Montesquieu behoedt ons voor zelfgenoegzaamheid

Dat onze rechtsstaat een kwetsbaar evenwicht vormt, bleek na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Volgens filosoof Jabik Veenbaas is daarom de tijd rijp voor een herbezinning op het denken van Charles de Montesquieu, die de moderne, democratische rechtsstaat van zijn contouren voorzag. „Zijn Trias Politica blijft een ideaal dat we als een stormlamp voor ons uit houden.” Donderdag verschijnt een nieuwe Nederlandse vertaling van het belangrijkste werk van Montesquieu: ’Over de geest van de wetten’.

De discussie rond onze Grondwet wordt de laatste jaren met grote felheid gevoerd. Dat komt doordat zich gebeurtenissen hebben voorgedaan die oude zekerheden bedreigden. De moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh leken onmiddellijk gericht tegen de vrijheid van meningsuiting, een van onze belangrijkste grondrechten. De vrijheid van godsdienst, die lange tijd sliep als een hond in de mand, keerde terug in het publieke debat. Nieuwe wetgeving tegen terreur leidde tot argwaan: werd de vrijheid van de burger nog wel afdoende gewaarborgd?

Als dit alles ons één ding geleerd heeft, dan is het wel dat onze rechtsstaat een zeer kwetsbaar evenwicht vormt. Het is dan ook geen wonder dat we opnieuw behoefte voelen om ons te bezinnen op de beginselen die geacht worden dat evenwicht te versterken. De nieuwe Nederlandse vertaling van Montesquieu’s ’De l’esprit des lois’ (’Over de geest van de wetten’), de eerste volledige vertaling sinds de 18de eeuw, verschijnt omdat de tijd er rijp voor is.

Montesquieu behoort tot de denkers die de moderne, democratische rechtsstaat van zijn contouren voorzagen. Zijn Trias Politica, zijn leer van de scheiding der drie staatsmachten, is uit de inrichting van de moderne westerse democratieën niet meer weg te denken. D’Alembert, een jongere tijdgenoot en bewonderaar, noemde hem eens brutaalweg ’de wetgever der naties’. Het bleken profetische woorden.

Montesquieu leek nou niet direct voor een hervormersrol geboren. Hij was van adel en behoorde dus tot de feodale stand die in de gistingen van de Franse revolutie zou ondergaan. Zijn volle naam luidde Charles Louis de Secondat, Baron de la Brède et de Montesquieu, en werd in 1689 geboren op kasteel La Brède, vlakbij de Franse stad Bordeaux. Zijn familie hoorde tot de zogenoemde noblesse de robe, de ambtsadel, de adel die traditiegetrouw een rol speelde in het besturen van Frankrijk.

Hij studeerde rechten aan de universiteit van Bordeaux, een studie die hem moest voorbereiden op de hoge rechterlijke functie die hij later zou erven van zijn vaders oudste broer, die zelf geen kinderen had. Toen de oom in 1716 overleed, was het zover. Montesquieu werd président à mortier (opperrechter) aan het parlement, het oppergerechtshof van Bordeaux, dat het district Guyenne onder zijn hoede had. Hij gaf er leiding aan de afdeling strafrecht. In datzelfde jaar 1716 werd hij ook toegelaten tot de Académie van Bordeaux, aanvankelijk een genootschap voor kunst, letterkunde en wetenschap, dat zich in recente jaren steeds meer op de natuurwetenschappen had toegelegd.

Zijn hart ging meer uit naar de Académie dan naar het gerechtshof. Met het gerechtshof had hij nogal eens aanvaringen, onder meer omdat men vond dat hij te vaak verstek liet gaan. In de wetenschap voelde hij zich thuis. Aan de Académie heerste de geest van Descartes, de denker van de methodische twijfel, de man die leerde dat je niets op gezag van anderen mocht aannemen en alles zelf moest onderzoeken. Die geest vormde en inspireerde Montesquieu.

In de ’Perzische brieven’, de roman waarmee hij in 1721 debuteerde, spat de cartesiaanse scepsis van de pagina’s. Een aardig detail: het verscheen anoniem in Amsterdam en moest Frankrijk worden binnengesmokkeld. Montesquieu voert in het boek twee Perzische edellieden ten tonele, Usbek en Rica, die naar Parijs reizen om het westerse leven te leren kennen en met elkaar en met hun vrienden in Perzië corresponderen over wat ze in die stad allemaal aantreffen.

Montesquieu gebruikt het perspectief van de vreemdeling om zonder de gewone vooroordelen naar zijn eigen cultuur te kunnen kijken. Dat levert een schitterende satire op, die ook de hedendaagse lezer nog op een intelligente manier vermaakt. Zo laat hij een van de edellieden, Rica, aan een Perzische vriend schrijven dat er zich in de westere wereld een machtige tovenaar bevindt die men paus noemt, en die de mensen allerlei dingen laat geloven, bijvoorbeeld dat drie evenveel is als één, dat brood dat men eet geen brood is, of dat wijn die men drinkt geen wijn is. Ook de koning van Frankrijk kan trouwens toveren: als die oorlog wil voeren, maakt hij zijn onderdanen gewoon wijs dat een stuk papier geld is en zij geloven het onmiddellijk.

De koning die hier wordt bespot, is ongetwijfeld Lodewijk XIV, de Zonnekoning, die de Franse staatsreserves uitputte met de ene expansieoorlog na de andere. Achter de satire school venijnige maatschappijkritiek. Montesquieu had gezien hoe onder het absolutische regime van Lodewijk XIV de publieke vrijheid meer en meer werd bedreigd, en die ontwikkeling baarde hem grote zorg. Niet voor niets laat hij Rica in een van zijn brieven aan Usbek vertellen dat de koning de parlementen op een zijspoor zet, omdat die hem met de waarheid confronteren, en dat hij zich omringt met een leger hypocriete, vleiende hovelingen. De angst voor despotie in Frankrijk, de angst voor een totalitair regime zouden wij tegenwoordig zeggen, obsedeerde Montesquieu zijn leven lang.

Ook zijn tweede boek, de ’Considérations de la Grandeur des Romains et de leur Décadence’, kan als waarschuwing aan zijn landgenoten worden gelezen. In dat werk probeert hij duidelijk te maken hoe het kwam dat het Romeinse Rijk uiteindelijk ten onder ging. Rome was sterk, stelt Montesquieu, zolang het een gematigde staat was, een staat waarin een dynamisch evenwicht van machten bestond. In de tijd van de monarchie begrensden koning, adel en volk aanvankelijk elkaars macht. Toen de koningen de absolute macht opeisten, maakten ze een einde aan dat evenwicht. Ten tijde van de republiek ontstond er een nieuw evenwicht: adel en volk legden elkaars macht aan banden. Maar Rome voerde veroveringsoorlogen, waardoor het rijk uit balans raakte. De grote generaal Caesar werd dictator. En hoewel het rijk zich nog uitbreidde, was hiermee eigenlijk de ondergang bezegeld. De Romeinen waren hun vrijheid kwijt.

Montesquieu bewonderde de Romeinse staat in zijn gematigde perioden, maar het was zeker niet zo dat hij nostalgisch terugverlangde naar de klassieke eeuwen. In zijn eigen tijd trof hij een staat aan die hij evenzeer bewonderde: de Engelse. Hij had Engeland zelf leren kennen, want hij had er vanaf 1729 anderhalf jaar gewoond. Hij werd er in die jaren zelfs lid van de Royal Society, het prestigieuze wetenschappelijke genootschap, en hij genoot enorm van de intellectuele en politieke vrijheid die er heerste.

De beschrijving van het Engelse staatsbestel, of eigenlijk van het geïdealiseerde Engelse staatsbestel, krijgt een ereplaats in ’De l’esprit des lois’, zijn belangrijkste boek, dat in 1748 verscheen in Genève. In Boek XI van het werk wijdt Montesquieu een lang hoofdstuk aan Engeland, en daar treffen we dan de woorden aan die in de moderne westerse democratieën min of meer tot heilige geboden zijn verheven. Montesquieu stelt dat elke staat drie machten kent en dat de politieke vrijheid van de burger alleen gewaarborgd kan blijven als die machten van elkaar worden gescheiden.

Nu was het denkbeeld van de scheiding der machten indertijd niet volstrekt nieuw. Ook de Engelse denker John Locke had in zijn ’Two Treatises of Government’ al voor zo’n scheiding gepleit en Montesquieu had Locke ook zeker gelezen. Maar Locke bracht de uitvoerende en rechtsprekende macht nog onder in één instantie. Montesquieu zag het gevaar van die bundeling in. Zijn eigen ervaringen aan het oppergerechtshof hadden hem wel geleerd hoezeer een goede rechtspleging wordt bedreigd als het landsbestuur er invloed op probeert uit te oefenen. Daarom benadrukte hij de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Je kunt zeggen dat hij Locke’s basisidee aanscherpte.

’De l’esprit des lois’ vormt een hartstochtelijk pleidooi voor de politieke vrijheid van de burger. Toch was Montesquieu allesbehalve een revolutionair. „Ik ben niet van nature geneigd dingen af te breken”, schrijft hij in zijn inleiding met recht. Het gaat hier om meer dan alleen een karaktertrek. Hij wijst er in ’De l’esprit des lois’ herhaaldelijk op hoe gevaarlijk het is om regeringen al te abrupt omver te werpen. Verandering in de inrichting van een staat moest behoedzaam worden afgestemd op een complex geheel van factoren: op de zeden en gewoonten van het volk, op de heersende religie, maar ook op het klimaat van het land in kwestie. Gebeurde dat niet, dan dreigde er chaos en kon de despoot zijn kans grijpen.

Opmerkelijk genoeg was hij ook geen volbloed democraat. Montesquieu beschouwde de democratie als een staatsvorm die veel van haar burgers eiste. Het beginsel van de democratie is de deugd, stelde hij. Montesquieu bedoelde hiermee dat de democratie zich enkel kan handhaven wanneer haar burgers bereid zijn om hun vrijheid op een ingetogen manier te gebruiken.

De democratie dient in het bijzonder twee excessen te vermijden. Ze moet zich hoeden voor de geest van ongelijkheid, maar evenzeer voor de geest van extreme gelijkheid. Wanneer de burgers bijvoorbeeld niet bereid zijn om hun macht over te dragen aan deskundige vertegenwoordigers, maar alles zelf willen doen, loopt hun vrijheid gevaar.

Bovendien functioneert een democratie volgens Montesquieu alleen goed in een klein gebied. Hoe groter het land, hoe minder de burger zich betrokken voelt bij het algemeen belang, hoe meer hij de democratische deugd kwijtraakt. Een land met de afmetingen van Frankrijk was volgens hem het meest gebaat bij een monarchie, maar dan wel bij een monarchie waarin de koninklijke macht werd gecontroleerd en begrensd door zogenoemde tussenmachten. En hij zag de adel, de stand waartoe hij zelf behoorde, als natuurlijke tussenmacht tussen vorst en volk.

’De l’esprit des lois’ maakte heel wat los. In twee jaar tijd verschenen er tweeëntwintig herdrukken van het werk en werd het in heel Europa gelezen. Maar het werd ook fel bekritiseerd. Een heikel twistpunt vormde de godsdienst. Montesquieu ging daar zeer relativistisch mee om. Hij zag de geschiedenis niet primair als het werk van een christelijke God, maar als een door natuurlijke en menselijke oorzaken gestuurd proces. En zo kon hij bijvoorbeeld verklaren dat gematigde staatsvormen zich beter leenden voor het christendom, maar despotieën weer voor de islam. Of dat een monarchie beter paste bij het katholicisme en een republiek weer bij het protestantse geloof.

Aan het verplaatsen van een godsdienst van het ene land naar het andere waren vaak nadelen verbonden, vond hij. Het absolute schrikbeeld was voor hem de manier waarop de Spanjaarden hun godsdienst aan de Zuid-Amerikaanse volkeren hadden opgedrongen. Hij stond kritisch tegenover kerkelijke bemoeienis met staatszaken, pleitte voor religieuze tolerantie en wees de Inquisitie met hart en ziel af. De rooms-katholieke kerk reageerde furieus en plaatste het boek al in 1751 op de index.

Toch kwam er ook van filosofische zijde kritiek. Denkers als Voltaire vonden dat er van zijn staatkundige theorieën te weinig hervormingsimpulsen uitgingen en dat hij te krampachtig vasthield aan het oude, onderdrukkende feodale systeem. Het Franse denken radicaliseerde in toenemende mate. Montesquieu zou dan ook niet de grote man van de Franse revolutie worden, al moet hij wel degelijk worden gezien als wegbereider, en al keert zijn idee van de machtsdeling terug in de fameuze ’Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen’ van 1789. De revolutionairen zochten dynamiet, en dat vonden ze bij Rousseau, die een monistische democratie voorstond waarin het individu zich moest onderwerpen aan één soevereine algemene volkswil.

De dictatuur van Robespierre bewees Montesquieu’s gelijk. Montesquieu had er in ’De l’esprit des lois’ op gehamerd dat plotselinge veranderingen riskant waren en dat een ongedeelde, ongecontroleerde volksmacht snel ontaardde. De radicale utopist Rousseau mag het vuur der democratie hebben opgestookt, de behoedzame pragmaticus Montesquieu was nodig om het brandende te houden.

Alle moderne westerse democratieën, ook de Nederlandse, hebben zich Montesquieus idee van de driedeling der machten toegeëigend. Maar in de grondwettelijke praktijk blijkt het nog geen eenvoudige zaak om de machten echt van elkaar te scheiden. Zo speelt de uitvoerende macht in Nederland, het regeringskabinet, ook een rol bij het maken van wetgeving. De onafhankelijkheid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, het belangrijkste orgaan van de wetgevende macht in Nederland, ten opzichte van dat kabinet was nog in recente jaren onderwerp van heftig debat: was er sprake van voldoende dualisme? De Trias Politica blijft een ideaal, dat we als een stormlamp voor ons uithouden.

De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, waar Montesquieu zo vurig aan hechtte, is in onze Grondwet nadrukkelijker geregeld. De zogenoemde ‘onafhankelijkheidswaarborgen voor rechters’, die zijn ondergebracht in de artikelen 116 en 117, garanderen dat leden van de rechterlijke macht voor het leven worden benoemd en (ik citeer uit de Toelichting bij de Grondwet van 2002) „alleen worden ontslagen op eigen verzoek, wegens het bereiken van een bepaalde leeftijd of, in de gevallen bij wet bepaald, door een gerecht, dat door de wet is aangewezen en dat tot de rechterlijke macht behoort”.

Voor leden van de Raad van State, een orgaan dat onder meer een functie vervult op het terrein van de administratieve rechtspraak, gelden vergelijkbare onafhankelijkheidsgaranties. In het bijzonder wordt hierdoor voorkomen dat bijvoorbeeld de minister van justitie of de Tweede Kamer zich met het wel of niet aanblijven van rechters of leden van de Raad van State bemoeit.

Ook Montesquieu’s theorie van de tussenmachten is zeer invloedrijk geweest. Latere denkers als Tocqueville zagen in hoe belangrijk het was om buffermachten te creëren tussen weerloze burger en machtige staat. Vandaag de dag spreekt men dan over het nut van een sterk maatschappelijk middenveld, waarbij bijvoorbeeld te denken valt aan vakbonden of aan andersoortige belangengroeperingen. In meer algemene zin hoort Montesquieu tot de grote vormgevers van de grondrechten die de privé-sfeer van de burger afschermen.

Maar ’De l’esprit des lois’ is veel meer dan alleen een grondleggend werk op staatsrechtelijk gebied. Montesquieu’s empathische, empirische methode om samenlevingen en culturen te bestuderen leidde niets minder dan een nieuw hoofdstuk in de wetenschapshistorie in. Hij stond mede aan de basis van de geschiedkunde en de sociale wetenschappen zoals we die tegenwoordig kennen. En met zijn pleidooi voor een humane rechtspleging, waarbij hij het opleggen van geproportioneerde bestraffing als grondgedachte hanteerde, beïnvloedde hij latere strafrechthervormers.

Bijzonder actueel lijken Montesquieu’s observaties over de aard en de risico’s van de democratie. Wanneer hij vaststelt dat die democratie alleen kan functioneren bij de gratie van de betrokkenheid van haar burgers, of dat men er kinderen met de democratische beginselen moet opvoeden, hoor je hem haast onze hedendaagse zorgen verwoorden. Wanneer hij opmerkt dat de democratie gevaar loopt als de vrijheid te ver wordt doorgedreven en als de gelijkheid op een te extreme manier wordt nagestreefd, denk je onmiddellijk aan recente debatten over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting en het verkorten van de lijnen tussen burger en politiek.

’Over de geest van de wetten’ is een boek dat ons behoedt voor zelfgenoegzaamheid, een boek waaraan we onze democratische geest blijvend kunnen scherpen. En daar was het Montesquieu uiteindelijk om te doen. Aan het eind van het beroemde hoofdstuk XI, waarin de Trias Politica wordt geformuleerd, schrijft hij, in dat sprankelende Frans van hem: „Il ne s’agit pas de faire lire, mais de faire penser”: „Het gaat er niet om dat wordt aangezet tot lezen, maar tot denken.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden