Misschien zijn we wel gaan wennen aan euthanasie

Euthanasie blijkt nog lang niet op haar retour; niet iedereen die het leven wenst te beëindigen kiest voor het alternatief: palliatieve sedatie. Coördinerend voorzitter Jan Suyver van de Toetsingscommissies Euthanasie kan dat wel begrijpen. En dan is er nog de grote groep mensen die kiest voor auto-euthansie.

Principiële tegenstanders hebben een tijd de hoop gekoesterd dat euthanasie als oplossing voor ernstig lijden aan het einde van het leven zou verdwijnen. Er leek immers een mooi alternatief voorhanden: palliatieve sedatie, het in een diep coma brengen van de patiënt in de allerlaatste levensfase. Maar uit de jongste cijfers van de regionale toetsingscommissies euthanasie blijkt allerminst dat euthanasie op haar retour is. Het aantal gemelde vallen stijgt nog steeds.

Coördinerend voorzitter Jan Suyver (62) van de toetsingscommissies heeft ook nooit geloofd in die redenering. „Er zullen altijd patiënten blijven die hun levenseinde bij volle bewustzijn willen meemaken en zich niet in een diep coma willen laten brengen. Zij willen bijvoorbeeld bewust afscheid kunnen nemen van hun naasten.”

Suyvers commissies kregen het afgelopen jaar 2331 meldingen van euthanasie en hulp bij zelfdoding door artsen. Dat waren er 211 meer dan in 2007, waarmee een al jaren zichtbare trend werd bestendigd. Het gestegen aantal valt vooral te verklaren uit de toegenomen bereidheid van artsen om openheid te verschaffen over hun handelen.

Bij Suyver overheerst de voldoening daarover. Maar een schaduwkantje heeft die grotere meldingsbereidheid wel: de vijf regionale toetsingscommissies die het handelen van de artsen moeten beoordelen, komen om in het werk. Al te zeer wil Suyver er niet de nadruk op leggen. „Maar de stijging van het aantal meldingen legt een forsere werkdruk op het secretariaat én op de leden van de toetsingscommissies. We hebben al de nodige efficiencymaatregelen genomen. Maar daarmee zitten we aan ons maximum. Om de groeiende stapel te kunnen afhandelen zou je bijvoorbeeld kunnen denken aan uitbreiding van de commissies zelf: meer plaatsvervangende leden die zich over zaken zouden kunnen buigen.”

Wat kan het gevolg zijn als het aantal meldingen blijft stijgen en de toetsingscommissies dat niet kunnen bijbenen?

„Of je kunt de voorgelegde gevallen van euthanasie minder zorgvuldig bekijken, óf de arts moet langer wachten op het oordeel van onze commissies. Maar we willen de groeiende meldingsbereidheid bij de artsen natuurlijk ook weer niet ontmoedigen.”

Gisteren brachten de vijf toetsingscommissies voor de tiende keer een jaarverslag uit over hun werkzaamheden. Politiek blijft het een gevoelig onderwerp. Maar bij het grote publiek lijkt de aandacht voor het werk van de commissies een beetje te verslappen, merkt Suyver. Aan de ene kant zou Suyver – hij is ook voorzitter van de regiocommissie Zuid-Holland en Zeeland – van het publiek wel wat meer respons willen hebben. Aan de andere kant realiseert hij zich: „Het zou kunnen zijn dat we met zijn allen zijn gaan wennen aan het fenomeen euthanasie.”

Iedere regionale commissie krijgt maandelijks veertig tot vijftig gevallen van euthanasie en hulp bij zelfdoding te beoordelen. Suyver: „Elk dossier omvat het ingevulde meldingsformulier van de arts die euthanasie heeft gepleegd, meestal aangevuld met het medisch dossier, het verslag – een ’vrij opstel’ – van de tweede arts die de meldend arts verplicht moet consulteren, en een concept-oordeel van de secretaris van de commissie. Voor wat betreft het oordeel hebben we maar twee smaken. Zorgvuldig of onzorgvuldig. In het laatste geval wordt de zaak voorgelegd aan het openbaar ministerie en de inspecteur voor de volksgezondheid. Maar de afgelopen jaren ging het steeds om formaliteiten. Het OM heeft nog nooit naar aanleiding van een oordeel van de toetsingscommissie strafvervolging ingesteld. De meeste gevallen geven geen aanleiding tot veel discussie. Doorgaans gaat het daarbij om ondraaglijk lijdende terminale kankerpatiënten. Voor een minderheid van de gevallen gaan we er eens goed voor zitten. Dan hebben we bijvoorbeeld nog nadere vragen aan de arts. Maar die worden meestal alsnog afdoende beantwoord.”

Op één punt vindt Suyver de gang van zaken nog wel eens onbevredigend. „Wij zouden graag zien dat meer artsen de ondraaglijkheid van het lijden van de patiënt uitvoeriger omschrijven en motiveren. Veel artsen doen het wel goed. En ik snap ook wel dat artsen het druk hebben. Maar toch. Aan de ene kant zien we hele pakken formulieren van terminale kankerpatiënten voorbijkomen. Aan de andere kant weten we dat er ook heel veel kankerpatiënten zijn die niet om euthanasie vragen. De ondraaglijkheid van lijden is voor de één kennelijk groter dan voor de ander.”

Gaat het u alleen om een nauwkeuriger beschrijving van de mate waarin patiënten ondraaglijk lijden, of zit hier ook de gedachte achter dat artsen soms te makkelijk ingaan op een verzoek om euthanasie?

„Het zou verleidelijk zijn om hier in een enkel geval ’ja’ op te zeggen. Maar ik zie de patiënten natuurlijk niet. Ik zie de zaken alleen op papier.”

Het jaarverslag over de praktijk van euthanasie en hulp bij zelfdoding wekt de indruk dat Nederland zijn zaakjes keurig op orde heeft. Maar schijn bedreigt. Naast de officiële werkelijkheid is er nog een andere, onzichtbare werkelijkheid. De psychiater Boudewijn Chabot heeft een poging gedaan die in kaart te brengen. Hij komt tot de conclusie dat in Nederland jaarlijks 4400 mensen een einde aan hun leven maken in nauw overleg met hun verwanten. Zij doen geen beroep op een arts maar verzamelen zelf de middelen om hun leven te beëindigen of – in het overgrote deel van de gevallen, namelijk 3000 – door te stoppen met eten en drinken. Het zijn mensen die om welke reden dan ook de officiële weg niet willen of kunnen bewandelen, bijvoorbeeld omdat de arts medewerking weigert. Maar zij kiezen ook niet voor de ruige en schokkende weg van de zelfmoord. Chabot spreekt in dit geval van ’auto-euthanasie’, het schemergebied tussen euthanasie met behulp van een arts en zelfmoord.

In twintig tot dertig procent van de gevallen gaat het om mensen die geen ernstige of dodelijke ziektes hebben. Zij zijn eenvoudigweg ’klaar met het leven’. Er zijn weinig artsen die dat onder de categorie ondraaglijk en uitzichtloos lijden zullen scharen, de wettelijke criteria voor euthanasie.

Zou u niet heel graag meer greep op die andere werkelijkheid willen hebben?

„Het houdt ons wel bezig. Maar wij beoordelen natuurlijk alleen wat artsen ons voorleggen. Deze gevallen van auto-euthanasie komen ons niet onder ogen. Artsen vullen misschien natuurlijke dood in als doodsoorzaak, als zij er mee worden geconfronteerd.”

En wat als zij erachter komen dat familie, vrienden of vrijwilligers de middelen hebben verstrekt?

„Dan horen de artsen dat aan te geven bij Justitie. Maar dergelijke meldingen zijn zeldzaam. Wij zouden meer willen weten over de motieven van mensen die hun toevlucht nemen tot auto-euthanasie. Het is een goed idee dat daar in de volgende evaluatie van de euthanasiewet aandacht aan wordt besteed.”

Zou het fenomeen van de auto-euthanasie er ook op kunnen duiden dat de Nederlandse bevolking tamelijk gemakkelijk denkt over euthanasie? Sterker nog: dat veel Nederlanders al die toetsing en controle maar lastig, vervelend en eigenlijk overbodig vinden?

Suyver: „Dat zou heel goed kunnen. Veel mensen in het land lijken te vinden dat zelfbeschikking het leidend beginsel moet zijn. U weet dat de wetgever anders heeft besloten. De arts beslist uiteindelijk, niet de patiënt. Hij moet het doodsverlangen van zijn patiënt kunnen invoelen. Dat is wat anders dan zelfbeschikking, zoals die bijvoorbeeld wordt voorgestaan door de Stichting Vrijwillig Leven die in Almelo samen met voorzitter Gerard Schellekens strafrechtelijk is vervolgd. Voor dat principe van zelfbeschikking valt best begrip op te brengen, al was het maar om te voorkomen dat mensen anders voor de trein springen.

„Maar er rijzen ook veel vragen. Een kankerpatiënt die vreselijk lijdt zou wat mij betreft nog over zichzelf mogen beschikken. Maar wat te denken van de depressieve patiënt die zegt dat hij dood wil? Het kan zijn dat hij een jaar later weer uit de duisternis stapt en vrolijk verder leeft. Ik zie dus grote risico’s aan het zelfbeschikkingsprincipe.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden