Moebarak als falende kostwinner

De Egyptenaren voelen zich, ook door hun eigen overheid, vernederd. Daartegen vooral richt zich de volksopstand, signaleert onze redacteur Eildert Mulder. Welke kant de revolte Egypte op zal trekken is nog niet te zeggen. Maar denkbaar is dat de Moslimbroederschap uiteindelijk de vruchten van de opstand zal plukken.

Het is riskant om de psychologie van een volk in twee woorden samen te vatten. Aan Egyptenaren lukt dat toch aardig. „Almasri moehaan”, zeggen ze. Het betekent zo ongeveer: de Egyptenaar wordt veracht, ze sollen met hem.

Het is een diep gevoel, dat misschien wel alle aanwezigen op het Tahrir-plein in Cairo doortrekt, zowel voor- als tegenstanders van president Mohammed Hosni Moebarak en misschien hemzelf ook wel. Egyptenaren kunnen die twee verschrikkelijke woorden met een brede glimlach uitspreken.

Want humor en soms wrede zelfspot houden de bewoners van het Nijldal op de been. Er is een genre bizarre grappen, waarin mensen elkaars vader en moeder beschimpen. De moeder in die grappen is niet de zorgzame, gehoorzame en trouwe vrouw van het cultuurideaal, maar een hoerige haaibaai die haar man bespot en vernedert. De man verandert van de trotse patriarch, die hij in het gewone leven zou moeten zijn, in een iel, kinderlijk mannetje, dat met zich laat sollen en troost zoekt in laffe zelfspot.

De tragiek is dat deze wonderlijke grappen niet een totaal verzonnen werkelijkheid uitdrukken. Ze geven overdreven weer wat er in een gezin kan gebeuren, wanneer een man van zijn voetstuk valt doordat hij geen geld in het laatje brengt. Sinds jaar en dag leven hele volksstammen in het land van de Nijl in behoeftige omstandigheden. De armoede heeft in zekere zin ook Moebarak in de positie gebracht van de falende kostwinner, niet van zijn gezin (bepaald niet) maar van het hele land. Ook hij is daardoor een masri moehaan, een geminachte Egyptenaar.

Overigens is het niet Moebaraks schuld dat de bevolking in zijn regeerperiode verdubbelde van veertig tot tachtig miljoen, misschien wel de belangrijkste oorzaak van de economische malheur. Het zijn astronomische aantallen, gerekend naar het bewoonbare deel van Egypte, dat even klein is als Nederland. Op de landkaart lijkt Egypte heel wat, maar het land is voornamelijk woestijn, even bewoonbaar als het Nederlandse continentale plat in de Noordzee. Ofwel, Egypte is vier tot vijfmaal zo dichtbevolkt als Nederland.

De minachting beperkt zich niet tot het materiële. Wat te denken van het optreden van de politie in dorpen in het zuiden van Egypte? Zoals een overval middernacht, waarbij de mannelijke bevolking zich op het dorpsplein moet verzamelen: voor de ogen van moeders, echtgenotes, kinderen en zusters worden vaders, echtgenoten, broers en zonen door agenten gefolterd. Voor mensonterende toestanden hoef je overigens niet naar het achtergebleven en daarom dubbel geminachte zuiden van het land, ook in Caïro of Alexandrië gebeuren op politiebureaus en in gevangenissen de ergste dingen.

De hoon voor de Egyptenaren komt niet alleen van de eigen overheid. Binnen de Arabische wereld werden ze, hoewel ze de koplopers van de moderne Arabische cultuur waren, vanwege hun armoede de ongelukkige schlemielen, die hun diensten als gastarbeider mochten aanbieden in rijke Arabische olielanden. Er is ook een tegenstroom, Saoedische toeristen vermaken zich in Caïro met zeer minderjarige Egyptische meisjes uit achterbuurten, met wie ze tijdelijke huwelijken sluiten, ingezegend door pooiers, kinderprostitutie overgoten met een hypocriet sausje sharia. En dan is er natuurlijk als eeuwige steen des aanstoots het bewonderde en gehate Amerika, dat Israël de hand boven het hoofd houdt en Irak binnenviel. Toen in 2001 Al-Kaida toesloeg in New York en Washington juichten in Egypte niet alleen geestverwanten van Bin Laden, maar ook studenten van de Amerikaanse Universiteit in Caïro, kinderen van de hoogste en rijkste elite dus. Van islamisme moesten ze weinig hebben maar de dreun in het gezicht van Amerika genoot hun instemming. Arm waren zij allerminst, toch voelden ook zij zich een masri moehaan.

De revolte is vooral gericht tegen de vernedering van de masri moehaan. Dat blijft de kern, ongeacht de politieke kleur die een eventuele omwenteling zal aannemen. Die doet er nu even nog niet toe, straks natuurlijk wel. Een volksopstand heeft in het begin iets van de onschuld van een pasgeboren kind. De eerste beelden zijn betoverend. De opstand in Caïro heeft zich ontwikkeld tot een soort icoon, een wild schilderij, met de betogers in de rol van Sint Joris en de politie en de hen ondersteunende onderwereldfiguren in die van de draak. Het Bevrijdingsplein (Tahrir), waar in 1919 Egyptische feministes demonstratief hun sluiers verbrandden, heeft zijn naam opnieuw eer aangedaan. De euforie werkt aanstekelijk. Betogers zeggen het, buitenlandse commentatoren vaak ook: dit is geen islamitische revolutie, verpest deze prachtige sfeer nou niet met zure, islamofobische kanttekeningen.

De Iraanse leider Ali Khamenei is geen islamofoob. Hij is juist het boegbeeld van de islamitische republiek, die niet alleen mensen in het geheim ophangt maar ook nog wel eens een vrouw wil laten stenigen. Toch zei juist hij dingen over Egypte, die hem, als hij een westerse commentator was geweest, zouden hebben gestempeld tot een islamofoob. Khamenei noemde in zijn laatste vrijdagpreek de Egyptische opstand een islamitische revolutie en suggereerde dat wat er nu in Egypte gebeurt hetzelfde is als de volksopstand in Iran, die in 1978 en 1979 de val van de sjah inluidde.

Andere waarnemers zullen eerder denken aan de betogingen in Teheran tegen de vervalste presidentsverkiezingen in de zomer van 2009. Die waren juist tegen het islamitische regime gericht. De opstandige jongeren in Egypte lijken als twee druppels water op hun leeftijdsgenoten in Iran. In beide steden willen de jongeren zich bevrijden van tirannie. Dat die tirannie in Egypte seculier en in Iran godsdienstig is, lijkt een bijzaak. Khamenei zou, zo heet het in commentaren, juist bang moeten zijn voor de opstand in Egypte, omdat die de oppositie in zijn eigen land een hart onder de riem zou kunnen steken. Het is verder van het botste cynisme dat hij juist nu de revolte in Egypte prijst, nu zijn eigen beulen zijn begonnen betogers van 2009 op te hangen. De verleiding is groot om de vrijdagpreek van Khamenei af te doen als wartaal, passend bij een regime dat de holocaust ontkent en de afgelopen jaren een hysterie toeliet rondom een messiaanse beweging, die de terugkeer van de ’mahdi’ en mogelijk ook Jezus voorspelde.

Toch is er reden om de ’geestelijke gids’ serieus te nemen. Zelfs als hij nu nog geen gelijk heeft. Want gelijk kan hij nog steeds krijgen. Khamenei kijkt niet naar de politieke opvattingen van de Egyptische betogers. Die zijn heel divers. Onder hen zijn islamisten, je ziet op het plein nikabs, maar anderen gruwen juist van de politieke islam. Khamenei laat zich door die laatsten niet ontmoedigen. Hij gokt erop dat zijn geestverwanten de opstand kunnen kapen en die alsnog kunnen omzetten in een islamitische revolutie. Want precies zo is het in zijn eigen land gegaan eind jaren zeventig. Het ’kapen’ van een revolutie is niet typisch Iraans. Ook de revolutie van 1917 in Rusland begon als een volksopstand. Pas later grepen de goed georganiseerde bolsjewieken van Lenin de macht. En de Franse revolutie zette uiteindelijk Napoleon op de troon.

Ook de opstand tegen de sjah in 1978 begon niet als een islamitische revolutie. Net als nu in Egypte was het een spontaan protest tegen een door het westen gesteunde alleenheerser. Verschillende groeperingen lagen op de loer om die nog maagdelijke volksopstand te ’kapen’. Dat waren niet alleen de islamisten, ook linkse groeperingen lieten zich geducht gelden. Pas later trokken de ayatollahs de volledige macht naar zich toe.

Aan een andere volksopstand in een islamitisch land, Algerije, denkt niemand met vreugde terug. Daar betoogden in november 1988 jongeren tegen de verhoging van voedselprijzen. Religie speelde aanvankelijk nauwelijks een rol. Een jaar eerder was de eerste Palestijnse intifadah tegen Israël begonnen. Alle Arabische media, ook de Algerijnse, verheerlijkten het Palestijnse heldendom. Maar toen de Algerijnse jeugd het voorbeeld van hun Palestijnse leeftijdgenoten volgde en ook massaal de straat opging kregen mitrailleurs het woord. Er vielen 1600 doden, waarna het bewind democratie beloofde. Eind 1991 behaalde de islamitische FIS-partij een klinkende verkiezingsoverwinning. Het leger pleegde een staatsgreep, de burgeroorlog die volgde kostte 200.000 mensen het leven.

Een denkbaar scenario in Egypte is dat de moslimbroeders uiteindelijk de vruchten van de opstand zullen plukken. Ze zouden dan de steun kunnen krijgen van de Al-Azhar Universiteit, misschien wel het belangrijkste theologische instituut in de islamitische wereld. De Azhar loopt nu nog aan de leiband van de Egyptische overheid, maar grommend. De moslimbroeders hebben diepe wortels in de Egyptische samenleving. Hun organisatie is in de jaren twintig van de vorige eeuw opgericht door de activist Hassan Al-Banna. Samen met tal van andere groepen bestreden ze de resten van het Britse koloniale bewind, in een tijd dat Egypte half onafhankelijk was, maar er nog wel Britse troepen in het land waren gelegerd. De Egyptische geheime dienst vermoordde Hassan Al-Banna in 1949. Zijn jongere broer Gamaal leeft nog. In zijn reusachtige familiebibliotheek in Caïro staat een tafel. In 1952 pleegden militairen een staatsgreep tegen de toenmalige koning Faroek. Er was toen nog samenwerking tussen het leger en de moslimbroeders. Militairen hebben, kort voor hun staatsgreep, bij die bewuste tafel, waarop een koran en een pistool lagen, gezworen dat ze het land volgens het woord van God zouden regeren.

De liefde was snel voorbij. In de jaren zestig stopte de toenmalige militaire dictator Nasser grote aantallen moslimbroeders in de gevangenis, waar hij hen verschrikkelijk liet folteren. Zijn opvolger Sadat liet begin jaren zeventig veel van deze mensen weer vrij. Hij zocht steun bij de moslimbroeders tegen linkse groeperingen, die toentertijd vrij sterk waren, vooral op de universiteiten. Maar inmiddels was een deel van de moslimbroeders zwaar geradicaliseerd. Uit deze groep kwamen de mensen voort, die in 1981 Sadat vermoordden, bij een militaire parade. Moebarak, ook een militair en destijds vicepresident, stond pal naast Sadat op het podium, maar overleefde de aanval.

De radicalen ontketenden in de jaren tachtig en negentig een soort guerrilla. Het dieptepunt was in 1997 de aanslag in Luxor, waarbij 62 mensen, merendeels buitenlandse toeristen, omkwamen. Aiman Zawahiri, de tweede man van Bin Laden, is een van die geradicaliseerde Egyptenaren. Minder radicale moslimbroeders kregen onder Moebarak een gedoogstatus. Hun organisatie bleef officieel verboden maar ze kregen vaak wel toegang tot het parlement. Moebarak voerde een evenwichtspolitiek. Na een verkiezingszege van de moslimbroeders sloot hij geregeld enigen van hen een tijdje op. Om te bewijzen dat de islam bij hem toch in goede handen was gooide hij zo nu en dan ook weer aanhangers van de bahaigodsdienst een tijdje in de cel.

Liberale Egyptenaren zijn principieel tegen de dictatuur maar staan voor een vreselijk dilemma, want invoering van echte democratie zou de moslimbroeders aan de macht kunnen brengen. De door hen verfoeide militaire dictatuur beschermt de liberalen wel tegen de islamisten. Dit dilemma speelt nog steeds en misschien wel erger dan ooit te voren, nu de dictatuur echt wankelt. Het is ook het dilemma van het westen, op langere termijn zijn de Arabische dictators schadelijk voor de westerse belangen maar op de korte termijn lijken ze onmisbaar om een islamitische tirannie te voorkomen.

De tegenstelling is te zien op het plein, waar enerzijds namens de liberalen mensen als Mohammed ElBaradei rondlopen en anderzijds moslimbroeders. Met daartussen de jongeren, die zijn voorzien van de communicatietechnologie van de moderne tijd. Van al die groepen hebben de moslimbroeders ontegenzeglijk de sterkste organisatie. De moslimbroeders op het plein schijnen nu en dan te roepen dat de islam de oplossing is waarna anderen roepen dat alle heil komt uit Tunesië, dat zijn dictator verjoeg. Het probleem is dat niemand nog met zekerheid kan zeggen hoe de omwenteling in Tunesië zal aflopen. Ook daar kunnen geestverwanten van de Egyptische moslimbroeders uiteindelijk aan het langste eind trekken.

Dit alles versterkt het verkooppraatje van Moebarak: ’Pas op, na mij komt de chaos’. Maar hij verpestte het woensdag weer definitief. Met een korte handbeweging en een agemeten ’Jalla’ joeg hij een Egyptisch tv-team weg toen hij het genoeg vond, hoewel honderdduizenden betogers hem nu al weken oproepen te vertrekken, zonder dat hij een vin verroert. Met de staart tussen de benen dropen de tv-makers af. Beter had de president de nationale frustratie over de masri moehaan, de vernederde Egyptenaar, niet in beeld kunnen brengen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden