Monument van een ruïne

Bij de restauratie van monumenten worden oude materialen hergebruikt en oude bouwtechnieken opnieuw geïntroduceerd. ¿Deze kennis levert ook in het hedendaagse duurzame bouwen sneller resultaten op dan opnieuw het wiel uitvinden.¿

Cokky van Limpt

Boer Bierkens was aanvankelijk helemaal niet blij toen zijn boerderij op de Heikant in Moergestel in 2006 werd aangewezen als rijksmonument. De boerderij is sinds 1670 in de familie, maar liefst had hij haar, met de bijbehorende karschop (karrenschuur), de oude opslagschuur en de - voor dit gebied inmiddels zeldzame - schaapskooi met de grond gelijkgemaakt en er een moderne boerderij neergezet.

Het boerderijcomplex waarvan de oudste delen uit de zeventiende eeuw stammen, stond dertig jaar geleden ook al op de nominatie om rijksmonument te worden, maar toen werd de procedure gestopt wegens bouwvalligheid. Sindsdien is de staat van de gebouwen er alleen maar verder op achteruit gegaan, maar toen de provincie bij een rondgang door het Brabantse land zag dat de boerderij er nog steeds stond, besloot ze het geheel opnieuw bij het rijk voor te dragen als monument.

Dat zou echter betekenen dat eigenaar Bierkens het complex ook zou moeten renoveren en onderhouden, en dat kost geld, veel geld. Hij stapte naar zijn rechtsbijstandsverzekering om het besluit aan te vechten, maar kwam toen via zijn verzekering in contact met een klein architectenbureau uit Schoonhoven dat hem kon helpen. Dit Nederlands Adviesbureau Monumentenzorg Interieurarchitectuur is gespecialiseerd in het restaureren van monumenten, en kent bovendien de wegen om aan subsidie te komen.

Theo Elsing, directeur van het bureau, stapte naar de bestuursrechter en wist deze ervan te overtuigen dat het rijk de boerderij wel kan aanwijzen als monument maar dan ook zal moeten meebetalen aan de restauratie ervan. De drie ton subsidie die het rijk daarna heeft toegekend, dekt ruim een derde van de 800.000 euro die het hele project gaat kosten.

Dat klinkt eigenlijk niet echt duur voor zo'n omvangrijke restauratie, zeker niet als je op foto's ziet hoe ruïneus sommige gebouwen eruit zagen: de pannen van het bouwvallige dak gewaaid, golfplaten, ingestorte vloeren. ¿Dat de restauratie relatief 'goedkoop' kan worden uitgevoerd¿, vertelt Elsing, die aan de koffie zit in de inmiddels schitterend gerestaureerde karschop, ¿komt voor een belangrijk deel doordat wij de oude materialen hergebruiken. Dat geldt niet alleen voor de bakstenen maar ook voor het hout. Elke plank, elke balk wordt tot twee keer toe nauwkeurig onderzocht. Alleen wat echt verpulverd of 'gaar' is, wordt weggegooid, de rest opnieuw gebruikt. Ook als planken of balken zijn aangetast. Dan gebruiken we de gave delen.

¿Ons uitgangspunt is altijd zoveel mogelijk de aanwezige oude materialen te recyclen en oude bouwtechnieken opnieuw te introduceren. Er bestaat heel veel belangrijke kennis op dit gebied, die al jarenlang wordt ingezet bij restauratie en renovatie van oude gebouwen. Het aanwenden van deze kennis levert sneller resultaten op dan in het duurzaam bouwen opnieuw het wiel uitvinden.¿

Bij een monument, zegt Elsing, ben je eigenlijk van nature bezig met duurzaam bouwen, omdat je zoveel mogelijk wilt behouden. Bovendien is het een stuk zuiniger. ¿Voor ons telt de monumentale waarde. Hout heeft een geschiedenis. Bouwen met nieuw hout gaat sneller dan oud hout opnieuw gebruiken, maar dan verlies je wel een deel van de historie. We hebben hier stukken nog bruikbaar hout gevonden uit 1650. Het oude houtskelet en de binten en staanders uit de 17de en 18de eeuw handhaven we sowieso. De plaatselijke aannemer, die het werk uitvoert, keek eerst nogal vreemd aan tegen het hergebruik van al dat oude hout. Maar na een stoomcursus restaureren vindt hij het nu ook heel leuk.¿

Ook het metselwerk gaat op z'n ouderwets. Dat betekent geen cement tussen de oude bakstenen, maar steenkalkmortel. ¿Cement is ook kalk¿, legt Elsing uit, ¿maar is veel harder. Cement wordt gebrand bij 1200 graden, mortelkalk bij 600 graden. En cement hecht veel harder, met als gevolg dat je de bakstenen nooit meer schoon gebikt krijgt en dus ook niet opnieuw kunt gebruiken. Baksteen-cementmuren kunnen alleen als puin worden vergruisd, maar muren van baksteen en kalkmortel kunnen na eeuwen weer worden gesloopt. De bakstenen blijven heel en kunnen opnieuw worden gebruikt en ook de oude kalkmortel kan weer worden gebruikt. Dat cement zo in trek is, komt voornamelijk doordat het binnen een dag droogt, terwijl kalkmortel daar wel twee weken over doet. Met cement bouwen versnelt dus het productieproces.¿

Het resultaat van deze zoveel mogelijk conserverende aanpak is nu al te zien in de karschop en in de opslagschuur daartegenover. De boven de ingang van de karschop uitstekende hooizolder wordt gestut door antieke balken, die toen ook al zijn hergebruikt en waarbij nu stukken en brokken vernuftig aan elkaar zijn gezet. In de opslagschuur waar de aannemer hard aan het werk is, is heel mooi het contrast te zien tussen de strak witgepleisterde muren en de grillige, stokoude balkconstructies die daar als waren het kunstwerken, donker tegen afsteken.

Sommige balken zien er voor lekenogen erg vermolmd en zwak uit en op veel plaatsen staren de graafgaatjes van houtwormen je aan. ¿En toch zijn ze sterk genoeg¿, zegt Elsing monter. ¿Alle hout is behandeld tegen insecten. En vergis je niet in het beeld, want dat zegt lang niet altijd iets over de kwaliteit. We steken een spijker of priem in het hout en als het na een centimeter of wat hard is, dan is de balk stevig genoeg.¿

Ook het voegwerk getuigt van ouderwets vakmanschap en techniek. De voegen zijn uitgehakt en opnieuw met kalkmortel gevoegd. 'Platvol', dat wil zeggen gelijk met het oppervlak van de muur, wat ook goed is voor de waterafvoer. ¿We maken per bouwwerk enkele proefvlakken, om de korrelstructuur en de kleur van de mortel af te stemmen op de rest van het voegwerk¿, vertelt Elsing, die ook nog op een leuk detail wijst in het voegwerk van de oude boerderij. De voegen van het woonhuisgedeelte verschillen van die van de aangrenzende stal: met een dun horizontaal streepje in elke voeg oogt het verblijf van de mensen zo net iets chiquer dan dat van de dieren.

Met de renovatie krijgt het bedrijf van boer Bierkens deels ook een nieuwe bestemming. Elders in Moergestel heeft hij nu een gemengd boerenbedrijf. Hij houdt koeien en verbouwt asperges, en tarwe voor de plaatselijke molenaar. Als de oude familieboerderij straks ook is gerestaureerd, verhuist hij met zijn vrouw naar de Heikant. Hij wil wat vee aanhouden en gaat door met de verbouw van asperges en de tarwe, maar zijn bedrijf krijgt er een heel andere, splinternieuwe tak bij: erfgoedlogies. In de karschop zijn al twee appartementen gebouwd en in de oude opslagschuur wordt hard gewerkt aan nog eens vier.

Bierkens' vrouw gaat nog dit voorjaar in het gerestaureerde boerenerfgoed een B&B drijven: Erfgoedlogies Den Heijkant.

Zo'n gemengd bedrijf 'nieuwe stijl', met een deels agrarische, deels recreatieve bestemming, is een beter concept voor Brabant dan megastallen, vindt Elsing. ¿Megastallen geven niet alleen stankoverlast en epidemieën, maar worden bovendien de komende jaren weggeconcurreerd door China en Oost-Europa, waar de kiloknallers van de toekomst vandaan komen. Dit pioniersproject kan een voorbeeldfunctie hebben voor andere boerenbedrijven. Ik hoop dat die werking ervan zal uitgaan.¿

Restauratie van monumenten in Griekenland, Venetië en Pruisen

Het Nederlands Adviesbureau Monumentenzorg Interieurarchitectuur in Schoonhoven is gespecialiseerd in restauratie van monumenten, gecombineerd met hedendaags design en moderne aan- en uitbouwen. Het werkt voor particulieren, stichtingen, kerken en overheden, en heeft er vaste praktijk van gemaakt om bij de uitvoering van de restauratiewerkzaamheden scholingsprojecten te organiseren voor veelal allochtone jongeren van het vmbo en mbo.

In Nederland leidde het bureau onder andere de restauratie van de synagoge in Leiden, en in Griekenland en Venetië adviseert het bij de aanpak van zout- en vochtproblemen in monumentale gebouwen. Theo Elsing richtte het driekoppige bureau op in 1991, nadat hij in 1990 als directeur van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond betrokken was geraakt bij de restauratie van de Hollandse Wijk in Potsdam.

Deze wijk werd tussen 1737 en 1742 door Nederlanders gebouwd voor koning Frederik Willem I van Pruisen, een achterkleinzoon van stadhouder prins Frederik Hendrik. Zij waren de enigen die dat konden, want de 134 huizen in een moerasgebied waren op heipalen gebouwd, net als in Amsterdam. De rode bakstenen huizen met klokgevels overleefden de DDR-tijd, maar stonden op instorten. Weer werd een beroep op Nederlanders gedaan, nu voor hulp bij de restauratie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden