Misschien wel het beste oorlogsboek

De familie Boslowits heeft twee zonen. Simon komt er regelmatig, tot 1943, en onthoudt wat hij ziet.

Het is 1947. Ik ben twaalf jaar. Gerard van het Reve is 24 jaar. Niemand kent die naam. Ik heb een jaar lang bij mijn vader gezeurd of hij mij wilde vertellen over onderduikers en moffen, prikkeldraad en revolvers, verzet en moord. Hij had er geen zin in. Op een dag gaf hij me een saai uitziend tijdschrift: Lees dat maar eens. Het was een nummer van het literaire blad Criterium uit 1946, met het proza-debuut van Van het Reve. Ik las de novelle en sinds die dag lees ik alles van hem.

Tot en met de verschijning van het 'Verzameld Werk' van Gerard Kornelis van het Reve in 1956, dat ook de roman 'De Avonden' en de novelle 'Werther Nieland' bevatte, was hij voor mij de beste schrijver van de wereld. Van dat dikke boek verkocht Van Oorschot in tien jaar drieduizend exemplaren.

Toen vijf jaar later zijn 'Brieven' verschenen, in Tirade en in twee bundels, was hij voor mij de beste schrijver van Nederland. De rij boeken die daarna van hem verschenen en die bij honderdduizenden verkocht werden, interesseerden mij steeds minder. Ik bleef ze lezen met 'De Ondergang' en 'De Avonden' en 'Werther Nieland' in het hoofd.

In de novelle 'De ondergang van de familie Boslowits' beschrijft een jonge man hoe hij als kind tussen 1930 en 1943 bij die familie aan huis komt. Het is een echtpaar met twee zonen, net als bij Gerard thuis.

Simontje, zoals Gerard toen werd genoemd, let goed op wat iedereen zegt en onthoudt het tien jaar lang. Nergens in het verhaal vallen de woorden joden of moffen. Alles wordt zo opgeschreven dat het duidelijk uit het oogpunt van een jongetje is. Geen ogenblik zag ik het als een verzinsel.

Als ik het nu lees, zie ik dat de drie kinderen Eric, Joost en Lies van de familie Willink, die bevriend is met de ouders van Simon, natuurlijk de drie kinderen van Jan en Annie Romein zijn. Ook andere details zijn, voorzover ik kan nagaan, historisch. Maar dat doet er niet toe. Wij krijgen het verhaal verteld door een jongen van twintig, die zich goed herinnert wat er gebeurde toen hij tien was.

Je zou kunnen denken dat hij het zó, zonder enige historische informatie erbij, opschreef omdat hij erop rekende dat voor zijn lezers uit 1947 de oorlog net voorbij was. Maar dat is niet zo. Als over een eeuw niemand meer aan de Duitse bezetting denkt, dan zal dit verhaal nog steeds sterk, overtuigend en vreselijk zijn. Niets van de overdreven stijl, de leukdoenerigheid en de eigen angsten van de latere Gerard Reve is in dit verhaal te vinden. Net als bij de verhalen van Heinrich von Kleist zullen de historische omstandigheden eens vergeten zijn, maar zal het verhaal door de stijl, en het feit dat een jongen het meemaakt en vertelt, overtuigend en ontroerend blijven. Ik vertel het heel kort na.

De familie Boslowits bestaat uit Oom Hans, Tante Jaanne en twee zonen, Hans en Otto. De vader is verlamd, Otto is zwakzinnig. Zonder dat ooit wordt gezegd waarom, is het duidelijk dat zij onder een vreselijke dreiging leven. Tante Jaanne komt op een avond

,,bij ons. - Ze zijn begonnen op te halen, zei ze, ze halen op. Geen oproepen meer, ze halen ze direct, zei ze. - De familie Allegro is gehaald. Ken je ze? - Nee, die ken ik niet, zei mijn moeder.''

Oom Hans ligt in het ziekenhuis. Tante Jaanne vraagt Simon om daar een verklaring te halen dat hij ernstig ziek is. Hij geeft die aan Tante Jaanne die zegt: ,,Er staat in dat hij ernstig ziek is, dat moet zijn: levensgevaarlijk ziek.'' Simon gaat weer naar het ziekenhuis. Nu zegt Tante Jaanne: ,, Je moet nog een keer gaan en vragen, of ze een heel nieuw bewijs maken, waarop de aard van de ziekte vermeld staat. De aard van de ziekte. En niet in het Latijn, maar desnoods in het Duits, in ieder geval dat het te begrijpen is.''

Simon doet het.

,,Dacht je dat dat iets om het lijf heeft? zei Hans. Waarachtig, antwoordde ik. Hij weet het, hij weet het, zei ik bijna hardop. Wat zeg je? vroeg tante Jaanne. Ik neurie, zei ik.''

,,Op een Dinsdagmorgen kwamen buren ons zeggen, dat de vorige avond om half negen twee agenten met zwarte helmen op, gekomen waren... - U moet allebei mee.'' Misschien dat over een eeuw voor alle duidelijkheid vóór het woord 'agenten' de verduidelijking 'Nederlandse' zal worden ingevoegd.

In Pressers boek dat ook 'De Ondergang' heet (en 'Verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945') wordt de ontruiming van het gesticht in Apeldoorn beschreven in een hoofdstuk dat begint met de opmerkelijke zin: ,,In Apeldoorn heeft zich in die januarimaand 1943 iets afgespeeld, dat toch wel een, zij het beknopte, beschrijving wettigt.'' Reve doet het nog korter. Een buurvrouw vertelt: ,,Het Apeldoornse Bos is gisteren ook leeggehaald.'' Simons moeder gaat het Oom Hans vertellen. Tegen Simon zegt ze daarover: ,,Hij hoopt maar, dat hij direct doodgemaakt is. De doktoren en verpleegsters zijn bij de patiënten gebleven, wist je dat? - Nee, zei ik, dat wist ik niet.''

Oom Hans, die bij kennissen op een zolderkamer is ondergedoken, pleegt zelfmoord. Twee mannen laten het lijk in de gracht zakken. Wegens de spertijd moeten ze tot de morgen wachten voor ze naar huis kunnen. ,,Tot die tijd besprak men alle dingen; de afstanden der planeten, de vermoedelijke duur van de oorlog en het al dan niet bestaan van een god.'' Het is de enige keer dat Gerard Kornelis van het Reve iets vertelt dat hij niet zelf heeft meegemaakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden