ColumnRob Schouten

Moest ik mijn moeder nog wel bezoeken? Kortom, ik was besmet

Te midden van alle ballonvaarten, ontsnappingen, dwaaltochten en kleurige raadsels was er opeens een mannetje verschenen met een koker op zijn rug waaruit je iets wits moest plukken: het mondkapje. Het was een flubberig geval, meer een soort tissue, het zou niet werken, maar dat deed er niet toe, het was een mondkapje.

Ik werd wakker en begreep wat er gebeurd was: het coronavirus had mijn dromen bereikt. Het onderbewuste. Tot nu toe was ik er lichtvaardig mee omgegaan, zo erg kon het toch allemaal niet zijn. Ik snapte wel dat de overheid maatregelen nam en ons op de hoogte hield, omdat ze niet laks gevonden wilde worden, maar op mij had het allemaal weinig effect. Vorige week was ik nog naar de oratie van Jacqueline Bel geweest met honderden gasten, maar die hadden elkaar na wat speels-spastische gebaren en boksen toch merendeels de handen geschud en op de wang gezoend, en ook ik had de kakelverse hoogleraar gewoon gekust om haar te feliciteren. Ook op het Boekenbal, met gemiddeld minder dan 25 centimeter armslag zag je wel wat uitgestoken ellebogen en onhandig gemolenwiek maar het merendeel omhelsde elkaar schaamteloos, vooral naarmate de avond vorderde. Het zou immers allemaal wel loslopen. De vriend die vanwege het coronavirus niet naar het bal was gekomen, vond ik in mijn hart een angsthaas. Het was gewoon een nieuwe griep, waarvan men alleen de precieze contouren nog niet wist, en die her en der oude breekbare mensen velde, zoals iedere griep dat doet. Als het RIVM dagelijks vertelde hoeveel mensen er gewoon een alledaags griepje hadden, zou je ook schrikken.

Een toepasselijke tekst, voor straf in de oude vertaling

Zo stond ik er tot mijn droom van vannacht in, maar nu werd ik toch door een lichte onrust bevangen. Stel je voor dat we werkelijk een pandemie kregen. Mijn bijbels geprepareerde brein vuurde er direct een toepasselijke tekst op af, voor straf in de oude vertaling: ‘Daarom zullen hare plagen op éénen dag komen, dood, en rouw, en honger’. Ik had zelfs het gevoel dat ik door er zo plechtstatig over te denken, het virus een beetje kon bezweren. Opeens begon immers Lombardije op me te drukken samen met Albanië, waar tegelijk met mijn droom de eerste coronapatiënten waren gesignaleerd, zo ongeveer als laatste land in Europa.

Maar wat nu? Ik leidde gemiddeld het leven van een heremiet, de kans dat ik tegen een coronapatiënt aan zou lopen was klein, maar je wist nooit of het meisje bij de kassa het misschien onder de leden had, terwijl ze het nog niet wist. Ik schudde haar hand weliswaar niet noch kuste ik haar op de wang, maar ze hoefde maar te niezen. Zo werkt angst dus, je haalt je allerlei spoken in je hoofd, omdat er een kans is dat er een tot realiteit zal uitgroeien. Op zeker moment zou in de buitenste ring van mijn kennissenkring iemand besmet raken en dan misschien een vriend, wie weet een goede vriend, een verwant. Moest ik mijn moeder, 94, nog wel bezoeken? Kon ik misschien beter naar mijn huisje in Frankrijk gaan, ver van de mensheid? Kortom, ik was besmet. Toch even opzoeken wat mondkapje in het Frans is: masque.

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden