Moet design ook al de wereld redden?

Designers hebben ons eerst verleid tot hyperconsumptie. Nu kunnen ze meehelpen aan een duurzamere wereld, betoogt filosoof Henk Oosterling, die zelf zweert bij een leven zonder auto en mobiele telefoon. Vanavond verzorgt hij de Premselalezing.

Een mobieltje en een auto zijn aan Henk Oosterling niet besteed. Dat hij geen auto heeft, omdat hij graag per trein reist en de afstand tussen huis en werk prima te doen is met de fiets, vinden de mensen niet gek. Maar hoe hij zonder mobieltje kan functioneren als hoofddocent filosofie aan de Erasmus Universiteit, terwijl hij daarnaast ook nog eens actief is op allerlei fronten en contacten heeft over de hele wereld, stuit vaak op onbegrip, vertelt hij. „Daar vallen de monden van de beleidsmakers die ik beroepshalve spreek, altijd van open. Hebben we net gepraat over duurzaamheid. En dan vraag ik wat ze daar persoonlijk mee doen. Niks dus, ze rijden weg in hun auto en allemaal hebben ze een mobieltje met coltan erin, een erts dat gewonnen wordt in wildreservaten waar gorilla’s met uitsterven worden bedreigd en in omstreden gebieden waar bloedige gevechten plaatsvinden.”

Al veertig jaar maakt Henk Oosterling (1952) zich er druk over hoe de mensheid de wereld te gronde richt. Zijn ogen gingen open, vertelt hij in zijn woning op het Noordereiland in Rotterdam, toen de olietanker Torrey Canyon in 1967 op de rotsen voor de kust van Cornwall liep met rampzalige gevolgen voor het milieu. Later las hij het boek ’Dode lente’ van Rachel Carson, waardoor hij zich in één klap realiseerde dat iedereen verantwoordelijk is voor de vervuiling. Sindsdien heeft hij zijn consumptiepatroon daar zoveel mogelijk op afgestemd. „Kijk maar eens rond”, zegt hij. Knap als we in zijn woonkamer iets aantreffen wat niet duurzaam is geproduceerd. Het gaat in ieder geval heel lang mee. Alleen voor de verf van een paar schilderijtjes staat hij niet helemaal in. En die mooie bos rozen, die hij voor 2,50 euro bij het sluiten van de markt kocht, is misschien ook niet koosjer. Hij weet niet waar de bloemen vandaan komen en hoe ze zijn gekweekt. En verder heeft zijn 17-jarige dochter ’natuurlijk’ wel een mobieltje. „Dat kun je een puber echt niet onthouden, vind ik.” En vliegen doet hij ook, al betreurt hij het dat in het kader van de crisisbestrijding nu de vliegtaks weer wordt geschrapt. Vorig jaar vloog hij met zijn dochter naar Japan, waar hij een jaar studeerde. „Een land waar we in het Westen nog veel van kunnen leren als het gaat om duurzame productiemethoden en de ambachtelijke omgang met simpele materialen.”

Ook de Premselalezing die hij vanavond houdt – jaarlijks vraagt Premsela, het Nederlands instituut voor design en mode, een gastspreker om zijn of haar visie te geven op ontwikkelingen binnen dit veld – staat in het teken van duurzaamheid. Oosterling realiseert zich dat de woorden hergebruik en duurzaamheid tegenwoordig tot vervelends toe worden gebruikt, te pas en te onpas. Moet design nu ook al de wereld redden? Deze prikkelende vraag heeft Premsela ook als lokkertje boven de uitnodiging gezet voor deze lezing. Het heeft gewerkt, want de toegangskaarten waren binnen de kortste tijd uitverkocht. Die vraag impliceert misschien iets te veel, zegt Oosterling. Maar voor hem staat vast dat designers een cruciale rol kunnen spelen bij het transformeren van de lineaire productielijnen – uitputting van energiebronnen en creëren van afvalbergen – tot cyclische processen, waarbij afval opnieuw wordt gebruikt als grondstof.

In de relatief jonge geschiedenis van design, zo’n 150 jaar geleden begonnen bij de industriële revolutie, hebben zich een paar omslagen voorgedaan. Een van de ingrijpendste vond plaats in de jaren zestig, toen design steeds meer een statusvoorwerp werd. Onder design valt in principe alles waarmee we ons omringen, van meubels, kleding en mobieltjes tot brievenbussen, auto’s en serviesgoed. Ons bestaan is doordrenkt van design. Maar naarmate de welvaart steeg en ook de jeugd steeds meer geld kreeg, ontwikkelde design zich ook tot een statussymbool.

Volgens Oosterling staat de designwereld nu voor een volgende ontwikkeling. Sommige ontwerpers hebben die stap allang gezet, zoals de Nederlandse ontwerper Piet Hein Eek, die al sinds hij in 1990 afstudeerde aan de Design Academie in Eindhoven meubels maakt van sloophout. In deze tijd van overdadigheid kiest Eek bewust voor simpele materialen en een sobere vormgeving. Ook Hella Jongerius, die in haar ontwerpen vaak teruggrijpt op oude technieken, handwerken en motieven, is hiermee bezig, zegt Oosterling. „Ze maakt voor Tichelaar kostbare objecten die naar kunst neigen, en maakt daarbij gebruik van lokale vakkennis. Voor andere producten doet ze een beroep op ateliers in Rotterdam, waar Turkse vrouwen werken. Dat is een vorm van sociaal en duurzaam design. En naast de peperdure dingen die ze maakt ontwerpt ze ook mooie, goedkope vazen voor Ikea.”

Oosterling pakt er een boek bij om meer voorbeelden te laten zien van duurzaam design, zoals kleding gemaakt van tape van cassettebandjes die anders massaal op de vuilnisbelt zouden belanden, afbreekbaar serviesgoed van granen en maïs, en een kinderstoeltje van duurzaam plastic dat je generaties lang kunt gebruiken. Als je alleen al anders naar materialen en hun toepassingen gaat kijken, kan dat tot grote vernieuwingen leiden, zegt Oosterling.

Ook uit de afstudeerontwerpen vorig jaar van studenten van de Design Academy in Eindhoven viel op te maken dat jonge ontwerpers beseffen dat het anders moet. Heel aardse, soms haast archaïsche ontwerpen zaten erbij. Volgens Oosterling zou het nadenken over en studeren op deze thematiek nadrukkelijker dan nu gebeurt, onderdeel moeten uitmaken van het lesprogramma op de ontwerpopleidingen. „De ontwerper moet zich ervan bewust zijn dat als zijn product uiteindelijk op de afvalhoop belandt, dat niet het einde betekent, maar een nieuw begin. Dat heeft gevolgen voor de materialen die hij gebruikt en de manier waarop het wordt geproduceerd. De ontwerper maakt deel uit van een keten en moet binnen die keten gaan samenwerken.” ’Relationeel ontwerpen’ noemt Oosterling deze nieuwe manier van ontwerpen die aansluit bij een ecologische visie.

Hoopgevend vindt hij het dat deze omslag zich niet alleen aftekent bij jonge designers. Ook de beroemde Franse ontwerper Philippe Starck opteert sinds kort voor ’dienstbaar en duurzaam design dat het cynisme van het grote geld en het narcisme van de individuele uniciteit achter zich laat’. Maar dat kan toch ook een handig commercieel praatje zijn, nu iedereen de mond vol heeft van ecodesign? Henk Oosterling: „Dat zou best wel eens kunnen. Maar dat hij ’transgenerationeel’ design propageert, betekent dat zelfs Starck rekening houdt met het feit dat er in het design iets fundamenteel moet veranderen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden