Monopoly

'Ga direct naar de gevangenis. Ga niet langs Start. U ontvangt geen ¿ 20.000,-.' Deze kaart van het Algemeen Fonds stamt uit 1996, het late Gulden Tijdperk. Het is een strenge kaart: zonder opgaaf van redenen moet je naar de gevangenis, terwijl je net op weg was naar Amsterdam om de Kalverstraat te kopen. Die gevangenis is niet uitnodigend: een raam met drie tralies, en achter die tralies een boeventronie. Het deerde niet, het was een spel.

Als je in een dorp woonde, dan was Monopoly je toegang tot de grote steden met hun karakteristieke straatnamen. De Barteljorisstraat in Haarlem. De Lange Poten in Den Haag.

Ook Monopoly is ooit uitgevonden. Het was de werkloze verwarmingsmonteur Charles B. Darrow, die in de jaren dertig in een desolaat stadje zijn gezin onderhield met het repareren van elektrische strijkijzers, het opkalefateren van opritten en het uitlaten van de hond voor mensen die geen last hadden van de Grote Depressie. 's Avonds richtte hij zich op de toekomst met het tekenen van legpuzzels of het bedenken van een strandspel. Niets sloeg aan.

Totdat vrienden langskwamen met een handgemaakte kopie van een gezelschapsspel uit Atlantic City, Finance. Een spel met handel in onroerend goed. Verdeeld in veertig vakjes. In een hoek was al een gevangenis. Het spel werd populair onder economen op de universiteit.

De allereerste versie was een protest tegen grote monopolisten als de staalmagnaat Andrew Carnegie en de oliemagnaat John D. Rockefeller. Latere versies leefden zich uit in de handel.

De verwarmingsmonteur maakte zijn eigen variant. Op het zeildoek van de keukentafel tekende hij de straten en gaf ze een kleur. Uit houtafval sneed hij huizen en hotels, uit stukken karton knipte hij eigendomskaartjes. Speelgeld. Dobbelstenen. Pionnen. Het spel kon beginnen: "Het spel waarbij onroerend goed zo gunstig mogelijk gekocht, gehuurd of verkocht moet worden, zodat het bezit van de spelers toeneemt - degene die het rijkst is, wordt uiteindelijk de winnaar", zoals de eerste zin van de handleiding van Monopoly luidt.

Charles B. Darrow ging met zijn spel naar een grote speelgoedfabrikant, maar die wees het af. Monopoly overtrad drie basisprincipes van een gezelschapsspel: de regels voor rente en hypotheek waren te ingewikkeld, sommige begrippen waren te moeilijk en het spel duurde te lang - zo'n spel mocht drie kwartier duren, maar Monopoly kon eindeloos voortslepen.

Darrow ging verder. Het was bijna Kerst, 1934. Hij liet een bevriende drukker op krediet vijfduizend exemplaren maken voor levering aan warenhuizen in Philadelphia en New York.

Eén exemplaar - zo gaat het verhaal - kwam in handen van een vriendin van de vrouw van de speelgoedfabrikant. Twee maanden later was de stormloop zo groot dat de fabriek twintigduizend monopolyspellen per week maakte. Het kapitalistische gezelschapsspel veroverde de wereld.

Het vakblad Economisch Statistische Berichten noemt Monopoly 'voer voor economen'. Kansberekening en rendementsanalyse, verzonken kosten en toe- en afnemende meeropbrengsten - het zit er allemaal in. Aanschafkosten, huuropbrengsten en de kans dat andere spelers op de straat komen, bepalen het rendement.

Bouw minimaal drie huizen - dat derde huis levert het meeste op. Koop Vreeburg, Biltstraat en Neude, want al die vrijgekomen gevangenen bezoeken het vaakst Utrecht. Bouw er huizen en u wint Monopoly.

Marcel Grauls: De uitvinders van het dagelijks leven (1993); Philip E. Orbanes: Monopoly. The World's Most Famous Game (2006); Joop Odink en Evert van Imhoff: 'Voer voor economen' (Economisch Statistische Berichten, juli 1997).

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden