Mitsubishi zwijgt over de andere slaven

De 94-jarige Christiaan Kwasanco overleefde dwangarbeid op de scheepswerven en in de mijnen van Mitsubishi Materials in Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij wil dat het bedrijf álle krijgsgevangenen excuses aanbiedt, niet alleen de Amerikaanse.

Toen Christiaan Kwasanco (94) afgelopen maandagochtend gewekt werd door het ochtendnieuws, was hij met stomheid geslagen. Tijdens een persconferentie in het Simon Wiesenthal Centrum in Los Angeles bood het Japanse bedrijf Mitsubishi Materials zijn excuses aan aan alle Amerikaanse krijgsgevangenen die tijdens de Tweede Wereldoorlog dwangarbeid in Japan moesten verrichten. Op de scheepswerven en in de mijnen van Mitsubishi werkten echter ook Nederlandse, Engelse, Canadese, Italiaanse, Chinese, Nieuw-Zeelandse en Australische krijgsgevangenen. "Zeventig jaar lang heeft het bedrijf gezwegen", reageert Kwasanco gelaten. "En dan bieden ze alle andere ex-krijgsgevangenen geen excuses aan? Dit is heel erg pijnlijk."

Christiaan Kwasanco is in 1921 geboren in Madioen, Oost-Java in de voormalige kolonie Nederlands-Indië. Hij is van Indo-Afrikaanse afkomst: zijn stamvader Kwasanco, een Afrikaan uit de regio van de West-Afrikaanse Goudkust die voor het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (Knil) was gerekruteerd, leefde samen met een inheems-Indonesische vrouw op Java. Bij geboorte bezaten Indo-Afrikanen het Nederlandse staatsburgerschap.

Christiaan zelf is amper twintig wanneer het Japanse leger Nederlands-Indië binnenvalt. Hij wordt als dienstplichtig militair krijgsgevangen gemaakt en naar Japan getransporteerd. "Ik werd geïnterneerd in het Fukuoka 14-kamp en tewerkgesteld als sjouwer op de scheepswerf", herinnert hij zich. "Vervolgens werd ik geselecteerd om in de kolenmijnen te werken."

Als Japans krijgsgevangene met nummer 'Fukuoka 21' werd hij overgebracht naar het zogeheten mijnenkamp (kamp 22), waar 188 Nederlanders zij aan zij met 195 Amerikanen, 104 Australiërs en drie Britten moesten werken. "We werkten zes dagen per week in dag- en nachtploegen. Het was onmenselijk zwaar. De kompel met wie ik samenwerkte, was een Amerikaan wiens naam ik helaas vergeten ben. Hij was zo wanhopig dat hij overwoog zijn eigen arm te breken om zo te kunnen ontkomen aan het werk in de mijnen."

Wrede bewakers

Het dagelijks ontbijt bestond uit een kommetje rijstepap. Voor de lunch kregen de krijgsgevangenen een houten doosje met een kleine portie rijst, gezouten groente en bonenpasta uitgereikt. Christiaan Kwasanco herinnert zich met name de dagelijkse uitputting en de wreedheid van de bewakers van het interneringskamp. "Met de eerste Kerst kregen we een pakket uitgereikt van Scandinavische Rode Kruis-medewerkers. Van de Japanners moesten we allemaal aan tafel plaatsnemen en met het heerlijke eten poseren voor een foto. Daarna werden we weggejaagd en bleek het eten door de Japanners te zijn geconfisqueerd."

Toen op 9 augustus 1945 de Amerikaanse atoombom op Nagasaki werd gegooid, bleef kamp 22 gespaard. "Als ik nog in kamp 14 geïnterneerd was geweest, was ik waarschijnlijk niet meer in leven geweest", merkt Kwasanco op. "Alle krijgsgevangenen in kamp 14 hadden opdracht gekregen om loopgraven aan te leggen als voorbereiding voor mogelijke landingen van de geallieerden. In feite moesten ze hun eigen graf graven. Toen de atoombom viel, zijn 196 van de 328 Nederlandse krijgsgevangenen omgekomen door de dodelijke straling, zo hoorde ik achteraf."

"De Japanse militairen in ons kamp hebben niets over de bom gezegd. We wisten van niets. Op een dag kregen we te horen dat we niet meer naar het werk hoefden. Het enige wat de Japanners zeiden was dat de oorlog was afgelopen. Ze gaven niet toe dat ze verloren hadden. Verlies was een schande. We zijn toen overgebracht naar Nagasaki, waar we met ddt werden besproeid, moesten douchen en nieuwe kleren kregen. Van veraf zagen we het landschap rond de stad: alles lag plat als een kaartenhuis."

Christiaan Kwasanco werd bevrijd door Amerikaanse troepen en via Okinawa naar Manila overgebracht, waar de overlevenden van Japanse dwangarbeid gehergroepeerd werden in legerdivisies. Voorzien van wapens werden de Knil-militairen naar de stad Balikpapan op Borneo in Nederlands-Indië vervoerd. Er woedde een burgeroorlog tussen de Nederlandse en Indonesische bevolking, waarbij Kwasanco ingezet werd. Na de onafhankelijkheid van de republiek Indonesië besloot hij in zijn geboorteland te blijven, maar door president Soekarno's toenemende anti-Nederlandse politiek werd hij eind 1957 gedwongen om met zijn jonge gezin per schip naar Nederland te vluchten.

Verplicht assimileren

"Onderweg naar de haven van Soerabaja werden we steeds aangehouden door de politie en gecontroleerd. Onze bagage werd beschouwd als huismateriaal, waarvoor we papieren moesten tonen die we niet hadden. We hebben toen vrijwel alles moeten achterlaten. Bij aankomst in Rotterdam kregen we te horen dat we naar Maastricht werden gebracht. Bijna twee jaar hebben we daar in contractpension Sterreplein gewoond voordat we een woning in Geleen toegewezen kregen."

Ieder ontheemd gezin uit Indonesië moest verplicht assimileren in een contractpension, waarbij ieder gezinslid met een baan 60 procent van het maandelijks inkomen moest afdragen aan de overheid. Die afdracht was bedoeld als voorschot op de kosten voor de overtocht, tijdelijke huisvesting, voeding en kleding. Contractpensionhouders maakten winst door het eten zo goedkoop mogelijk in te kopen en te besparen op gas, water en licht. "Eens in de week kregen we de sleutel van de douche. Er was één douche voor alle bewoners. Daarnaast regende het klachten over het eten: tot ver in de lente kregen we nog winterkost, allerlei soorten kool en stamppot. Iedereen in het pension klaagde over het eten."

Om zo snel mogelijk aan het werk te kunnen, liep Kwasanco drie maanden lang de deur van het Arbeidsbureau plat. "Ik kon zo in de Limburgse mijnen werken, maar dat wilde ik niet. Uiteindelijk ben ik bij de voorloper van DSM gaan werken, een chemisch bedrijf waar ik technische onderhoudswerkzaamheden verrichtte. Er werd niet naar mijn arbeidsverleden gekeken, het werd niet gelijkgesteld. In Nederland moest alles met papieren, terwijl ik in Indonesië juist door praktijkervaring altijd goed werk heb gehad op een suikerplantage."

Samen met andere overlevenden van dwangarbeid voor Mitsubishi heeft hij in de jaren negentig geprobeerd een claim jegens Mitsubishi aanhangig te maken. Die werd afgewezen omdat Nederland en Japan het Yoshida-Stikkerakkoord getekend hebben: als oorlogscompensatie aan Nederlandse krijgsgevangenen en dwangarbeiders is toen 38 miljoen gulden betaald door Japan. Iedere ex-krijgsgevangene ontving een eenmalig bedrag van 264 gulden.

Na het uitkeren van het smartegeld is bepaald dat de Japanse overheid geen enkele aansprakelijkheid meer draagt voor aanvullende oorlogscompensatie aan Nederlandse oorlogsslachtoffers. "Ik voel me in de steek gelaten door de Nederlandse overheid", merkt Kwasanco op. "Ze had op z'n minst kunnen opkomen voor de belangen van alle Nederlandse krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden, maar kennelijk was het belangrijker om met Japan handel te drijven."

Japanse Ereschulden

De stichting Japanse Ereschulden (JES) maakt zich sinds 1991 sterk voor schulderkenning, excuses en compensatie door de Japanse regering, maar loopt voortdurend tegen de bepalingen van het Yoshida-Stikkerakkoord aan. JES weet niet hoeveel mannen nog in leven zijn die op de scheepswerven en mijnen van Mitsubishi dwangarbeid moesten verrichten. De stichting heeft ruim 95.000 dossiers van voormalige Nederlandse krijgsgevangenen en dwangarbeiders aangelegd, maar het databestand blijkt verouderd te zijn.

Christiaan Kwasanco is het contact met zijn mede-geïnterneerden door de jaren heen verloren, maar hoopt dat er nog enkelen van hen in leven zijn. "Het nieuws over de excuses van Mitsubishi aan de Amerikaanse krijgsgevangenen verbaast me zeer en maakt me ook boos", zegt hij. "Nu lijkt het alsof er alleen maar Amerikanen slavenarbeid hebben moeten verrichten. Waarom biedt Mitsubishi geen excuses aan de Nederlandse, Engelse en Australische ex-krijgsgevangenen aan? We hebben allemaal drie jaar lang in werkkleding met het logo van Mitsubishi moeten rondlopen."

Dwangarbeid in Japan

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn naar schatting 36.000 geallieerde krijgsgevangenen in Japan als dwangarbeider tewerkgesteld bij een groot aantal bedrijven. Onder hen 7300 Nederlanders. Naarmate het oorlogsgeweld toenam, werden steeds meer krijgsgevangenen uit bezette gebieden naar de interneringskampen in Japan afgevoerd.

Mitsubishi Mining delfde in de oorlogsjaren steenkool en metalen. Volgens archiefgegevens van het Japanse Krijgsgevangenen Informatiebureau in de bibliotheek van het Japanse ministerie van defensie, runde Mitsubishi Mining zestien krijgsgevangenenkampen in de steden Hakodate, Sendai, Tokio, Nagoya en Fukuoka.

Onder de dwangarbeiders in de kampen van Mitsubishi Mining waren zo'n 876 Amerikanen. Volgens onderzoek van de Amerikaanse denktank Asia Policy Point hebben zij dwangarbeid verricht in vier mijnen. Aan deze krijgsgevangenen heeft de directie van het huidige Mitsubishi Materials maandag excuses aangeboden.

Er hebben veel meer krijgsgevangenen voor Mitsubishi moeten werken, onder wie 3322 Nederlanders en krijgsgevangenen afkomstig uit Canada, Groot-Brittannië, Italië, India, China en Australië. Van zo'n dertig krijgsgevangenen in de Mitsubishi-kampen moet de nationaliteit nog steeds vastgesteld te worden.

Tenminste zestig Japanse bedrijven hebben gebruikgemaakt van dwangarbeid door geallieerde krijgsgevangenen. Vrijwel al deze bedrijven bestaan nog en zijn nog actief op dezelfde locaties als tijdens de oorlog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden