Moeten we voortaan op of met vakantie?

Je kunt ook bladerend in het woordenboek 'op vakantie', schreef ik afgelopen zaterdag in deze rubriek. Die formulering maakte nogal wat los, want is 'op vakantie gaan' wel goed Nederlands? Sommige lezers vinden dat niet en accepteren alleen 'met vakantie gaan'. Maar is dat wel terecht?

Ook onder taalkundigen waren er ooit verklaarde 'met vakantie'- zeggers. Sommigen beschouwden 'op vakantie gaan' als contaminatie van 'met vakantie gaan' en 'op reis gaan', anderen vonden 'op vakantie' een anglicisme, geïnspireerd op 'on holiday' (Engels) of 'on vacation' (Amerikaans-Engels).

De Taalunie presenteert 'op vakantie' en 'met vakantie' tegenwoordig als gelijkwaardige varianten en verwijst de vroeger ook wel gehoorde visie dat protestanten 'met vakantie gaan' terwijl rooms-katholieken 'op vakantie gaan' naar het rijk der fabelen.

Beide varianten zijn dus correct en in feite is 'op vakantie' zelfs de gewoonste variant: in de afgelopen vijf jaar stond 'op vakantie (zijn)' ruim vier keer zo vaak in Trouw als 'met vakantie (zijn)'. Opmerkelijk, want volgens de Taalunie zien Nederlanders nog wel een betekenisverschil tussen beide varianten, waarbij 'met vakantie zijn' zelfs breder toepasbaar zou zijn. 'Op vakantie zijn' zou namelijk slechts 'ergens verblijven als tijdverdrijf of in je vrije tijd' betekenen, terwijl 'met vakantie zijn' ook kan betekenen: 'niet hoeven te werken, niet actief zijn'.

De taalwerkelijkheid geeft echter geen aanleiding te denken dat dit betekenisverschil nog door veel taalgebruikers wordt gehanteerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden