Monnikenwerk van Bomans’ broer

De benedictijner monnik Arnold Bomans stond bekend als de ’broer van’. Binnenkort verschijnt een keuze uit zijn handschriften. ’Godfried is goed, maar zijn broer is beter’ – typische Bomans-humor, maar niet bepaald de waarheid.

Klik hier voor de video over Bomans in Triplo (1970).

Zaterdagmorgen, november 1991, net na de lauden. Een monnik versnelt even de pas en sluit aan bij de weekeindgasten in de abdij Maria Toevlucht. Het is pater Jean Baptist, benedictijner monnik, uit op een praatje – dat hij eerst met een jonge vrouw aanknoopt.

De indruk die hij toen bij me wekte, wordt versterkt door het boek ’Monnikenwerk’, dat binnenkort verschijnt. Deze man had een zwak voor vrouwen en was voor een zwijgend, celibatair monastiek leven eigenlijk niet zo geschikt.

Jean Baptist verwierf nationale roem toen hij met zijn broer op televisie verscheen, in ’Bomans in triplo’ (1970). De monnik was geboren als Arnold, broer van Godfried.

’Monnikenwerk’ bewijst dat ze erg op elkaar leken. Dol op taal, op het zoeken van de grens, het vermengen van ernst en luim, zoals Godfried het noemde, maar ook: verslaafd aan aandacht en dol op de andere kunne.

Dat laatste blijkt vooral als de pater even het klooster uit mag en in een Duits vrouwenklooster belandt. Hij raakt helemaal van de kook, wat hij tot grote hilariteit ook toegeeft: ’Ik tril helemaal, want ik heb 33 jaar geen meisje gezien, en nu zie ik een klas vol beeldschone vrouwen’. „Ik werd”, noteert hij eerder, „méér mens, dan ik in 32 jaar trappistenleven had kunnen aankweken”, ’helemaal man’ ook, door de ontmoeting met de andere sekse.

Godfried Bomans (1913-1971) gaf graag toe aan die verleiding, promiscue als hij was, zijn jongere broer vindt dat geen vrouw hebben ’blijft knagen’, maar hij vecht ertegen. Levenslang. Steeds voelt hij zich ’als een kat op het spek gebonden’.

Zijn boek zou er nooit gekomen zijn als hij niet ’de broer van’ was geweest – Arnold Bomans (1916-1996) was geen groot schrijver. „Godfried zei uit humor eens als hij mijn schrijfsels las: Arnold, ik ben blij dat jij in het klooster bent gegaan want als je in de wereld was gebleven zouden de mensen gezegd hebben: ’Godfried is goed maar zijn broer is beter’.”

Arnold had toen hij dit schreef, in 1996, zijn broer al zestien jaar overleefd. Op de vigilie van kerstmis 1971 had Arnold hem begraven. „Daarna ijlde ik naar Zundert. Zonder mijn formidabele bas (ik behoor tot de beroepsbrommers) zou de nachtmis mislukt zijn.”

Was het wel zo’n goed idee van Arnold om het klooster in te gaan? De vernederende gang van zaken binnen de muren moet hem schade hebben berokkend. Op zeker moment wordt hij bij Vader Abt geroepen. „O jé, ik heb vast weer iets uitgespookt dat is aangebracht. Reeds ging ik – gelijk toen gebruikelijk was – op mijn knieën zitten, het hoofd gebogen om de vermaning over mij heen te laten komen.”

En dan dat zwijgen. In ’Bomans in triplo’ had Arnold gezegd dat hij in de tijd dat zwijgen in Zundert de norm was, het gelukkigst was. Dat beweert hij ook in zijn brieven. Maar de beschrijving van het moment waarop er wel gepraat mocht worden, verraadt iets anders. Hij vindt het ’een genot, ongekend’. Het verplichte zwijgen is een doorgeschoten ideologie geweest, een zelfkwelling ook, ’waar we gelukkig van zijn teruggekomen’.

De zwijgplicht heeft gênante gevolgen gehad, want áls de trappisten buiten de muren mochten praten, waren ze ’zeer onbeheerst’. Beheersing vergt oefening. Dat geldt ook voor humor. Wie de buitenwereld niet kent, kan niet echt geestig zijn. Neem de volgende oneliner: „Jaloezie is fout en te vermijden, maar jaloezieën zijn goed om de zon te mijden”. Als Arnold een tijdje te werk is gesteld bij de varkens van de abdij, belandt hij in een gierput: „Tot nu toe varken met de varkens, was Jantje op ’t randje, de monnik op zijn kantje poep met poep geworden.”

Naast de selectie handschriften in ’Monnikenwerk’ moet er meer zijn. Arnold heeft zeker drie dikke boeken geschreven onder de titel ’Humor en Ernst’ – ze moeten, sierlijk gekalligrafeerd, in Zundert liggen, maar de uitgever kreeg ze niet te zien, vertelt hij desgevraagd. Het is zeer de vraag of de wens van de uitgever, om de boeken te publiceren, nog wel in facsimile, wel zo’n goed idee is – zo gevat is Arnold niet.

De geestelijke bespiegelingen, de versjes en godgeleerde stukjes getuigen niet van een groot talent. Wel van een niet te schokken vertrouwen in het gebed. En, heel overtuigend, van het effect dat kalligraferen op pater Jan de Doper had. „Door telkens rusten en naar binnen gaan wordt een echt kontakt met God verkregen.”

Broeder Jean Baptist kalligrafeerde de evangeliën en oefende een vaste hand door brieven in dat handschrift op te stellen.

Typisch Bomansiaans beschrijft Arnold hoe de intacte kegel van een opgerookte sigaret tot een wereldbezienswaardigheid wordt. Maar hoe waarheidsgetrouw is zijn oorlogsrelaas? Wist Arnold, met enige medegedetineerde geestelijken inderdaad aan Dachau te ontkomen, op Colditz-achtige wijze – gegraven tunneltje, gestolen uniformen?

Aan Godfried dankt Arnold zijn roem. Via hem komt hij in contact met Toon Hermans, bij wie hij een kruisbeeld zegent alsmede ’heel zijn groot huis door alle kamers met wijwater te besprenkelen’.

’De man met de witte das’ (1971), het beste werk van Godfried Bomans, toont een zoon die door zijn vader figuurlijk wordt verpletterd. Godfried maakte er literatuur van, Arnold niet. Die noteert slechts dat hun vader, rk kamerlid J.B. Bomans, ’autoritair’ was en een ’despoot’. De verhouding met zijn kinderen was ’niet zo ideaal geweest’.

De broers hebben beiden iets behaagzieks. Arnold wil niet de schlemiel zijn die het gym niet heeft afgemaakt, niet de koster die drie bisschopsstaven heeft gebroken, niet de archaïsche man van een voorbije tijd. Dolblij met een vriendelijke brief van Toon Hermans, en van een jonge vrouw die zijn Humor en Ernst prijst. ’Balsem op de wonde’, noemt hij dat. Net zijn broer.

Kritiek op die broer levert Arnold niet. Dat is merkwaardig. Arnold heeft namelijk erg veel tegen op kranten (die hij weigert te lezen), en boven alles tegen de televisie, die hij bestempelt als ’misschien wel de grootste rampzaligheid van onze eeuw’. Godfried was een stukjesschrijver en bovenal de eerste grote Nederlandse televisiepersoonlijkheid.

Monnikenwerk is een must voor de Bomansliefhebber. Gelukkig biedt het boek ook een aardig inkijkje in het trappistenleven. Arnold beschrijft hoe de gebarentaal schipbreuk leed op de onwil van novicen om die aan te leren. Het aantal gebedsuren werd van zeven teruggebracht tot vier uur per etmaal.

De televisie drong ook in Zundert binnen – een maaltijd werd zelfs vijf minuten vervroegd om het nieuws (van de eerste Irakoorlog) te kunnen volgen. „Een koncessie die ik wel betreur.”

Op die zaterdagmorgen in 1991 merkten de kloostergasten in Zundert nóg een verandering. De bebaarde monnik die zich bij hen aansloot, rook fris. Vroeger was dat ongetwijfeld anders, want toen ’sliep je in je dik wollen habijt dat vuil was en nat van het zweet’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden