MOED

'Als het symbool voor de moed het zwaard is, dan is ook moed tweesnijdend en hebben wij ons daar in de barbaarse eeuw die achter ons ligt danig aan gesneden.'

'Voor moed, beleid en trouw.' Dat zijn de redenen waarom je de militaire Willemsorde, in Nederland de hoogste onderscheiding, krijgt. Er zit aan dat begrip moed iets eigenaardigs. Het verwijst nog altijd naar een bijzondere verdienste, zo bijzonder dat ze nog altijd kan leiden, net als in de oudheid, tot vergoddelijking. Maar er kleeft ook iets alledaags aan, iets afgeklovens, iets van 'laten we daar nu niet weer over beginnen', ook iets van weerstand en depreciatie.

Bezien wij bijvoorbeeld onze dodenherdenking. De focus valt op de slachtoffers van ongenadige barbarij. Barbarij overigens die nu juist heldendom en allesoverheersende wilskracht in haar vaandel voerde. 'Durchhalten' werd er overal aangeplakt in het platgebombardeerde Berlijn, en iedereen denkt nu 'hadden ze maar niet durchgehalten, volgehouden, waren ze maar gewoon opgehouden'. Iets wat overigens wel gebeurde aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, toen met name van Duitse zijde de soldaten de wapens neerlegden en zich overgaven zonder dat daar een onmiddellijk aanwijsbare reden voor was. Wie waren er nu dapperder? Zij die keck, belauwerd en bejubeld naar de treinen marcheerden die hen naar het front zouden brengen of zij die het na vier jaar verschrikking voor gezien hielden? Die laatsten zijn overigens niet bejubeld. Over executies aan het eind van de Eerste Wereldoorlog kan ik zo gauw niets vinden, maar Reichskanzler Dönitz, opvolger van Hitler, heeft tot de laatste dag voor de volledige capitulatie, dat wil zeggen nog zelfs na de eenzijdige wapenstilstand met Montgomery, executies doen uitvoeren op zijn dienstplichtigen, jongens nog, die dachten dat het afgelopen was. 'Life is a tale, told by an idiot', schreef Shakespeare al.

Kortom: zwaarden zijn tweesnijdend, en als het symbool voor de moed het zwaard is, dan is ook moed tweesnijdend en hebben wij ons daar in de barbaarse eeuw die achter ons ligt danig aan gesneden. Als moed iets is dat wellicht als deugd te benoemen is, maar als ondeugd kan uitwerken, hoe komt het dan dat we overal om ons heen moed aantreffen? Ik zei het al: moed heeft iets afgesletens, en dat komt doordat we omringd zijn door moed. Ik had bijna gezegd 'omsingeld' door moed.

Toen ik een jaar of twintig was, was het voor mij een openbaring dat Karl Popper schreef dat hetgeen er te kennen is, bestaat uit drie werelden: de wereld van de geest, de wereld van de stof en de wereld van de mens die stof en geest tegelijk is. Een openbaring, omdat wij God niet langer hoefden te zoeken in de fysieke wereld, als een soort bezige machinist. In deze decennia tekent zich een nieuwe, vierde wereld af: die van de virtualiteit. Virtualiteit begon zo eenvoudig, aan het eind van de vorige eeuw. Waren het niet de gebroeders Lumière die een locomotief op het publiek lieten afstomen? Was het niet Edison die een mechaniekje met een toeter 'Mary had a little lamb' liet zingen? En nu, wat denkt u als iemand tegen u zegt 'ik heb bij een vriend gisteren prachtige muziek van Sonny Rollins gehoord'. Dat Sonny Rollins bij hem op bezoek was? Als het om horen gaat, zijn de reproducties zo goed dat iedereen vergeet dat het om reproducties gaat. Dat is één zintuig. Driedimensionaal zien komt erbij. Het commerciële reukorgel is op komst, en Aldous Huxley voorspelde in Brave New World de 'feelies' al. In de auto waarschuwt een prettige vrouwenstem ons als de handrem nog vaststaat of als we linksaf moeten. Maar... het is geen stem, het is de nabootsing van een stem. Tot zover de vijf zintuigen.

Welnu, in die wereld is moed pasmunt. Dat is een wereld waarin iedereen moedig is. Noem mij één serie waarin opa, zojuist wakker geschokt uit zijn hartinfarct, zijn familie niet mild glimlachend omhelst, waarin politiemannen niet op hun eentje een overmacht van slechteriken te lijf gaan. De enigen die nog wel eens jammeren zijn bijfiguren zoals gegijzelden. Eén vrouw of één man valt jammerend uit de toon, maar laat zich ook onmiddellijk weer tot de orde roepen. Ook valt er nog wel eens een 'hoge ome' uit de toon. Daar blijft het bij. Ook de slechteriken zijn dapper. In plaats van anderen het vuile werk op te laten knappen, zoals in het echte leven, wagen ook zij zich in zintuigoverweldigende gevechten. 'Frische, fröhliche Krieg'. Volgend decennium in een theater dat u van top tot teen omsluit.

Moed is iets raadselachtigs, deel van de deugd, de virtus, en we komen hem nu vooral virtueel tegen. Virtueel hebben we er grote belangstelling voor. Als wij van virtualiteit genieten, spelletjes waarbij de doden niet meer te tellen zijn, porno, griezelige rituelen, magie, vampiers, doen we alsof de virtuele wereld daar is en wij hier. Maar is dat ook zo? Even een gemeen tussenvraagje. Stel dat de computer prachtige kinderlichamen produceert, zichtbaar, straks ook tastbaar, die gegarandeerd en bewijsbaar niet aan de realiteit zijn ontleend, is het uitleven van je wellust dan strafbaar? Makkelijk lijkt die vraag niet, want virtueel moorden mag wel. Hoe staat het met normen en waarden in de virtuele wereld?

Die vraag wordt nog wat klemmender als we inzien dat de beide werelden helemaal niet los van elkaar staan, maar elkaar doordringen en steeds meer vervlochten raken. Twee voorbeelden. Allereerst de oorlogvoering. Was de oorlogvoering in Kosovo, en trouwens ook die tegen Irak, niet een voorbeeld van virtualiteit? De training van tankcommandanten en straaljagerpiloten en ook van verkeersvliegers vindt voor een heel groot deel plaats in een virtuele omgeving, inderdaad niet van echt te onderscheiden, en die ervaring telt al als echt. Het andere voorbeeld is geld. Vroeger was geld vee, ponden ijzer, schelpen, goud. Toen werd het papier, en wat is het nu? De enige fysieke representaties zijn opgeslagen geheugenplaatsen in een computer waarvan we niet eens weten waar hij staat.

Als het nu zo is dat virtualiteit niet iets is dat aan de ene kant staat en wij aan de andere, wordt het dan niet tijd dat wij ons gaan beraden op de vraag of wij de virtualiteit moeten gaan beïnvloeden? Ik ben een optimistische natuur, maar in mijn oren klinkt nog na wat Ted Bundy zei, de grote seriemoordenaar, voor zijn executie: 'Eerst was het fantasie, en toen werd het echt.' Werpt u mij alstublieft niet tegen dat wíj het toch zijn die de virtualiteit maken. Nu nog wel, maar de special effects, zoals die grappige Jar Jar Binks uit Star Wars, komen al uit de computer. Deep Blue verslaat Karpov. De boekjes die in het Ministerie van Waarheid door de computer gedrukt werden, zijn al een realiteit. De eerste dertig jaar blijft de computercapaciteit zich voor dezelfde prijs elke anderhalf jaar verdubbelen. Als ik deze speech over tien jaar teruglees, zal ik glimlachen om mijn zo weinig vooruitziende blik.

Zou ik durven zeggen dat al dat virtuele gedoe eigentijdse uitdrukking is van een onstilbare honger naar moed, een dorsten naar moed? Wat dacht u van via internet afspreken waar je als supporter van x met supporters van y zult gaan vechten? Klinkt daaruit niet de behoefte een krijger te zijn die grote daden verricht op het slagveld? Wat dacht u van de Mount Everest, toch al een niet erg begaanbare berg, waar nu extra gevaren bij komen, zoals uitglijden over makkelijk wegrollende zuurstofflessen die er in overmaat liggen of getroffen worden door een neerstortende Italiaanse toerist die voor je uit klom? Bungee jumpen, diepzeeduiken, luchtacrobatiek, verkeerd om rond de wereld zeilen; de lijst is lang, erg lang. Allemaal Nachbildungen van grote dappere daden die in het verleden zijn verricht. Nu is daar iets interessants aan: het echte gevaar is er af, bungee jumpen kan gevaarlijk zijn -elastiek toch niet goed vast- maar de kick van doodsverachting, een element van moed, bijvoorbeeld bij de toekenning van het Victoria cross, mits betoond in het zicht van de vijand, wordt elastisch opgevangen. Dit voorbeeld staat eigenlijk voor alle voorbeelden.

Nu moeten we ons afvragen of er achter dat gedrag -dat ik als het over seks ging als nymfomaan zou omschrijven- niet een groot verlangen schuilgaat, gevangen in een helaas net iets groter onvermogen. 'Wat zou dat?', kan men mij tegenwerpen, 'die mensen vermaken zich toch en wij zagen al dat de beoefening van moed, zeker in de zin van militaire moed, patriottische moed, in de vorige eeuw nu niet bepaald als zegening heeft uitgewerkt.' De tegenwerping daar weer tegen is tweeërlei.

Stel dat er echt geen moed meer zou voorkomen in deze maatschappij. Moed is uitgebannen. De Griekse kapitein die als eerste het brandende cruiseschip verlaat om, zoals hij later verklaarde, de reddingsoperatie vanaf het land te leiden, wordt geprezen om zijn handelen in welbegrepen eigenbelang. Dichter bij huis: een jonge vrouw sjort een man uit het water die met een machine de waterkant aan het maaien was, en met dat ding in het water is gedonderd. Ze verrekt haar nek en kan haar beroep van stewardess niet meer uitoefenen. De gemeente wijst de claim af, stellende dat het water niet erg diep was geweest en dat de beknelde man niet in levensgevaar had verkeerd. Prima toch! Met deze omkering open je -dat ben ik mij bewust- een demagogische sluis. Wat denken we van de brandweercommandant die twintig minuten lang om een brandend vliegtuig heen loopt, de brand laat blussen en dan pas naar binnen gaat om daar al halfverkoolde slechts hier en daar nog zieltogende medemilitairen aan te treffen?

En u voelde hem al, en daar komt hij ook: Srebrenica. Wie van ons wil deze geschiedenis nog verdedigen? Niet allemaal tegelijk alstublieft. Toch is dat de afgelopen tien jaar steeds gebeurd. In fase één waren de toen heersende politici bang voor 'the body bags', zodat de missie, en dus ook het materieel, sterk werd beperkt. Kennelijk vanuit de gedachte dat als je nu maar geen bliksemafleider plaatst, de bliksem ook niet inslaat. Een enkele dissident moest een loyaliteitsverklaring tekenen - dat is een tijd geleden! - wat hij ook deed. Vervolgens ging het zoals het ging in Srebrenica. Nu hebben we allemaal de beelden van Karremans en Mladic op het netvlies, maar die jongens zijn als helden ingehaald. Helden zijn dus voor de Nederlandse vredesoverheid lieden die wel het eigen hachje, maar niet dat van een ander hebben gered.

En zo gaat het door. De geneigdheid tot zelfonderzoek is zeer gering. Als de politici moeten kiezen, komt er geen enquête naar de Srebrenica-affaire en wel naar de Bijlmerramp. Ik heb deze casus naar voren gehaald, niet om er een oordeel over te vellen, dat oordeel voltrekt zich toch wel, langzaam en onafwendbaar - maar om een niet fictieve, helemaal echte, niet virtuele, volkomen authentieke historie te overleggen die u inzicht biedt in wat het betekent als moed in elke fase van zo'n historie ontbreekt: in de voorbereiding, op het dieptepunt en in het naspel. O ja, als een soort rudiment van de parlementaire dualistische zede heeft de betreffende minister laten horen dat hij heeft overwogen, jazeker: overwogen, af te treden.

Is dit de bedoeling? Mijn jongste dochter had laatst tegen drie straatrovers die systematisch fietsen inlaadden, gezegd dat dat niet mocht en toen was ze hard weggelopen en had twee agenten (die honderd meter verderop surveilleerden) op de hoogte gesteld. Deze twee wetshandhavers hadden haar verzocht aangifte te doen op het bureau. Ook hier ligt de demagogie op de loer. We zitten immers allemaal vol met dit soort verhalen. Maar toch, als we dit niet willen, waaruit blijkt dan dat we het niet willen? De Nederlandse vredesoverheid stelt in elk geval geen prijs op moed, en u zult lang moeten zoeken eer u voorbeelden vindt van het tegendeel.

Een tweede argument ondersteunt de stelling dat de mensen wel degelijk verlangen naar moed. Paul van Buitenen kreeg een lintje. Het draagvlak voor deze klokkenluider was zo groot, meldde het ministerie van buitenlandse zaken, dat men daaraan toch maar gehoor had willen geven. Dat draagvlak ken ik. Ik zal u een voorbeeld geven dat mij nog altijd roert. Ien Dales overleed. Zij had de moed gehad (wij weten na de Peper-affaire pas welk een moed) integriteit van politici op de agenda te plaatsen. Wij, de leden van haar staf, waren verdrietig. En verdrietig en wel werden we in een grote bus geladen, achter de begrafenisstoet aan op weg naar de begrafenis, en hadden niet veel belangstelling voor buiten tot iemand zei 'kijk eens'. En wat zagen we. Langs de snelweg -eerst van Den Haag naar Utrecht- hadden zich grote groepen mensen geschaard die zwijgend, in zichzelf verzonken, staande met gebogen hoofd, de stoet voorbij lieten rijden. Van Utrecht naar Arnhem was het nog steeds zo. Ik heb nog nooit zoiets gezien en verwacht ook niet zoiets weer te zien. Niet onvermeld mag blijven dat wij ervan opfleurden, ook wel omdat we het gevoel hadden dat Ien dat eerbetoon weliswaar grommelig zou hebben afgedaan, maar het toch prachtig gevonden zou hebben. Terecht, want het was ook prachtig.

Ik vrees dat u mij nu aan zit te kijken of u water ziet branden. 'Het kan niet waar zijn', denkt u, want de media hebben er niet over bericht. Nee, inderdaad, de media hebben er niet over bericht.

Dat draagvlak ken ik. U zult zich herinneren dat ik in het begin van '98 niet alleen klem tussen de draaideur zat, maar daardoor ook op straat ben gezwiept. Daar was ik het niet mee eens, en mijn advocaat had mij opgedragen een zeer uitvoerig journaal van mijn wederwaardigheden te maken. Mijn voormalige secretaris, Leatitia, hielp me het uit te typen. Het kostte uren en we werden er steeds depressiever van. We gingen ten slotte maar een broodje eten. En juist op dat moment zag een man ons, hij stak over, klom van zijn fiets, greep mijn hand en vroeg: 'Mag ik u mijn respect betuigen?', en zijn voorbeeld werd door velen gevolgd. Het werd een heel oploopje. Het werd vrolijk, ook al omdat Leatitia en ik erg om onszelf moesten lachen. Had er immers niet in onze depressiviteit ook een flink stuk egocentrisme gezeten?

'Waar gaat ons verlangen naar uit?' Er past hier grote behoedzaamheid. Immers, wij weten al dat hetgeen waarmee we onze dorst naar moed nu lessen, grote gevaren in zich bergt, terwijl het ook onze dorst niet lest. We weten ook dat het verlangen naar moed ons kennelijk niet zomaar de goede richting in stuurt. Iets wat dit verlangen overigens met veel andere verlangens gemeen heeft.

Wij vinden voor dit vraagstuk weliswaar geen oplossing, maar wel bemoediging in de dialoog 'Laches' van Plato. Die dialoog begint met twee generaals die precies weten wat dapperheid is en aan het eind geven ze er opgewekt de brui aan en besluiten bij Socrates in de leer te gaan. In die dialoog volgen de definities van dapperheid elkaar op en worden keer op keer door Socrates ontzenuwd. Nummer één is van Laches: 'De bereidheid op zijn post te blijven en de vijand af te slaan zonder te vluchten.' Maar vluchten kan soms de zege brengen. En dus gaan ze een slagje dieper, en wordt het: 'Een zekere standvastigheid van de ziel.' Weer niet goed. Standvastigheid vergezeld van onverstand is schadelijk. Dan wordt het 'bezonnen standvastigheid'. Maar, alweer, zo komen ze er niet want waar heeft dat dan betrekking op? Dan is Nicias aan de beurt: 'De wetenschap van dingen waarop men bedacht moet zijn of waarop men goede moed kan hebben.' En verderop voegt hij toe: 'Volgens mij is dapperheid en voorzichtigheid slechts bij zeer weinigen te vinden, terwijl vermetelheid, waaghalzerij en bevreesdheid die met onvoorzichtigheid samengaat, veelvuldig voorkomen.' Zo ... pats, wie de schoen, de bergschoen, past, trekke hem aan.

Maar goed, ook deze definitie faalt, want het kan toch niet zo zijn dat waarzeggers het bevel gaan voeren over generaals. Dan schuift Nicias op naar de 'kennis van goed en kwaad', maar dan vraagt Socrates: 'Komt volgens u zo'n man nog iets tekort om de ganse deugd te bezitten, wanneer hij dan toch de absolute kennis bezit van al wat goed en kwaad is - meent u dat het hem nog ontbreekt aan gematigdheid of rechtvaardigheid of vroomheid?' Hiermee loopt de dialoog zachtjes aan ten einde, want dapperheid is immers maar een deel van de deugden. We moeten op zoek naar beoefening van de deugd. Het gaat om de verbondenheid van al de verworpen elementen van dapperheid met de kennis van goed en kwaad.

Een scepticus zal denken: 'Nou en ... wat brengt dit ons verder? En meer in het bijzonder, wat brengt mij dit verder?' Ik vond nog een heel mooie maxime van La Rochefoucauld: 'Echte dapperheid is zonder getuigen tot stand te brengen, wat men onder toejuichingen zou kunnen presteren.' Inderdaad, maar... waarom zou je dat doen? Dat de maatschappij of de overheid baat heeft bij de beoefening van moed, moge aannemelijk zijn, de vraag blijft 'what is in it for me?'

Laten we op dit punt Etty Hillesum aan het woord. Van haar zeiden overlevenden dat zij 'tot het einde toe een lichtende persoonlijkheid geweest is'. Ik heb gezocht in haar dagboeken naar het moment waarop zij haar dorst voor het eerst leste en ik meen dat moment gevonden te hebben. Op vrijdag 3 juli 1942 realiseert ze zich: 'Onze ondergang, onze waarschijnlijke ellendige ondergang, die nu al begonnen is in de vele kleine dingen van het dagelijks leven, heb ik regelrecht in de ogen gezien, en de mogelijkheid daarvan heeft een plaats in m'n leven gekregen, zonder dat mijn levensgevoel daardoor in kracht verminderd is.' En haar laatste aantekening van die avond is: 'De moedeloosheid is van me afgevallen en een grotere kracht dan vroeger is ervoor in de plaats gekomen. En ook dit - door met zijn eigen zwaktes en ontoereikendheden te leren leven en te aanvaarden, vergroot men zijn kracht. Het is alles zo eenvoudig en voor mij zelf wordt het steeds duidelijker en ik zou lang willen leven om het anderen ook duidelijk te maken. En nu werkelijk goede nacht.' Nu, die nacht kwam, en vlak voordat ze die inrijdt, schrijft haar vriendin Jopie Vleeschhouwer: 'Sterkte gewenst jullie allen. Wij komen allen terug en mensen als Etty handhaven zich door de moeilijkste dingen heen. Mijn gedachten gaan veel naar jullie uit.'

Ter voorbereiding van deze lezing sprak ik iemand die mij had laten weten zeer in het thema geïnteresseerd te zijn. Hij vroeg me waarom ik het gekozen had. Ik antwoordde: 'Stel, er zit hier nu een jong iemand die worstelt met een levensvraag. Voor het vinden van het antwoord op die vraag is moed nodig. Hoe kan die jongere vandaag de dag te weten komen wat moed is? Waar leren ze dat en wie leert hen dat?' Lysimachus die de eerder aangehaalde dialoog opent, stelt het gezelschap voor om leermeesters voor de kinderen te zoeken. Gebruikelijk was dat niet. Een contemporaine poëet schreef: 'Als dieren uit de heilige kudde moeten zij zelf maar kijken en weten en hun voedsel zoeken in de hoop dat ze wellicht door eigen instinct geleid ergens op iets deugdelijks zullen stuiten.' Behalve dat de kudde niet meer heilig is, lijkt me er niet al te veel veranderd te zijn. Nu, 2500 jaar later, opnieuw de vraag: wat bieden wij hun?

Ik eindig met een vertelling. Scène: de krijgsraad. In de beklaagdenbank een piepjonge Amerikaanse officier die als krijgsgevangene in Noord-Korea was gebroken toen de Chinezen hem hadden verteld dat zijn broer dood was. Hij staat terecht omdat hij op last van de Noord-Koreanen zijn vriend heeft verraden. Nadat hij veroordeeld is, vraagt de president of verdachte nog iets te melden heeft ter verzachting van zijn straf. De beklaagde zegt dat hij niets ter verzachting wil zeggen, maar toch iets wil zeggen. En hij vertelt dat hij die morgen is opgezocht door zijn vriend die wel alles had doorstaan en nu voor zijn mensen een held is. Die vriend had gezegd: 'Er zijn momenten waarop iemands leven wordt bepaald. Als het je lukt om op dat moment moed te betrachten is dat een 'moment of magnificence'.' De beklaagde voegt daaraan toe: 'Ik vraag iedereen in deze zaal dat hij inziet en zo mogelijk mee ondergaat wat ik nu moet voelen.' Einde scène, einde zwartwitfilm (acteur Paul Newman), toevallig tegengekomen zappend op de tv, het op ons gerichte elektronische kanon, die voorbode van de virtuele wereld.

Hoe zou je 'a moment of magnificence' het best kunnen vertalen? Met 'een luisterrijk moment' of 'een moment van luister'?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden