Moderne kathedraal van hout en ijzerwerk

In deze serie staat Trouw stil bij iconische beelden uit de geschiedenis van de fotografie. In de tweede helft van de negentiende eeuw legden camera's een snel veranderend Nederland vast: oude vestingwerken verdwenen, een nieuwe, ijzeren wereld verrees.

Door een hoog camerastandpunt te kiezen wist fotograaf Wilhelm Ivens in 1885 vooruitgang en voorgeschiedenis in Nijmegen knap in één beeld te vangen. Links was nog de spoorbrug te zien, die enkele jaren voordien was aangelegd. Drie stalen boogconstructies volstonden voor de oversteek van de Waal, een treinverbinding met Arnhem en een aansluiting op de rest van het Nederlandse spoorwegennet. Rechts domineerde een vijftiende-eeuwse kruittoren de voorstelling. Een decennium eerder had de vestingwet de sloop van oude omwallingen van steden mogelijk gemaakt. Nijmegen besloot een deel te laten staan. Toren en muur zouden een prachtig decor vormen voor openbaar groen van de meest romantische soort: het Kronenburgerpark, een eeuw later bezongen door Frank Boeijen in een lied over betaalde liefde.

Ivens (1849-1904), grootvader van de beroemde cineast Joris Ivens, dreef een fotozaak in Nijmegen, waar men een portret van zichzelf kon laten maken. Maar hij trok er ook graag op uit. In 1887 kreeg hij van het gemeentebestuur de opdracht foto's van Gerard Korfmacher, mogelijk zijn leermeester, te reproduceren en te prepareren voor een uitgave. Korfmacher had zo'n tien jaar eerder de vestingwerken vlak voor hun sloop vereeuwigd. Ivens zelf publiceerde een bundeling van door hemzelf gemaakte stadsgezichten van het moderne Nijmegen.

Zeker in de tweede helft van de negentiende eeuw verdween in rap tempo veel van het oude, vertrouwde Nederland onder de sloophamer. In het verleden was weg ook echt weg; er restte meestal geen enkele visuele herinnering.

Soms had een stad het geluk van een nijvere burger die de geschiedenis in woord en beeld vastlegde. In Maastricht was de heelmeester Philippus van Gulpen (1792-1862) zo iemand. In zijn vrije tijd legde hij als chroniqueur alle belangrijke gebeurtenissen vast en maakte hij zo'n 5000 tekeningen en aquarellen, voor een groot deel gebouwen, stadsgezichten en landschappen. Een kunstcriticus had het bij een tentoonstelling van Van Gulpens werk over een 'welhaast ontroerende houterigheid'. Een eminent kunsthistoricus had evenmin een hoge pet op van de artistieke kwaliteiten van deze amateur: "Veelal staat hij op gespannen voet met het perspectief en de verhoudingen."

Had Van Gulpen iets later geleefd, dan was hij mogelijk met een camera door stad en streek getrokken. Juist toen verdween de wereld die hij gekend had. De industrie kwam op. Een nieuw vervoermiddel als de trein zorgde voor stevige ingrepen in het landschap. Voor de steeds vollere steden werden de oude vestingwerken dermate knellend, dat ze grotendeels werden gesloopt. Ze hadden door de komst van modern wapentuig ook geen functie meer.

In 1859 was de Commissie der Koninklijke Academie van Wetenschappen tot het opsporen, het behoud en het bekend maken van de overblijfsels der Vaderlandsche kunst uit vroegere tijden opgericht. Het gaf aan dat iets van besef van de waarde van monumenten begon te groeien. Konden ze niet worden behouden, dan dienden ze te worden gedocumenteerd met precieze beschrijvingen en tekeningen. Dat foto's daarbij een rol konden spelen, kwam aanvankelijk niet bij de landelijke autoriteiten op. Na verloop van tijd kregen ze die wel toegestuurd, bijvoorbeeld vanuit Maastricht.

Pas rond 1875 ontstond het idee om de tekenaars zich ook te laten bekwamen in de fotografie. Nog iets later kregen oude vestingsteden vanuit Den Haag het verzoek 'met een bekwamen photograaf te willen onderhandelen' over het vastleggen van de bouwwerken die op het punt stonden te verdwijnen. Zo kwam ook Korfmacher in Nijmegen aan zijn opdracht.

Ondertussen stortten andere fotografen zich minstens zo enthousiast op de monumenten van de nieuwe tijd. Zo toog Pieter Oosterhuis in de jaren zestig van die eeuw geregeld naar Culemborg, waar iets groots werd verricht: de aanleg van een spoorbrug over de Lek.

Van huis uit was Oosterhuis (1816-1885) tekenaar en schilder, maar begin jaren vijftig vestigde hij zich in Amsterdam als portretfotograaf. Hij maakte bovendien naam met stadsgezichten, die afgedrukt op kaarten gretig aftrek vonden. Oosterhuis bleef niet hangen in nostalgie. Hij werd ook actief als industrieel fotograaf. In de zomer van 1862 maakte hij opnamen in de Koninklijke Fabriek van Stoom en Andere Werktuigen in Amsterdam. Of hij voor een opdrachtgever of geheel op eigen initiatief naar Culemborg ging om de aanleg van de brug daar te volgen, is niet duidelijk.

Hij had in elk geval een zeer fotogeniek onderwerp te pakken. Het bouwwerk was een wonder van civiele techniek, want hoe zorgde je ervoor dat kruiend ijs niet vernietigend zou toeslaan. De regio was daarmee maar al te goed bekend. Het bezwijken van de dijk in 1809 had gruwelijke taferelen opgeleverd. Korter geleden, in 1861, braken waterweringen door ophopend bevroren water, waarna grote delen van de Bommelerwaard en het Land van Maas en Waal onderliepen.

In Pruisen leerde ingenieur Gerrit van Diesen hoe hij pijlers kon bouwen die het zouden houden. De kunst was om ze met onder meer beton zo zwaar te maken dat ze zelf als ijsbreker konden dienen. Met zijn boogvormige overspanning van 157 meter, bedoeld om de scheepvaart zo min mogelijk te hinderen, vestigde Van Diesen een nieuw wereldrecord.

De bouw van de brug vormde een combinatie van de eeuwenoude Hollandse ingenieurstraditie en moderne inzichten. Iets soortgelijks deed Oosterhuis met zijn foto's. Als voormalig tekenaar en schilder had hij het werk van de grote vaderlandse landschapskunstenaars verinnerlijkt en gebruikte hij hun beeldtaal. Tegelijkertijd getuigde zijn werk van ontzag voor het moderne. Een foto van Oosterhuis uit 1866 laat de tijdelijke steiger zien, die gebruikt werd tijdens de bouw. Er werd 2300 kubieke meter hout en 51 ton ijzerwerk voor gebruikt. Een kathedraal was er niets bij. Na voltooiing van de brug liet Oosterhuis het licht spelen met het vakwerkmotief van de ijzeren brug.

De fotograaf stond niet alleen in zijn bewondering. Zijn foto's gingen in groten getale over de toonbanken. De brug in Culemborg groeide uit tot een attractie. Zelfs uit het buitenland stroomden de belangstellenden toe. Onder hen ook ingenieurs die de kunst kwamen afkijken zoals ook Van Diesen dat elders had gedaan. De ingenieur kreeg nog lang lof toegezwaaid voor zijn prestatie. Op de wereldtentoonstelling in Wenen ontving hij een gouden medaille voor de brug over de Lek. In 1907 behoorde hij met onder anderen bouwmeester Pierre Cuypers en collega-ingenieur/politicus Cornelis Lely tot de eersten die een eredoctoraat kregen uitgereikt aan de Technische Universiteit Delft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden