Modernist onder vrouwen

Met een zelfs voor de huidige tijd ongekende chic dreef de Amsterdamse firma Hirsch aan het einde van de 19de eeuw een modesalon waar de haute volée van die tijd zo'n beetje kind aan huis was. Gedurende enkele jaren was dit modehuis het natuurlijke decor voor de schilder Isaac Israëls (1865-1934) die er met veel schik voor het vrouwelijk schoon zowel de modemaaksters als het kopend publiek vastlegde.

Israëls had met Hirsch (het pand op de hoek van het Leidseplein draagt nog altijd die naam, al zitten er nu allerlei kantoren) goed vergelijkingsmateriaal. Hij schilderde en tekende immers ook in soortgelijke modehuizen in Parijs. Bovendien vond hij daar tijdens het lunchuur (dat wil zeggen rond het tijdstip van 12 uur, midi in het Frans geheten) in de midinettes op straat willige modellen. Hoewel deze periode niet tot een stijlomslag in het werk leidde, zag het Gemeentemuseum Den Haag er een mooie aanleiding in om de periode als een zelfstandige ontwikkeling in het oeuvre uit te lichten. Enigszins foutief is de tentoonstelling 'Isaac Israëls in de mode' genoemd, wat er op zou wijzen dat de schilder ook daadwerkelijk op modegebied actief was.

De uitvoerige presentatie in het Gemeentemuseum maakt duidelijk dat het Israëls in de eerste plaats ging om het weergeven van de wijze waarop 'de vrouw' zich presenteert. Dat ze er, eenmaal in de mode gestoken, ook goed uitzag, dat wil zeggen vrouwelijk, moet een bijkomende aanleiding zijn geweest om haar te schilderen. Israëls is dus geen mode-schilder geworden, netzomin als Degas een dansschilder en Toulouse-Lautrec een hoerenschilder was.

Om nog een andere reden kan Israëls met Degas en Toulouse-Lautrec worden vergeleken. In Israëls hebben we een van de schaarse Nederlandse schilders gehad die alleen op Europees niveau zijns gelijke vond. Israëls werkte in een stijl die heel Frans georiënteerd was en dus ook in Parijs veel ingang vond. Ver staat zijn werk af van de in zijn tijd zo lustig bedreven Haagse School, een stijl die tonalistische trekken had en zich vooral manifesteerde in een palet van oneindige schakeringen van grijs en parelkleur. Israëls koos voor veel levendiger kleuren die hij -meestal- losliet op menselijke onderwerpen. Landschappen en watergezichten hadden allerminst zijn voorkeur, ook hierin kan hij vergeleken worden met Degas en Toulouse-Lautrec. Die liepen ondanks het mooie zuidelijke weer het liefst een theater of bordeel in om daar het onderwerp van hun voorkeur te vinden. Zelfs als ze buitenlicht in hun werk toelieten (Degas bij de paardenraces bijvoorbeeld), dan nog ging het om een cultureel bepaalde omgeving.

Bovendien nam Israëls gelijk zijn grote buitenlandse collega's afstand van de academische schilderstrant door een bewust spontane en in die tijd soms zelfs lelijke toets te gebruiken. Israels moet een snelle schilder zijn geweest. Het ging hem niet om het vastleggen van snel wisselende weerssituaties als wel om het oproepen van de dynamiek die de belle epoque zo kenmerkte. Israëls moet zich bewust zijn geweest van de komst van een nieuwe tijd, waarin de (culturele) macht toekwam aan de stedeling en die van het platteland op het punt stond te verdwijnen. Deze eigentijdse aanpak was rond het begin van de 20ste eeuw bij nog weinig schilders terug te vinden, met uitzondering van George Hendrik Breitner en naar we nu weten sinds de laatste Leidse presentatie, bij een schilder als Floris Verster.

Hoe eigentijds Israëls wilde zijn, liet hij onder meer in 1917 blijken. In dat jaar portretteerde hij een half naakt model wier vormen en profile afsteken tegen een voorstelling van de Zonnebloemen van Vincent van Gogh. Van Gogh was op dat moment al 27 jaar dood, maar het grote publiek had hem zo juist ontdekt als een van de wezenlijke vernieuwers van een schilderkunst die in menig oog was vastgelopen. Van Gogh was in de eerste decennia na zijn dood nog een echte schilder-voor-schilders die met name de vernieuwingsgezinde beweging in Duitsland en Frankrijk de weg wees. Op een enkele uitzondering na (zijn model Sien) heeft Van Gogh geen naakten geschilderd. Door de jonge vrouw half ontkleed voor het doek te zetten, legde Israëls dus een soort van dubbele bodem voor de kijker die op deze wijze Israëls beter kon positioneren in de kunstgeschiedenis. Op dezelfde wijze fungeerde ook de mode in zijn onderwerpkeus: het nieuwste van het nieuwste was hem nog niet nieuw genoeg.

Zo'n door de tijd geïnspireerde visie kan niet al te lang stand te houden. Ergens in de jaren '20 raakte Israëls dan ook uitgekeken op de modesalons en zocht hij zijn modellen voortaan elders. Op de vrouw zelf was hij echter allerminst uitgekeken, de wijze waarop ze zich presenteert bleef altijd zijn voorkeur behouden. Om de psyche achter de verschijning bekommerde hij zich niet, een echte expressionist werd hij dan ook niet.

Zijn dood in 1934 had echter weer alle trekken van de nieuwe tijd: aangereden door het snelverkeer liep hij zodanige verwondingen op dat hij daar binnen enkele dagen aan zou overlijden. Roem was hem op dat moment lang en breed toegevallen, inclusief belangrijke prijzen. Ook had hij verschillende keren deelgenomen aan de destijds al roemruchte Biennale van Venetië.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden