Missionarissen van de poëzie

Rien van den Berg en Abeltje Hoogenkamp maakten beiden een bloemlezing met religieuze poëzie, maar hun bundels lopen sterk uiteen. „Ik heb moeite met de vraag wie christen is en wie niet.”

Krijg maar eens twee bloemlezers van religieuze poëzie samen aan tafel. Rien van den Berg (1970) is journalist voor het Nederlands Dagblad en trekt met zijn ’Brandaan van de christelijke poëzie’ langs boekhandels en scholen. Abeltje Hoogenkamp (1969) werkt als geestelijk verzorger in een ziekenhuis. Sinds de publicatie van haar bloemlezing ’Symbolen worden tot cimbalen, de honderd mooiste Nederlandse gedichten over geloof en inspiratie’ zit ze ’in de damesbladenscene’. „Red, Happinez, Esta. Daar ben je als dominee niet aan gewend: eerst in de grime en dan op de foto.”

„Dat verbaast me niet”, zegt Van den Berg. „Je bent een mooie jonge vrouw.”

Hoogenkamp: „Die kaats ik terug, meneer met de lange lokken.”

Een goed gedicht, staat op de achterflap van Hoogenkamps bundel, is ’ontregelend, raak en speciaal voor jou’. „Ik ben niet van de kabbelende gedichten”, zegt ze. „Het moet een fysieke ervaring zijn.”

„Dat ontregelen mag al beginnen bij de taal”, zegt Van den Berg. „Dat een dichter niet zegt ’ik heb een brok in mijn keel’, maar, zoals Henk Knol het formuleert: ’ik sta te kleumen in een kraag van taal’. Een gedicht moet je veroveren. Lief formuleren wat je al weet, heeft geen zin.”

Is er een verschil tussen ’christelijke poëzie’ en ’gedichten over geloof en inspiratie’?

Van den Berg: „Voor mij is christelijke poëzie werk van christenen die literair actief zijn. Onder hen bevindt zich een groep dichters van wie de poëzie haar weg vindt in een subcultuur en daar nooit uitkomt.”

Hoogenkamp: „Ligt dat niet aan de kwaliteit van het werk? Als het goed genoeg is, bereikt het het grote publiek vanzelf. Kijk maar naar een dichter als Gerrit Achterberg.”

Van den Berg: „Toch is dat niet zo. Neem iemand als Koos Geerds. Die kreeg enige bekendheid met de bundel ’Staphorst’, omdat die over dat dorp ging. Maar die hele bundel is consequent gebouwd uit kale boerentaal, en dat is een poëtische prestatie van formaat.”

Hoogenkamp: „Suggereer je nu een complot?”

Van den Berg: „Dat niet. Maar christelijke poëzie wordt door publiek en literatuurcritici niet opgemerkt. Bovendien bestaat er een vooroordeel: christelijke poëzie, dat is Nel Benschop en verder vooral niet vloeken.”

Hoogenkamp: „Dat geldt niet voor Gerrit Achterberg.”

Van den Berg: „Ik weet het niet zo goed met Achterberg. Volgens mij willen christenen zijn christelijke kant benadrukken, terwijl anderen die kant proberen te minimaliseren. Ik blijf erbij: er is een kringetje van christelijke literaire dichters die voldoende niveau hebben maar niet worden opgemerkt.”

Hoogenkamp: „En daar wil jij verandering in brengen. Je hebt een missie hè? Ik ook hoor. Ik wil dat mensen die nooit in de kerk komen dichters als Jan Willem Schulte Nordholt en Willem Barnard gaan waarderen en kerkmensen Herman de Coninck, Lucebert en Tsjitske Jansen gaan lezen. Ik zag het samenstellen van deze bloemlezing als een droomopdracht: het is een kans om een brug te slaan tussen kerk en cultuur. Mijn uitgever denkt dat geloof ’in’ is, dus daar profiteer ik dan maar van.”

Van den Berg: „Ondertussen blijf je een dominee. Wel een goeie, hoor. In die toelichtingen die je hebt geschreven bij de gedichten neem je de lezer bij de hand.”

Hoogenkamp: „Zeker ben ik een dominee. Maar jij ook.”

Van den Berg: „Het is nog veel erger. Ik ben een missionaris. Ik wil mensen aan de poëzie krijgen. Maar ik maak geen preek, ik bemiddel slechts, presenteer het gedicht aan de lezer en trek mij verder terug.”

Hoogenkamp: „Daar kan niemand op tegen zijn. Maar je wilde alleen christelijke dichters opnemen. Ik heb moeite met de vraag wie christen is en wie niet. Ik vind dat een mijnenveld.”

Van den Berg: „Is ook lastig. Maar bij twijfel heb ik het voor zover mogelijk gecheckt.”

Hoogenkamp: „Maar dan bepaal jij nog steeds wie christen is.”

Van den Berg: „Een dichter kwam in aanmerking voor mijn bundel als hij of zij belijdend gelovige is.”

Hoogenkamp: „Dat gaat mij te snel. Daar gaan wij niet over, dat oordeel is aan Christus, niet aan ons.”

Van den Berg: „Natuurlijk gaat dat snel. Zoals het een karbonade te snel gaat om in een bundel over koeien opgenomen te worden. Hij zal zeggen: ’ik ben geen koe’. Zo zal de ene dichter zich meer christen voelen dan de ander. Over hun geloof oordeel ik niet.”

Hoogenkamp: „Nee, oké. Maar is de Bijbel zo helder en consistent als bloemlezing? Prediker kun je moeilijk een christen noemen.”

Laten we het eens over Gerard Reve hebben.

Van den Berg: „Vind jij hem goed, Abeltje?”

Hoogenkamp: „Ja!”

Van den Berg: „Ik meestal niet. Hij heeft twee gedichten gemaakt die ik graag in de Brandaan heb opgenomen, maar ik vind de rest van zijn poëzie niet veel voorstellen.”

Hoogenkamp: „Hij heeft anders een paar heel mooie gedichten geschreven, die ik niet had willen missen. Maar, Rien, jij hebt ook een gedicht van jezelf opgenomen.”

Van den Berg: „Tja, jezelf erbuiten laten is natuurlijk wel zo charmant. Maar de bundel waar ’Bruin’ uit komt, was genomineerd voor de Cees Buddingh’-prijs, het heeft op de poëziescheurkalender gestaan, en John Jansen van Galen heeft het op de radio voorgelezen in ’Met het oog op morgen’. Dat leken me drie onverdachte bronnen die mijn gedicht in de bundel rechtvaardigen.”

Hoogenkamp: „Ach, ik heb de helft van de gedichten in mijn bloemlezing voorzien van commentaar. Vijftig preekjes van mezelf. Dat is ook onbescheiden, hoor.”

Van den Berg: „Maar dat heb je heel goed gedaan. Je hebt de gedichten heel goed gelezen, met je hart. Ik ben geen slecht gedicht in je boek tegengekomen.”

Hoogenkamp: „Dank je. Wat vind je het mooiste gedicht uit je eigen bundel?” Van den Berg: „Ik denk het gedicht van Koos Geerds over Hendrik Hengsteboer uit Staphorst die tijdens het rijden van de Elfstedentocht bij Hindeloopen op de wal een jonge meid ziet wuiven. Of zijn gedicht over een boer die machteloos toekijkt hoe zijn koe een dood kalf krijgt en daar zelf ook bij sterft:

hij keek van koe naar kalf, van kalf naar koe

en stond daar met gebalde vuisten, en alles vloekte,

maar hij vloekte niet.

Daar is geen woord poëtische taal bij en toch zegt die laatste zin alles.”

Hoogenkamp: „Heel mooi. Maar het is een gedicht van een christelijke dichter, niet per se een christelijk gedicht. Welk gedicht bouwt jouw geloof op?”

Van den Berg: „Dan kies ik voor ’Een Joodse man’ van Jan Willem Schulte Nordholt:

Een joodse man van het jaar nul, die, amper drieëndertig jaren, gestorven is voor onze schuld toen wij nog Batavieren waren.

Voor mij biedt dit gedicht ruimte om aan alles te twijfelen. Het christendom is taboeloos, ook twijfel mag. En ik heb dat nodig. Bovendien, als dit gedicht geen brug is tussen geloof en ongeloof, weet ik het ook niet meer.”

Hoogenkamp: „Natuurlijk. Het lijkt er alleen op alsof je aan brave christelijke lezers wilt tonen dat twijfelen mág. Omdat het in jouw bundel staat. Mijn eigen favoriet is trouwens ook van Schulte Nordholt: ’Verlegen met mijn God’. Eerst beschrijft hij hoe hij net als ’verlichte heren’ het ’vreemde fenomeen’ van het christelijk geloof wel kan verklaren, maar als hij dan aan het Avondmaal gaat, en ’mensen zo dwaas als ik de lofzang zingen’, dan is hij niet meer verlegen met zijn God, maar ervaart hij Hem heel dichtbij. Ik weet niet of het gedicht heel goed is, maar het raakt me diep. God laat zich blijkbaar te schande maken en wil tóch met ons van doen hebben.”

Van den Berg: „Dat is de overeenkomst tussen poëzie en geloof. Het heeft iets onverklaarbaars, ergens is het idioot om je ermee bezig te houden, en toch kan het zó veel in je leven betekenen. Ik moet denken aan een gedicht van Herman de Coninck:

Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:

mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt

verdrietje, en het helpt niet;

zoals je een hand op haar hete voorhoofdje

legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,

en het helpt niet:

zo helpt poëzie.

Hoogenkamp: „Zo helpt poëzie. En zo helpt geloof. Even machteloos en even waar.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden