Moeder voor verscholen baby

Lien Dingemanse-Oosthoek 1921-2014

Ze kwam uit een ongelukkig gezin. Maar ze bloeide op als ze anderen kon helpen.

Het derde jaar van de Duitse bezetting was enerverend voor Lien Oosthoeks ouderlijk gezin in de Haagse Schilderswijk. Als er een Duitse patrouille in de buurt kwam, doken haar beide broers in de kruipruimte, waar ook een paar buurjongens zich schuilhielden. En dan hadden ze nog dat baby'tje in huis, waarover ook geen vragen mochten worden gesteld.

Iedereen hield zijn hart dan ook vast toen er tijdens een razzia Duitse soldaten voor de deur stonden. Een van de Duitsers zag de baby en raakte meteen vertederd. Hij dacht aan zijn eigen kleine meisje en nam de baby op schoot. Het kind begon hard te huilen, en de Duitsers lieten het gezin met rust. De 22-jarige Lien ontfermde zich weer over de baby, die zogenaamd van haar was.

Het kleine meisje had hen gered. Haar onverwachte komst, enkele maanden eerder, was ook al een zegen geweest. Dat jonge leven had de sfeer in huis verbeterd. Zelfs Liens vader, die wars van kinderen was, was blij met de baby.

Die vader was een lastige man. Iedereen ging hem het liefst uit de weg, al was dat moeilijk in de krappe woning in de Netscherstraat. Hij was koperslager van zijn vak, maar als pietje precies verdiende hij daar te weinig mee om zijn gezin dat zou uitgroeien tot zeven kinderen, te onderhouden. Als invaller voor de tramconducteurs op lijn 11 naar Scheveningen verdiende hij meer, al was dat onregelmatig.

Lien trad vaak op als tussenpersoon in het slechte huwelijk van haar ouders. Als haar moeder geen huishoudgeld had gekregen, ging Lien dat aan haar vader vragen. Hij sloeg Lien soms zo hard dat ze de hele dag hoofdpijn had. Of hij verhitte de munten die ze kreeg, zodat ze haar handen verbrandde. Maar Lien gaf geen kik, en ze huilde zeker niet.

Ze trok naar haar moeder, Bets. Die had wat van de wereld gezien. Ze was kamenier geweest bij het echtpaar Kröller-Möller, dat een grote kunstverzameling op de Hoge Veluwe zou aanleggen. Ze begeleidde de dochter op huwelijksreis naar Argentinië. Ook was ze huishoudster geweest van een Duitse weduwnaar in Engeland.

Lien zou misschien in haar voetsporen te treden toen ze op haar vijftiende van de ulo kwam, het uitgebreid lager onderwijs. Ze werd dienstmeisje in Voorburg bij de jonge advocaat Guus Belinfante en diens vrouw Hester. Tijdens de Duitse bezetting besefte Lien pas goed dat ze voor een Joods paar werkte. Niet-Joden mochten geen contact meer hebben met Joden, maar daar trok Lien zich niets van aan. In 1942-'43 bracht ze Joodse kinderen naar hun onderduikadressen. Niemand wist daarvan. Zij zweeg, ook thuis. Pas aan het eind van haar leven liet ze er iets over los.

Vader onbekend

Het echtpaar Belinfante dook in mei 1943 onder. Hester was hoogzwanger. Dat was een grote zorg, want een baby op een schuiladres zou problemen geven. Iemand anders moest het kind verzorgen. "Ik doe het wel", zei Lien.

In juni werd een meisje geboren en Lien nam haar mee naar haar ouderlijk huis. Bij de burgerlijke stand werd ze ingeschreven als haar dochter: Willy Oosthoek, vader onbekend.

Het meisje was ondervoed en ziek, ze woog nog maar twee pond. Op doktersadvies kreeg ze alleen water waarin gort was gekookt. Lien lepelde haar dat elk uur naar binnen, totdat ze weer een gezonde en vrolijke baby was.

Als er iets mis zou gaan met de echte ouders, dan zou Lien het kind naar een tante in het toenmalige Palestina sturen. Maar, zei Lien later, "ik zou haar nooit hebben laten gaan."

Toen Guus en Hester Belinfante de oorlog hadden overleefd, trok een kleine stoet van de Netscherstraat naar Voorburg. Een handkar met kinderbedje en kleertjes, en een wandelwagen met de kleine Willy. Toen ze het kind had afgeleverd, wees Lien elke vorm van dank af. Ze vertrok, alleen, zwijgend, zonder te huilen. Toen het kind haar echte naam moest krijgen, werd Lien door de politie verhoord over de onderduikperiode. Hoeveel geld heb je ervoor gekregen? werd haar gevraagd. Geen cent natuurlijk! Woedend was ze over die vraag.

Haar kleine Willy heette nu Judith Belinfante. Later zou ze geschiedenis studeren en werd ze uiteindelijk directeur van het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Daarna was ze vier jaar lid van de Tweede Kamer voor de PvdA.

Ook Lien voelde zich sociaal-democraat, al was ze geen partijganger. Dat had ze van haar moeder. Verbondenheid met de zwakkeren vond ze vanzelfsprekend. Ze bracht dat in de praktijk door in Haarlem te werken bij een tehuis voor kinderen van gevangen NSB'ers en anderen die met de Duitsers hadden geheuld. Nu de oorlog voorbij was, waren deze kinderen voor haar onschuldige slachtoffers geworden. Ze kwam voor hen op, zonder zich iets aan te trekken van wat anderen daarvan vonden.

In de avonduren volgde ze een opleiding voor maatschappelijk werk. Toen ze haar diploma had, vond ze in 1953 een baan bij de sociale dienst in Terneuzen. Het was een grote overgang van het stadse leven naar dat van het nog vrij geïsoleerde Zeeuws-Vlaanderen. Toch aardde ze er goed. Aanvankelijk had ze niet meer dan een matras op een tochtige bovenverdieping. Ze stond bekend als 'de juffrouw' die iedere maandag het geld van de bijstand rondbracht op de fiets, tot in Sluiskil. 's Nachts kon ze uit bed worden gebeld door de politie om een psychiatrische patiënt naar een inrichting te brengen.

Terughoudend

Lien kon overweg met alle rangen en standen. Maar ze liet niemand toe in haar privéleven. Als gesprekken te persoonlijk werden, dan was ze kortaf of zweeg ze. "Er zijn dingen waarover ik niet praat, die neem ik mee in m'n graf", zei ze. Tot ieders verrassing trouwde ze in 1963 met een collega, de directeur van de sociale werkplaats, Piet Dingemanse. Hij was weduwnaar, vijf jaar ouder dan zij en vader van twee al volwassen kinderen. Nog groter was de verrassing toen Lien op haar 42ste een kind kreeg, een dochter. Ze stopte met werken.

Lien was dol op kinderen. In hun buurt smolt haar gebruikelijke terughoudendheid weg. Een jongetje in de buurt, dat als vierjarige zijn moeder had verloren, nam ze onder haar hoede. Die jongen, Theo, zou trouwen met de dochter van haar man. Toen hij jong stierf aan kanker, ervoer ze dat als de dood van haar eigen kind. Ook haar man Piet bezweek aan kanker. Lien was toen 73 jaar, gezond en vitaal.

Ze was altijd bezig. Als ze even geen vrijwilligerswerk te doen had, dan breide en haakte ze gedreven. In een moment van rust wandelde ze graag naar de zeedijk om uit te waaien aan de Westerschelde.

Na haar 80ste ging haar gezondheid geleidelijk achteruit. Maar zij die gewend was iedereen hulp te bieden, had grote moeite zelf hulp te aanvaarden. Dokters zag ze ook niet graag.

Haar onderduikdochter Judith, met wie ze altijd een sterke band hield, kwam soms logeren om haar bij te staan. Liens dochter en kleindochter haalden boodschappen. Hulpvaardige buren hielden een oogje in het zeil. Toen op een dag de gordijnen bij Lien gesloten bleven en ze de telefoon niet opnam, werd de politie gebeld. Lien deed zelf open, verontwaardigd: "Ik kan niet eens meer m'n haar wassen, of de politie staat voor de deur."

Engelina Christina Dingemanse-Oosthoek werd geboren op 24 september 1921 in Den Haag. Ze stierf op 4 december 2014 in Terneuzen.

In Naschrift beschrijft Trouw het leven van onlangs overleden bekende of heel gewone mensen. Een tip voor Naschrift? Mail naar naschrift@trouw.nl Of per post naar Trouw/Naschrift, postbus 859, 1000 AW Amsterdam

Lien Dingemanse kwam op voor alle onschuldige kinderen ook die van NSB'ers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden