Essay

Mladić’ schuld wist de onze niet uit

Potocari, 2015. Vers gedolven graven op de jaarlijkse herdenking en begrafenis van de slachtoffers van de genocide. Beeld Hollandse Hoogte / Flip Franssen

Een veroordeling van generaal Mladić wegens genocide biedt ook Nederland kans ‘Srebrenica’ af te sluiten. Maar dat kan alleen als we ons rekenschap durven geven van alle feiten.

Over anderhalve week doet het Joegoslavië-tribunaal uitspraak in de zaak tegen Ratko Mladić. Op basis van het gepresenteerde bewijs, in deze en andere zaken, valt nauwelijks te betwijfelen dat hij wordt aangewezen als hoofdverantwoordelijke voor de genocide in Srebrenica in juli 1995.

Daarmee geeft het tribunaal een juridische bevestiging van wat wij allang weten. Mladić was de commandant van het Bosnisch-Servische leger dat het stadje had ingenomen, hij deelde er bevelen uit. Als de rechters wellicht niet bewezen achten dat hij de massamoord op duizenden mannen en jongens bedacht en liet uitvoeren, dan nog had hij de macht en daarmee de plicht om het te stoppen. Zo werkt het principe van de verantwoordelijkheid van leidinggevenden, een hoeksteen van het internationaal recht in tijden van oorlog.

Grootste belang 

Maar al lijkt de vaststelling van schuld een uitgemaakte zaak, ze is van het grootste belang. Rechtspraak is in ons gedachtengoed een arbiter die het debat beslecht. Over geschiedenis kan en zal altijd worden gediscussieerd. Een afgewogen vonnis maakt, althans voor die aspecten die in de uitspraak zijn behandeld, daaraan een einde. In een rechtsstaat hebben alle betrokkenen zich daarbij neer te leggen. Ruimte voor debat zal er altijd zijn, maar geschiedschrijving die direct in tegenspraak is met het rechterlijk eindoordeel noemen we mythe. Een veroordeling van Mladić, aangenomen dat die in hoger beroep standhoudt, zal voor altijd een mijlpaal zijn die de hoofdschuldige voor deze massamoord aanwijst.

Zo’n rechterlijke uitspraak biedt, zoals het in jargon heet, een kans op closure. De erkenning die zoiets geeft aan nabestaanden is groot. Voor juristen is er geen dader zonder misdrijf, voor slachtoffers is dat andersom: de erkenning van het misdrijf voelt vaak pas compleet als er een dader is aangewezen.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

Potocari, 2016. de resten van onlangs gevonden slachtoffers worden naar de begrafenis- annex gedenkplaats gedragen.Beeld Hollandse Hoogte / The New York Times Syndication

In principe biedt een veroordeling ook de kans voor de dader om zich bij de feitenvinding neer te leggen, hoewel dat van deze verdachte niet te verwachten is. 

Bevrijdend 

Voor de omstanders - het ‘Servische volk’ aan wie Mladić zijn verovering van Srebrenica opdroeg - zal het aanwijzen van de dader ook bevrijdend werken. De vele Serviërs die Mladić’ ‘gift’ niet accepteerden, hebben een vonnis dat individuele schuld aan de genocide vastlegt, dat hen niet langer ongewild bij een massamoord betrekt. En Mladić’ apologeten worden verder gemarginaliseerd, hun lezing van het gebeurde wordt mythe. Iedereen krijgt een kans om de focus iets verder af te wenden van juli 1995, en meer op de toekomst te richten.

En hoe zit dat met onszelf? Als samenleving die haar leger afvaardigde om de achtduizend mannen en jongens te beschermen die nu op de begraafplaats in Potocari liggen, werden we de eerste omstander bij een genocide. Een ellendige positie. Zo moeilijk als het in die situatie was om het goede te doen, zo makkelijk is het om achteraf de kritiek te leveren. Kritiek die desondanks kwam, en waarmee Nederland al even onbeholpen omging als Dutchbatcommandant Karremans destijds. Zijn opmerking ‘Don’t shoot the piano player’ echoot nog steeds in de reacties van de Nederlandse staat, en de schuld van Mladić speelt daarbij een allesoverschaduwende rol.

Tekst gaat verder onder de afbeelding 

Potocari 2017. De nagebouwde wachttoren van het voormalige hoofdkwartier Dutchbat kijkt uit over de begraafplaats met slachtoffers van de genocide. Beeld Hollandse Hoogte / Sake Elzinga Photography

Toen Bert Bakker, in de jaren negentig voorzitter van de parlementaire enquêtecommissie naar de val van Srebrenica, drie jaar geleden Nederland opriep zijn verantwoordelijkheid te nemen, kwam de minister van defensie niet veel verder dan “laten we niet vergeten dat de vijand van toen, onder leiding van Mladić, de schuldige is”. Zo beschouwd is een veroordeling van Mladić ook voor Nederland een opluchting, een kans op closure. Het bevestigt immers voor eens en voor altijd wat de minister beweerde, hoezeer dat ook een open deur is. De duizenden executies werden verricht onder leiding van Mladić - het was niet Dutchbat dat de trekker overhaalde. Maar is dit werkelijk alles wat Nederland 22 jaar na Srebrenica over zijn omstandersrol te zeggen heeft?

Meer nodig 

Voor closure is meer nodig. Net als dader Mladić, heeft ook omstander Nederland zijn rol voor de rechter moeten verantwoorden. En net zoals dat voor Mladić geldt, heeft ook Nederland zich bij het vonnis neer te leggen. Dat vonnis, in 2013 bekrachtigd door de Hoge Raad, zegt dat Nederland cruciale, en dodelijke fouten heeft gemaakt bij het ontruimen van de basis. Wie zijn geschiedenis schrijft in directe tegenspraak met het rechterlijk eindoordeel doet aan mythevorming.

Nederland komt daar angstwekkend dicht bij in de buurt. We konden niets doen om de massamoord te voorkomen, zo heet het steevast. Zo is het ook vastgelegd in de ‘canon van de geschiedenis’ die we onze kinderen meegeven, de lijst van historische gebeurtenissen en ontwikkelingen waarover iedere scholier les krijgt. Ook daar staat: “Later wordt deze verschrikkelijke waarheid pas duidelijk.”

Vergelijk dat eens met een vonnis van het Hof in Den Haag, dat standhield in cassatie bij de Hoge Raad, het hoogste rechtsorgaan van Nederland waartegen beroep niet mogelijk is: “Gedurende de periode waarin de vluchtelingen werden weggevoerd, bereikten militairen van Dutchbat op verschillende tijdstippen signalen dat de Bosnische Serviërs misdaden tegen met name de mannelijke vluchtelingen pleegden. Vóór het eind van de middag van 13 juli 1995 was onder meer geconstateerd dat er lijken van vermoorde mannen waren aangetroffen, dat de (weerbare) mannelijke vluchtelingen naar het ‘witte huis’ 300 à 400 meter buiten de compound werden gebracht en daar met fysiek geweld werden ondervraagd, en dat buiten dit huis de bezittingen van de mannelijke vluchtelingen, waaronder hun identiteitspapieren, op een hoop waren gegooid en binnen dit huis moslimmannen verbleven met doodsangst in de ogen.”

Wegsturen 

En wij, wij gingen door met het wegsturen van mensen die hun toevlucht hadden gezocht op onze militaire basis. Waarom onthouden we dat feit onze kinderen? Waarom vermelden we niet dat de Nederlandse staat door zijn eigen rechters veroordeeld is wegens onrechtmatig handelen, wat de dood van meerdere mensen als gevolg had?

Het enige plausibele antwoord is dat het ons te pijnlijk is. Tegelijkertijd is dat ook precies de reden waarom we de vinger op deze open wond moeten blijven leggen. Dat weten we best, want andere landen (Servië, Japan, Suriname) roepen we ook graag op hun verleden onder ogen te zien. En we beginnen het ook te durven als het gaat om onze eigen koloniale oorlogen, twee generaties geleden. Maar we hoeven niet nog veertig jaar wachten. Laten we tenminste die fout van onze grootouders niet herhalen.

Refik Hodžić, een van de grootste kenners van het naoorlogse gerechtigheidsproces (of gebrek daaraan) in Bosnië, zei eens dat de rechterlijke uitspraken in de zaken rond Srebrenica uiteindelijk aantonen wat een prachtig land Nederland is: een land waar ondanks hardnekkig doorprocederen van de staat, die al zijn macht en kracht tegen de nabestaanden inzet, alsnog de rechterlijke macht van diezelfde staat de feiten laat spreken.

Ruimhartig gevolg geven 

Die constatering is terecht, maar als samenleving zullen we ook ruimhartig gevolg moeten geven aan die uitspraken. Dat doe je niet met een donatie voor een herinneringscentrum op 1500 kilometer van je landsgrens, of met een snoeihard uitonderhandelde schadevergoeding, zoals nabestaanden die kregen wier gelijk al onomkeerbaar is bevestigd, hoewel dat er ook bij hoort. Dat doe je bovenal door oprecht te zijn en de feiten vrije doorgang te geven. 

Ik wil zeker niet betogen dat de leden van Dutchbat op eigen houtje anders hadden moeten handelen, of dat ze tegen de instructies uit Den Haag in hadden moeten gaan. Wie überhaupt individuen wil vertellen dat zij destijds andere keuzes hadden moeten maken, dient tachtig keer na te denken hoe hij zelf in die omstandigheden had gehandeld. Bovendien, het zoeken naar individuele misstappen leidt af van de keten van fouten die er in die julidagen van 1995 zijn gemaakt.

Tekst gaat verder onder de afbeelding 

Assen, 2006: Uitreiking draaginsignes voor de leden van dutchbat III, dat in Srebrenica was gestationeerd.Beeld Hollandse Hoogte / Werry Crone

Maar als land kunnen en moeten we die verantwoordelijkheid dragen. Nederland stak zijn hand op toen er vrijwilligers werden gevraagd om de safe areas van de Verenigde Naties te beveiligen. Nederland dacht dat te kunnen binnen het gegeven mandaat. En Nederland besloot toen de enclave verloren bleek, prioriteit te geven aan de evacuatie van de eigen troepen en materieel. Om dat te bereiken werkte Nederland mee aan het ontruimen van de basis, en was het doof voor de vele signalen dat dit een massamoord mogelijk hielp maken.

Voor onszelf 

Dat is waar Nederland zich voor heeft te verantwoorden - niet meer en niet minder. Daar kunnen de slachtoffers wellicht iets aan hebben, maar laten we het bovenal doen voor onszelf.

‘Dit nooit meer’, zouden we hebben geleerd van Srebrenica, zo staat in de geschiedeniscanon. Ik betwijfel het. Zover zijn we nog niet. Mensen als Ratko Mladić zullen er altijd zijn, hen wegwensen is een holle frase. Waar het om gaat is hoe we hen tegenhouden. ‘Dit nooit meer’ krijgt alleen betekenis als we de verschrikkelijke fouten die we zelf in de hand hadden, onder ogen durven te zien en ervan durven te leren.

De dader was Mladić. Dat moeten we inderdaad niet vergeten, en dat zal nog eens bevestigd worden in het vonnis, dat op woensdag 22 november zal worden voorgelezen. Maar laten we onze kinderen ook het hele verhaal vertellen. Bied hun de gelegenheid om te leren van de geschiedenis. 

De zaak-Mladić

Ratko Mladić wordt beschuldigd van twee gevallen van genocide. Eén betreft de ethnische zuiveringen in een aantal gemeenten in Bosnië in 1992 en 1993 aan het begin van de oorlog; de tweede betreft de moorden van ‘minstens 7.000 mannen en jongens’ in Srebrenica. Verder staan op de aanklacht misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden.

In de afgelopen twintig jaar heeft het tribunaal vrijwel alle directe ondergeschikten van Mladić in Srebrenica veroordeeld. Zes van hen, naaste medewerkers van Mladić plus de Bosnisch-Servische politiek leider Radovan Karadžić, zijn veroordeeld voor (medeplichtigheid aan) genocide.

Uit het proces tegen Mladić komt hetzelfde beeld naar boven als in de eerdere zaken. De Bosnische Serviërs waren verrast hoe relatief makkelijk de enclave kon worden ingenomen. De aanklager noemt de eerste ontmoeting tussen Mladić en de Nederlandse Dutchbat-commandant Karremans een ‘keerpunt’. Nadat Karremans Mladić had verteld dat hij de instructie had om zich niet langer te verzetten zodat de blauwhelmen en de moslims de enclave veilig konden verlaten, wist Mladić dat de VN hem niet verder zouden tegenhouden. Vanaf dat moment ontstond het plan om de mannen tussen de 16 en 60 niet alleen te ondervragen maar ze uiteindelijk om te brengen.

Mladić’ medewerker Momir Nikolić getuigde in zijn schuldbekentenis dat hij de volgende ochtend hoorde dat het plan was de mannelijke vluchtelingen te scheiden van de vrouwen en kinderen en ze daarna te vermoorden. Hij moest plaatsen aanwijzen om gevangenen vast te houden en bedenken waar ze het best geëxecuteerd konden worden.

Nederland veroordeeld

De Nederlandse Staat is in twee gevallen veroordeeld door een Nederlandse rechter voor zijn handelen rond de val van Srebrenica. De eerste zaak was aangespannen door Dutchbat-tolk Hasan Nuhanović, die zijn familie verloor, en de nabestaanden van de vermoorde Dutchbat-elektricien Riza Mustafić. In die zaak bevestigde de Hoge Raad dat Nederland ‘onrechtmatig handelde’ door de slachtoffers van de basis weg te sturen.

In de tweede zaak, aangespannen door zo’n zesduizend nabestaanden, is de staat door het Hof in Den Haag veroordeeld wegens aansprakelijkheid voor de dood van 350 mannen die zich op de basis bevonden, maar niet voor álle slachtoffers, zoals de eisers wilden. Deze zaak komt nog voor de Hoge Raad.

Tekst gaat verder onder de afbeelding 

Beeld joost van egmond

Joost van Egmond (1975) is eindredacteur bij Trouw. Van 2010 tot 2015 was hij correspondent in Zuidoost-Europa.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden