Moeten we dat willen, een topsportcultuur?

topsport | Ook al doen we niet mee aan het EK voetbal dat vandaag begint, en of we nu wel of niet een topsportcultuur hebben: het wordt een prachtige sportzomer.

Met het Europees kampioenschap voetbal breekt vandaag een lange sportzomer aan, en hier zal het er een zonder voetbal zijn. Dat zal wennen zijn, maar zullen we er minder door winnen? Nee, kan met stelligheid het antwoord zijn: het EK hadden wij niet gewonnen. Er blijven genoeg kansen over, genoeg dromen voorlopig: over de Olympische Spelen van sprintster Dafne Schippers, misschien toch ook weer over die van zwemster Ranomi Kromowidjojo of turner Epke Zonderland.

In ons hoofd - excuus, ook in het vervolg, voor het generaliserende meervoud - hadden we al zoveel gewonnen, nog voordat de sportzomer was aangebroken. Wielrenner Steven Kruijswijk zou de Ronde van Italië winnen, autocoureur Max Verstappen meteen na zijn eerste ook maar zijn tweede Grand Prix. We vielen massaal voor tennisster Kiki Bertens, die op Roland Garros partij na partij won, maar uiteindelijk natuurlijk niet die tegen de nummer één van de wereld, Serena Williams.

Wat hebben we in ons hoofd, jaar na jaar, al veel gewonnen. Is het typisch Nederlands dat dan toch niet wordt gewonnen? Niet dat het voor Kruijswijk opgaat, dat lijkt een karaktervolle jongen. Voor Bertens ook niet - zij verbeet de pijn van een kuitblessure - en het uitzonderlijke talent Verstappen gaat in zijn leven normaal gesproken nog genoeg winnen. Maar in algemene zin kan het een patroon lijken dat Nederlandse sporters de laatste slag, de belangrijkste, toch vaak niet kunnen slaan.

Sprekend over zijn eigen sport, die in Nederland al langer danig in het slop zit, sprak tenniscoach Paul Haarhuis over een 'gebrek aan topsportcultuur'. "Wij hoeven nergens aan te ontsnappen. Onze jeugd ontbreekt het aan niets. We hebben het te goed", zei Haarhuis begin dit jaar in het Algemeen Dagblad. In ons voetbal moet het roer om, heeft de KNVB bepaald. De bond stelde een plan op waarmee boven alles een winnaarsmentaliteit moet worden bevorderd. Ze zijn te slap geweest, onze voetballers, te argeloos, te verwend.

Maar zegt het werkelijk iets over ons, over Nederland sportland? Hoe is hiermee de gepassioneerde wijze te rijmen waarop de handbalsters en de volleybalsters zich plaatsten voor de Olympische Spelen? Het handbalsucces was de bekroning van een plan dat tien jaar geleden door oud-bondscoach Sjors Röttger werd bedacht. De volleybalsters werden gedreven door het vuur van hun Italiaanse coach Giovanni Guidetti, een Latijnse winnaar.

Het zijn grofweg geen andere projecten dan het Bankrasmodel uit de vorige eeuw, het maniakale verbond dat de volleybalmannen uiteindelijk in 1996 olympisch goud bracht. Een sport verheft zich tijdelijk, aan de hand meestal van onbreekbare diehards, maar de basis eronder blijft smal. Na de olympische kwalificatie dagdroomde Röttger even over professioneel handbal in Nederland. Het werd in zijn wereldje lachend als onmogelijk afgedaan. De volleybalsters hebben straks in Rio de Janeiro medaillekansen, maar met eremetaal zal hun sport niet of nauwelijks groeien - zoals dat na 1996 ook niet gebeurde.

Ziel en zaligheid

Wijst dat er dan op dat Nederland geen topsportcultuur heeft? Dat hoor je vaker. In de context van tenniscoach Haarhuis: dat we materieel en geestelijk te rijk zijn, dat onze talenten zich niet met ziel en zaligheid aan de sport hoeven over te geven om aan de armoede te ontkomen, of aan een drukkend regime. Maar ook in bredere zin: we zouden de cultuur niet hebben waarin veel voor de sport opzij wordt gezet, waarin de overheid de sport van harte en royaal steunt, waarin als het ware rails voor de sporters worden neergelegd die hen naar succes en roem kunnen leiden.

In die trant, de een wat explicieter dan de ander, mogen graag mannen spreken als Joop Alberda en Toon Gerbrands, twee oud-volleybalcoaches die hun vleugels naar andere sporten hebben uitgeslagen. Alberda was eind vorige eeuw technisch directeur van de Nederlandse sportkoepel NOC-NSF, hij had bemoeienissen met roeien, wielrennen en atletiek, en de afgelopen jaren diende hij de zwembond. Gerbrands is al bijna vijftien jaar werkzaam in het voetbal, eerst als directeur van AZ, nu van PSV. Ze verbinden ervaringen van verschillende sporten en dat kan respect afdwingen, gezag of een bredere visie suggereren: ze worden gauw als zieners gezien.

Metro vroeg hun vier jaar geleden of Nederland een topsportcultuur heeft. Alberda vond met enige reserve van wel. Het was in elk geval beter gesteld, vond hij, dan een jaar of vijftien geleden: toen 'was excelleren in de sport bijna verboden'. Zo'n uitspraak staat niet op zich. De taal is gauw zo gezwollen, van de al dan niet zelfverklaarde voorgangers die in de sport de alarmbellen (denken te moeten) luiden. Gerbrands zei in 2012 zonder aarzeling dat Nederland 'decennia' van zo'n topsportcultuur verwijderd was. De sporter staat alleen, de 'politiek doet niets' - planken van dat dikke hout.

Het zijn mannen van tegeltjeswijsheden. Gerbrands zei bij PSV dat in topsport geen excuses gelden - dat trainer en spelers zich niet achter blessures moeten verschuilen, bedoelde hij bijvoorbeeld. Het is waar natuurlijk, alle tegeltjeswijsheden zijn waar, maar tegelijk niets bijzonders. Wie kan het niet bedenken? Toch zegt de een het de ander na, nu PSV na een aantal dorre jaren twee keer achter elkaar kampioen is geworden: er zou een topsportklimaat heersen in Eindhoven, daar gebracht door Gerbrands.

Zijn het geen enge woorden, topsportklimaat en topsportcultuur? Moeten we het willen hebben, een topsportcultuur, met de totalitaire associatie die daarvan uitgaat? De politiek doet niet niets, ook niet heel veel. Maar moet de politiek heel veel doen - heel veel voor sporters, uitblinkers, die, hoe hard ze natuurlijk ook trainen, op z'n minst een niet onbelangrijk deel van hun talent hebben gekregen, via de weg van de erfelijkheid of van wie (zo u wilt, met een hoofdletter) dan ook?

Er wordt weleens gefilosofeerd over een apart ministerie van sport, met een heuse minister van sport. Rusland, om eens iets te zeggen, heeft een minister van sport. Laten we er verre van blijven. In Nederland is sport ondergebracht in een ministerie met volksgezondheid en welzijn - gevoelsmatig wel zo beschaafd. Voor sport en bewegen staat op de begroting voor 2016 een kleine 130 miljoen euro. Minder, veel minder soms, dan voor langdurige zorg en ondersteuning, zorgbreed beleid, curatieve zorg en volksgezondheid. Het zou toch wrikken, als dat anders was? Is het van overheidswege geen mooi bedrag, bijna 130 miljoen euro in één jaar voor het in beweging houden of brengen van de ledematen?

Maurits Hendriks, technisch directeur van NOC-NSF, zeurt niet. "Financieel mogen we blij zijn met onze rijksoverheid", zei hij eind 2014 zelfs woordelijk in de Volkskrant. Hij had de geluiden natuurlijk ook gehoord, toen hij er in 2009 aan begon: van de overheid was niets te verwachten. Vijf jaar later noemde Hendriks de overheid (met zijn weliswaar iets teruglopende bijdragen) de 'meest stabiele factor'. "Wij zijn geen land dat er een bak geld tegenaan smijt om internationaal indruk te maken", zei hij onlangs zonder spijt in Trouw.

Doelstelling

Het is twee keer gebeurd dat minister Schippers bijsprong, vertelde Hendriks dankbaar in het Algemeen Dagblad. Begin dit jaar kreeg de sport nog een extra subsidie van 1,3 miljoen euro. Of je je ermee bij 's werelds beste tien sportlanden schaart, zoals NOC-NSF zich ten doel stelt, mag worden betwijfeld. Maar een doelstelling moet een beetje scherp zijn, en zoals Hendriks die uitdraagt, zonder de verongelijktheid en de bombast van de sportziener, is ze draaglijk genoeg. Op de website van NOC-NSF wordt bij de ambities een aangename nuance aangebracht. Als is samengevat waarop de 'focus' (excuus voor de sportterm) moet liggen, volgt de toevoeging 'zonder de veelzijdigheid van de Nederlandse sportcultuur geweld aan te doen'.

Geen topsportcultuur, sportcultuur - dat is al een verschil. En dan die veelzijdigheid, die brengt onmiddellijk verfrissing, zo niet bevrijding: de verzekering dat het sportpad nooit in vaste groeven kan worden gebaand. We verheugen ons op Dafne Schippers, hopen dat ze in Rio de Janeiro onze sprintkoningin wordt, en daarmee die van de wereld. Wat zou het vooral mooi zijn, omdat het met topsportcultuur niets te maken zou hebben. Een jaar geleden pas koos ze voor de sprint - de meerkamp vond ze daarvoor ook zo leuk. Hoe ver staat dat af van topsportcultuur, van de illusionaire maakbaarheid van de mens, van de sporter, van de carrière, van de hoofdprijs.

Natuurlijk, Schippers kan verliezen, of niet winnen, en de analyse zou dan kunnen zijn dat ze de keuze te laat heeft gemaakt. Maar het kan ook dat een ander gewoon sneller is, beter. We zijn al gewaarschuwd. Het sportdatabedrijf Gracenote Infostrada voorspelde dat Ranomi Kromowidjojo en Epke Zonderland hun olympische titels niet zullen prolongeren. Het zou wat zijn als ze het wel doen, na een cyclus van vier jaar waarin de zwemster als ontbolsterende jonge vrouw soms even een ander leven leidde en een kilootje zwaarder was, en de turner op leeftijd zijn lichaam voelde en - is dat ook niet mooi? - als student geneeskunde coschappen moest lopen.

Misschien is het al te lang geleden, maar ze weten wat het is om op het hoogste podium te winnen. Aan de waarde daarvan willen we ook weleens voorbijgaan, in het Nederlandse sportdenken. We zeggen al dat we weten en dat Steven Kruijswijk zelf weet dat hij een ronde kan winnen. Dat weet hij juist níet. Kan Tom Dumoulin de olympische wielertijdrit winnen? Een wedstrijd van importantie won hij nog nooit, en Kiki Bertens nog nooit een groot toernooi. Het zou prachtig zijn als ze dat eens lukt, deze sportzomer of later, maar het kan óók dat ze nooit zullen weten wat het is om te winnen, om de laatste slag, de belangrijkste, te kunnen slaan.

In 'RTL Late Night' vertelde coach Raemon Sluiter deze week wat hij bij Bertens vooral had veranderd: haar neiging tot terneergeslagenheid bij verloren punten. "Aan de overkant staat een tegenstander die ook knoerthard heeft getraind, die ook de mooiste ballen wil slaan", zei Sluiter. Je kunt een punt verliezen - doorgaan naar het volgende, bedoelde hij.

Het is in alle simpelheid de essentie van sport. Je kunt van alles bedenken: dat we te rijk zijn en daardoor niet alles kunnen geven (wat natuurlijk niet onwaar is, maar wat voor Ranomi en Epke en hoevelen eerder toch níet opging), of dat we geen topsportcultuur hebben en die wel zouden moeten hebben. Belangrijker is het besef, het werkelijke besef, dat er altijd aan de andere kant, in de andere baan of in het wiel ook een tegenstander zal zijn, met al zijn bedoelingen en ambities.

Ter geruststelling, zo nodig: de cijferaars van Gracenote Infostrada voorzien dat Dafne Schippers de olympische 200 meter wint. Noteert u alvast: dat zal bij ons in de nacht van 17 op 18 augustus zijn - bijna aan het einde van de sportzomer, als de pijn van een maand voetbal zonder Oranje al lang zal zijn vervlogen.

Er wordt weleens gefilosofeerd over een apart ministerie van sport. Laten we er verre van blijven.

Sportzomer

10 juni - 10 juli:EK voetbal

27 juni - 10 juli:Wimbledon (tennis)

2 juli - 24 juli:Tour de France (wielrennen)

5 aug - 21 aug:Olympische Spelen

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden