Moerdijk bewijst Mans’ gelijk

Hulpverleners in Moerdijk. Met het plan van Jan Mans had de brand bij Chemie-Pack waarschijnlijk beter bestreden kunnen worden. (FOTO WERRY CRONE )

Jan Mans wordt volgende week burgemeester van Moerdijk, en daarmee verantwoordelijk voor de afhandeling van de brand bij Chemie-Pack. Drie jaar geleden concludeerde Mans in een vernietigend rapport dat gemeenten de milieucontroles bij grote bedrijven niet aankunnen.

Symbolischer kan het niet. Jan Mans volgt 1 februari als waarnemend burgemeester van Moerdijk Wim Denie op. Die gaat vervroegd met pensioen, omdat hij naar eigen zeggen de nasleep van de ’ramp’ bij Chemie-Pack niet aankan. Televisiekijkers die tijdens en na de brand Denie op het scherm zagen, zullen zijn conclusie delen. Deze burgemeester lijkt niet de geschikte communicatieve crisismanager die de gemeente op dit moment nodig heeft. En of hij de calamiteit zelf goed heeft aangepakt en Chemie-Pack vooraf afdoende heeft gecontroleerd, zullen de onderzoeken de komende tijd moeten uitwijzen.

Mans (PvdA, 1940) neemt zijn functie over, en als hij volgende week vanuit Limburg richting Moerdijk reist, heeft hij in zijn binnenzak zijn eigen rapport ’De tijd is rijp’ uit 2008, waarin hij de vloer aanveegt met de compleet versnipperde milieuhandhaving. Zijn nieuwe standplaats is daarvan een perfect voorbeeld.

Hoewel de bedrijfsprocessen in de industriële sector steeds complexer worden en de legale en illegale handel internationaler, is het toezicht op deze bedrijfstakken vaak in handen van lokale ambtenaren. Die zijn te druk met andere zaken, hebben te weinig kennis en zijn in dienst bij gemeenten die óók economisch afhankelijk zijn van de bedrijven die zij dienen te controleren. Dat kan niet goed gaan.

Mans zelf kreeg op 13 mei 2000 als het om de milieuhandhaving gaat zijn wake up call met de vuurwerkramp in Enschede, waar hij in die tijd burgemeester was. Door de ontploffing van het bedrijf S.E. Fireworks kwamen 23 mensen om het leven en raakten honderden omwonenden hun huis kwijt. Mans maakte in de dagen na de ramp weliswaar een krachtdadige indruk, maar later werd hem ook verweten dat hij de onwettige toestand rond het vuurwerkbedrijf als bestuurder had gedoogd. Ambtenaren knepen bij controles een oogje toe. Sinds die ervaring is Mans hardliner op het gebied van de handhaving, en wordt hij veelvuldig gevraagd voor adviezen.

Zo werd hij uiteindelijk ook voorzitter van de commissie Herziening Handhavingstelsel die in 2007 in opdracht van de toenmalige ministers Cramer (Milieu) en Hirsch Ballin (Justitie) opdracht kreeg de problemen bij de milieucontroles in kaart te brengen.

Hoewel Mans bestuurder genoeg is om beschaafd te blijven, schetst hij in onverbloemd taalgebruik de problemen. Allereerst hekelt hij het grote aantal instanties dat zich met de milieuhandhaving bezighoudt. Maar liefst 500 verschillende organisaties werken langs elkaar heen en zorgen voor een kluwen aan controles. Door de grote mate van fragmentatie, schrijft Mans, is de handhaving ’niet effectief en niet efficiënt’.

Vooral als het gaat om complexe bedrijfsprocessen met hoge en middelhoge risico’s (lees Chemie-Pack) is die controle ’niet toereikend’. Als het gaat om de opsporing van strafbare feiten door calculerende of criminele organisaties ’is de handhaving niet eens van de grond gekomen.’ Met andere woorden: milieucriminelen hebben vrij spel.

Mans gaat in zijn rapport ook specifiek in op de rol van gemeenten. Het algemene beeld is, schrijft hij, is dat deze ’zeer terughoudend zijn om meer te doen dan waarschuwen’. En dat staat haaks op de daadkracht die de centrale overheid destijds op milieugebied wilde zien. Dat disfunctioneren komt volgens Mans niet eens voort uit onwil of nalatigheid – dat moest er nog bijkomen. De kern van het probleem is volgens hem dat ’de schaal van de gemeente te klein is voor de vereiste schaal waarop handhaving moet plaatsvinden’. Het is Kleinduimpje tegen de reus.

Als voorbeeld geeft hij de reactie van grote bedrijven op de door de gemeente uitgevoerde milieucontroles. ’De belangrijkste klacht van bedrijven is niet zozeer dat zij te vaak worden gecontroleerd, maar het gebrek aan deskundigheid van de inspecteurs’. Dat klinkt als een automobilist die wordt bekeurd door een agent die niet kan schrijven. Daarbij komt nog eens dat een bedrijf in de ene gemeente anders wordt behandeld dan de andere. Wil de kennis van de inspecteurs en de kwaliteit van de controles worden verbeterd, dan zijn grootschalige diensten nodig.

Mans pleit er daarom voor de rol van de gemeenten te beperken. Ambtenaren mogen zich nog bezighouden met woningtoezicht, controles van de horeca en het verlenen van vergunningen voor evenementen. Maar ze dienen het serieuzere milieutoezicht voortaan over te laten regionale omgevingsdiensten. Dat zijn super-inspectiekorpsen met de grootte van een zogenaamde veiligheidsregio, die weer de omvang heeft van een politieregio. Die gelijke maat is belangrijk, omdat de werkzaamheden van de inspectie, het crisismanagement en de opsporing zo perfect op elkaar kunnen aansluiten.

Gemeenten, maar ook provincies en waterschappen, moeten van Mans verplicht worden bevoegdheden aan deze supercontroleurs af te staan. De regionale diensten opereren onafhankelijker, hebben meer gespecialiseerde kennis in huis, en zijn beter centraal aan te sturen.

In zo’n organisatie zou het niet langer mogelijk zijn dat een burgemeester op het journaal van zeven uur moet zien dat er al sinds drie uur ’s middags een chemische brand woedt in zíjn veiligheidsregio, zoals de burgemeester van Breda bij de Chemie-Pack-zaak wél overkwam.

Als de aanbevelingen van Mans drie jaar geleden waren opgevolgd, was Chemie-Pack waarschijnlijk beter gecontroleerd, en als de brand dan nog was ontstaan, was deze adequater aangepakt, zeker toen de rookpluim van de ene veiligheidsregio naar de andere dreef. Maar Mans plan werd nooit uitgevoerd. Daarom zit het nog in zijn binnenzak.

Hoewel de opdrachtgevers het rapport met enthousiasme in ontvangst namen, en toenmalig minister Cramer de verplichte overgang naar regionale omgevingsdiensten uiteindelijk door de Tweede Kamer loodste, stak de Eerste Kamer daar in 2009 een stokje voor. De gemeenten willen namelijk niet verplicht worden bevoegdheden af te staan. En in de Eerste Kamer wemelt het van de oud-wethouders en andere lokale bestuurders die daar alle begrip voor hebben.

Door een VVD-motie werd de verplichte omvorming naar regionale super-korpsen in de senaat weer geschrapt, en daarvoor in de plaats is er nu een zogenaamd ’bottom-up-proces’. Gemeenten moeten samen met provincies en waterschappen uitzoeken hoe zij op vrijwillige basis de schaal kunnen vergroten van de organisatie die de milieuhandhaving uitvoert. Maar zo’n aanpak leidt niet bepaald tot gezwinde spoed.

Er inmiddels een ’Dorts model’ ontstaan waar in de regio Dordrecht voor het eerst wél wordt samengewerkt. Maar de meeste gemeenten lijken meer te voelen voor slechts een digitale omarming waardoor kennis beter wordt benut, maar bestuurlijk alles verkokerd blijft.

Misschien dat een grondige evaluatie van de ramp in Moerdijk leidt tot de conclusie dat de handhaving er te gefragmenteerd was, de kennis onvoldoende en dat er vanwege economische motieven onvoldoende is opgetreden.

Ongetwijfeld staat in de aanbevelingen dat die controle moet worden verbeterd. Het rapport van Mans kan er dan als bijlage bij. Alleen de datum moet aangepast.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden