemen, heb ik geleerd. Ik begon een lijst aan te leggen en de eerste titel die ik opschreef was 'Pier en oceaan'. Ik was er toen helemaal niet van overtuigd dat die het zou worden, er volgden nog zeker dertig titels. Wat ik wel wist, was wat voor soort titel het moest worden. Ik dacht: het moet een epische titel krijgen. Iets in de sfeer van 'Honderd jaar eenzaamheid' van Gabriel García Márquez. Ten slotte kwam ik tóch weer terecht bij 'Pier en oceaan'. Mijn hoofdpersoon Abel Roorda voelt zich enorm aangetrokken tot strekdammen, paalhoofden en dergelijke plekken aan zee. Die hele lijn van die pieren en die zee zat ook gewoon in het boek. Mijn eerste inval bleek de juiste."

Is een titel echt zo belangrijk?
"Ik vind een titel van cruciaal belang. Het is niet voor niets dat ik er zoveel tijd voor heb genomen. Zo gemakkelijk als het lijkt, is het vaak niet. Ken je 'The Old Man and the Sea' van Ernest Hemingway? Die titel ziet er zo eenvoudig en voor de hand liggend uit, maar die kwam ook niet zomaar tot stand. Hemingway had al heel wat titels genoteerd voordat hij deze vond."

"Mijn vriendin deed ook mee met het zoeken naar een goede titel - ik betrek haar vaak bij mijn werk. Zij reageerde meteen goed op 'Pier en oceaan'. Net als mijn uitgever. Belangrijk natuurlijk; je uitgever moet het ook nog goed vinden. Toch heb ik nog een tijdje aan 'Pier en oceaan' moeten wennen. Je kunt het vergelijken met de geboorte van een kind. Het kind komt, je geeft het een naam, maar vervolgens duurt het even voor dat kind die naam als het ware wórdt."

'Opwaaiende zomerjurken' zou aanvankelijk 'Pathetische sonate' gaan heten.
"Ja, maar ik merkte dat het woord 'pathetisch' voor anderen een negatieve connotatie had. Zelf zag ik vooral de betekenis 'gevoelvol', maar ik kon toch niet om de mening van al die anderen heen. Dan moet je van zo'n titel afstappen. Ik heb er geen spijt van gekregen. Opwaaiende zomerjurken is een zeer bekende titel geworden. Als je in de Van Dale kijkt bij het woord 'opwaaien', dan wordt er naar mijn roman verwezen."

De Jong staat op en loopt naar een van zijn boekenkasten. Hij stelt vast dat er verschillende soorten titels zijn. Verschillende typen. Titels die uit vier of vijf woorden bestaan, zoals 'Het verdriet van België' van Hugo Claus of 'De hond met de blauwe tong' van Jan Wolkers. Zijn eigen 'Opwaaiende zomerjurken' behoort tot dezelfde titelfamilie als 'Vallende ouders' (1983) van A.F.Th. van der Heijden. "Die zijn dan een tijdje in zwang."

"Wat ik mooi vind: als je alleen al aan de titel kunt zien van wie het boek is. 'Bouwval', 'De nietsnut' en de nooit geschreven roman 'Kwaad daglicht': dat zijn titels die alleen maar van Frans Kellendonk kunnen zijn. 'Ik heb altijd gelijk', 'Nooit meer slapen' of 'Mandarijnen op zwavelzuur': dat ís Hermans. Charlotte Mutsaers heeft ook karakteristieke titels: 'Kersebloed', 'Paardejam', 'Zeepijn'. Ze tonen meteen haar speelse geest, haar eigenzinnigheid, ze maakt nieuwe woorden. Ik vind het mooi als een schrijver zo'n uitgesproken stijl heeft, dat je zijn persoonlijkheid zelfs al in een titel kunt herkennen."

Is het slot van een roman belangrijk?
"Natuurlijk. Het verhaal moet afgemaakt worden. Ik houd ervan om een slot te maken zoals Chopin dat in zijn pianostukken deed: na de climax de luisteraar of lezer ook weer op de grond zetten."

"De plek is belangrijk. In het geval van 'Pier en oceaan' viel het slot me in tijdens een wandeling. Ik zag een plek voor me waar ik was geweest, in Finistère in Bretagne. Voor de kust ligt daar een hele archipel van rotsblokken en rotseilanden, die bij eb boven water komt en bij vloed weer verdwijnt. Een mysterieus landschap van verschijnen en verdwijnen. Dus eerst was er de plek. Daarna kwam het tijdstip: de schemering. Het tijdstip vond ik belangrijk, vanwege de mysterievolle atmosfeer en ook nog om een andere reden: het boek begint vroeg in de ochtend en eindigt in de avond. Over achthonderd pagina's wordt zo een boog gespannen.

"Ik heb het slot in één ruk geschreven. Vier, vijf bladzijden achter elkaar. In die schaftkar, ja. Met broeierig weer. Broeierig weer, dat vind ik lekker, dan werk ik altijd goed."

U brengt niet veel romans uit, maar áls er een verschijnt, dan is het een goeie. Heeft het een met het ander te maken?
"Ik denk het wel. Al mijn romans zijn succesvol. Ze worden door critici én publiek goed ontvangen. Ze verkopen goed. Dat ik niet zo veel romans heb geschreven, heeft te maken met de manier waarop ik werk. Ik schrijf niet langzaam - twee pagina's per dag gemiddeld is normaal - maar ik besteed wel veel aandacht aan de compositie. Het zijn natuurlijk ook dikke boeken. Ik schrijf ze drie keer. De eerste versie is een schets, de tweede versie is echt al het uitgewerkte verhaal, in de derde versie komt de afwerking. Het schrijven van zinnen is voor mij even vanzelfsprekend als het improviseren van een musicus. Mijn trefzekerheid is toegenomen, merk ik. "

Er zitten jaren tussen uw vorige roman 'Hokwerda's kind' en 'Pier en oceaan'. Hoe ziet een leven tussen romans bij u eruit?
"Ik ben altijd met schrijven bezig. Ik werk zes dagen per week. De meeste tijd gaat op aan het bereiken van een bepaalde diepgang. Een diepgang van het verhaal, de psychologie van de personages. Dat vergt veel tijd. De beste whisky's zijn vijfentwintig jaar gerijpt. Het gaat allemaal om rijping."

U bent wat u doet, u voelt zich schrijver. Ben je schrijver of word je het?
"Je wordt het eerst en dan ben je het. Ik maak wel onderscheid tussen 'echte' schrijvers en would be-schrijvers. Echte schrijvers zijn voor mij mensen die niet anders kunnen dan schrijven. Mensen die moeten, voor wie schrijven pure noodzaak is. Een echte schrijver is iemand die door zijn eigen obsessies wordt gestuurd."

Iemand zoals u.
"Schrijven is belangrijk voor me, ja. Het is existentieel. Schrijven is alles voor me, ik ben er altijd mee bezig. Het zal bij mij ook met obsessies te maken hebben. Het is waarschijnlijk ook bij mij, zoals bij veel andere schrijvers, terug te voeren op mijn kinderjaren."

Wanneer wist u eigenlijk dat u schrijver was?
"Op mijn 22ste publiceerde Hollands Maandblad mijn eerste verhaal. K.L. Poll was daar hoofdredacteur. Ik woonde met mijn vriendin op kamers, we hadden geen telefoon. Dus belde Poll mijn benedenburen. 'Ik wil je verhaal graag plaatsen', zei hij. Dat was de eerste bevestiging van mijn schrijverschap door de buitenwereld. Ik heb mijn vriendin omhelsd, het was een heel emotioneel moment."

Is een roman af te dwingen?
"Mijn zelfvertrouwen is nu wel zo groot dat ik denk: als ik ervoor ga zitten, dan komt er iets. Schrijven is ook een kwestie van werken. Gaan zitten en werken."

Wie is Oek de Jong?
Geboren: Breda, 1952

Woonplaats: Amsterdam en Noord-Frankrijk

Boeken en prijzen:

1979 'Opwaaiende zomerjurken', roman. Bordewijkprijs 1980

1985 'Cirkel in het gras', roman

2002 'Hokwerda's kind', roman Genomineerd voor Gouden Uil en Libris Literatuurprijs

2012 'Pier en oceaan', roman in twee delen. Bekroond met de Gouden Boekenuil en gewaardeerd door de jury van de Libris Literatuurprijs.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden