'Misschien dacht hij weleens aan mij' Mildred Zijlstra

Marc van der Linden onthulde dat Mildred Zijlstra (Den Haag, 1946) het oudste buitenechtelijke kind van prins Bernhard is. In 'Dansen in een prinsessenjurk' beschrijft zij nu zelf de zoektocht naar haar biologische ouders.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

"Mijn vader was Hervormd, mijn moeder Gereformeerd. De ene keer ging ik met hem, de andere keer met haar mee naar de kerk. Vooral mijn vader was erg streng in de leer. Recht door zee. Een lieve man en een geweldige vader, maar hij heeft mij wel opgevoed met het idee dat God een straffende God is voor wie je elke avond op de knieën moest. Mijn moeder had een iets ruimere blik. Zij heeft mij, toen ik vier was, aan de hand van een bijbelverhaal over mijn adoptie verteld. Ik kwam niet uit haar buik, zei ze, maar uit de hemel. God had er zelf voor gezorgd dat ik bij hen terecht was gekomen. Precies zoals het kindje Mozes, dat in een rieten mandje de Nijl was afgezakt."

undefined

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

"De God uit mijn jeugd bestaat nog steeds voor mij, maar Hij maakt nu deel uit van een groter geheel. Jezus was een mysticus, zoals velen die voor en na hem kwamen. Ik vind het zenboeddhisme óók heel waardevol en ik geloof in engelen die mij beschermen als het nodig is. Ik heb, toen ik mijn biologische moeder eenmaal had ontmoet en op zoek ging naar mijn vader, een medium geraadpleegd: Cor. Ze werd mij min of meer aanbevolen en ik dacht: baat het niet dan schaadt het niet. Misschien was ik vanwege mijn opvoeding wel iets te nuchter voor dit soort praktijken, maar toch: Cor was de eerste die, zomaar uit het niets, prins Bernhard aanwees als mijn mogelijke verwekker."

undefined

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

"Het doet nog altijd een béétje zeer als iemand vloekt, maar met God heeft dat niet zo veel meer te maken. Het is vooral onbeschaafd, iets wat je niet hoort te doen. God heeft lang over mijn schouder meegekeken, en ik voel Zijn adem nog wel eens in mijn nek, maar ik ben nooit meer bang. Ik lach Hem eerder vriendelijk toe."

undefined

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

"Op zondag móet er van alles gebeuren, waarschijnlijk omdat ik vroeger helemaal niets mocht doen. Niet fietsen, niet spelen, ik mocht zelfs niet breien op de dag des Heren. Mijn ouders waren allebei 41 toen ze mij kregen, ze hielden ervan om 's middags even te rusten. Ook op zondag. Saaier kon het niet worden. Doodstil en helemaal alleen. Ik heb wel mooie herinneringen aan het zingen in de kerk. Als de EO zo'n korenprogramma uitzendt, sta ik al die liederen mee te kwelen. 'Wat de toekomst brengen moge' is nog altijd één van mijn favorieten. Ik kan er zelfs kippenvel van krijgen als ik dat hoor. Wat is dat toch? Heimwee? Ja. Dat zou goed kunnen. Mijn kinderen laten hún kinderen iedere avond een liedje zingen dat ik hen vroeger heb geleerd. 'Ik ga slapen, ik ben moe, 'k sluit mijn beide oogjes toe, Heere houd ook deze nacht, over mij getrouw de wacht.' Prachtig toch, hoe zoiets wordt doorgegeven?"

undefined

V Eer uw vader en uw moeder

"Ik had een sterke band met mijn vader, maar deed ook veel om hem te pleasen. Hij stond erop dat ik paardrijlessen nam. Dat hoorde bij mijn opvoeding. Veel meer dan een rijbewijs halen of zo; dat was helemaal niet ladylike. Tegenwoordig beginnen ze op een pony, maar ik moest meteen, hop, op zo'n grote knol. Ik was hartstikke bang. Dat zei ik ook tegen hem, maar dan riep hij 'kuiten aan!' Flink zijn, niet zeuren.

Hij was een grote, sterke man. Buitenshuis was hij de baas. Binnen had mijn moeder de broek aan. Ze kon vooral behoorlijk manipuleren. Als mijn vader bijvoorbeeld 's avonds met mij naar de paardenrennen wilde, begon hij daar pas laat in de middag over omdat hij wist dat ze anders de hele dag zou gaan lopen hoesten en proesten, net zo lang tot ik, vanwege haar 'bronchitisaanval', thuis zou moeten blijven.

Mijn vader had niet de guts om mijn moeder tegen te spreken. Bovendien was zij ook iemand met een geschiedenis: ze had negen misgeboortes gehad. Negen krassen op haar ziel. Je kon heel erg met haar lachen, maar dat verdriet lag altijd ergens onder de oppervlakte. Ik had voortdurend de behoefte om het haar naar de zin te maken. Ik was vaak bezorgd. Gaat het wel, mama? Je wordt toch niet ziek? Je gaat toch niet dood?

Ik was vaak bang. Eerst dat ik misschien weer zou worden opgehaald door de mensen die mij hadden weggedaan, en later, nieuwsgierig geworden naar mijn biologische ouders, dat ik mijn adoptieouders verdriet zou doen door naar hen op zoek te gaan. Ik hád toch al een vader en een moeder? Ze waren heel erg liefdevol; ik moest dankbaar zijn dat ik zó goed terecht was gekomen. Dit gebod stond bovenaan, ik liet het wel uit mijn hoofd om oneerbiedig te zijn, om te twijfelen aan hun goede bedoelingen. Als ik mijn moeder vragen stelde over mijn ouders zei ze: 'Laat dat nou maar rusten, je wil toch niet dat je vader het weer aan zijn hart krijgt?'

Pas op mijn 36ste durfde ik om de adoptiepapieren te vragen. Ik vond mijn biologische moeder, twee halfzussen en twee halfbroers. Mijn adoptiemoeder zei blij te zijn voor mij - 'Nu ben je niet langer alleen' - maar toen ik vertelde naar mijn verwekker op zoek te gaan, viel ze terug in haar oude rol. Waarom moest ik zonodig in het verleden wroeten? Ook mijn vader hield zich stil. Pas op zijn sterfbed leek hij van plan om iets te gaan vertellen. 'Er is meer', had hij met moeite uitgebracht. Hij klopte op zijn borst, alsof hij zich opmaakte voor de volgende zin... maar toen kwam mijn moeder binnen en hield mijn vader zijn mond. Mijn ouders hebben kennelijk beloofd om voor altijd te zwijgen, en beloofd is beloofd, maar waarover, en aan wie?

Het eerste wat mijn biologische moeder tegen mij zei was: 'Ik zal je nooit vertellen wie je vader is.' Ik wist dat hij een 'hogere militair' was geweest en ik was kort na de bevrijding verwekt. Toen gaf Cor, het medium, die hint: ik zou mijn verwekker veelvuldig in de krant zien staan. Daarna vertelde Bosch van Rosenthal, een jachtvriend van mijn vader, dat Bernhard - met wie hij ook uit jagen ging - mijn biologische vader was.

Vier jaar geleden verscheen het boek 'De vrouwen van Prins Bernhard' van Marc van der Linden. Kort voordat het gedrukt zou worden, zei ik tegen Marc dat ik nog één keer aan mijn biologische moeder wilde vragen wie mijn vader was. Ze had inmiddels al toegegeven dat ze voor de Binnenlandse Strijdkrachten had gewerkt en zichzelf op een foto, met Bernhard, had herkend. Joop, mijn man, ging mee. Hij drong er ook op aan dat ze zich zou uitspreken. Op de ultieme vraag - 'Was je zwanger van hem?' - zei ze: 'Ja, maar wat had ik dan moeten doen? Had ik naar hem toe moeten gaan? Ik was nog zo'n naïef meisje.' Na die middag ging ik akkoord met de publicatie. Het nieuws sloeg in als een bom. Ook mijn moeder was onaangenaam verrast. Ze trok haar woorden onmiddellijk weer in en verbrak ieder contact.

In feite heeft ze mij voor een tweede keer verlaten. Ze is natuurlijk niet mijn echte moeder, ze heeft niet naast mijn bed gezeten toen ik ziek was, ze stond niet klaar met de thee als ik thuiskwam uit school. Ik weet wel dat het niet meer mogelijk is om een moeder-dochter relatie op te bouwen, maar diep in mijn hart verlang ik er toch nog naar. Ze is nu negentig, en erg ziek. Mijn halfzussen willen liever dat ik uit haar buurt blijf. Dat zorgt alleen maar voor onrust, zeggen ze. Ik begrijp het wel, maar toch. Het doet pijn.

En wat mijn biologische vader betreft: ik heb hem nooit gekend. Hij heeft van mijn bestaan geweten. Dat kan niet anders. Misschien heeft hij zelfs weleens, heel even, aan mij gedacht."

undefined

VI Gij zult niet doodslaan

"Mijn moeder heeft na de dood van mijn vader nog twee jaar geleefd. Het waren niet haar beste jaren. Ze brak haar heup, kwam in een verpleeghuis terecht en had elke dag wel iets te mopperen. Na een tijdje zei ik: 'Mama, als je nu niet ophoudt, leg ik een kussen op je kop er ga ik er bovenop zitten!' Als het niet in strijd met haar geloof was geweest, zou ze misschien wel voor euthanasie gekozen hebben. Ze was oud en ziek; ze had er gewoon geen zin meer in. Ik kan mij daar op zich wel iets bij voorstellen, maar ik zou zo'n beslissing nooit durven nemen. Ik ben bang voor het doodgaan, niet voor de dood zelf. Volgens mij is de dood het begin van een volgend leven. Het lijkt mij vanzelfsprekend dat we reïncarneren. Kijk maar naar de natuur: in de herfst valt het blad af, bloemen gaan dood, maar in het voorjaar komt alles weer tot bloei. Als het met bomen en planten zo gaat, waarom zou God dan voor mensen en dieren iets anders hebben bedacht?"

undefined

VII Gij zult niet echtbreken

"Ik was jong. Kreeg snel mijn eerste kind, daarna een tweede en een derde. We hebben gelukkige jaren samen gehad - en ik heb nog steeds een heel goed contact met mijn ex-man - maar het was te snel gegaan, te ondoordacht misschien. Ik kwam vast te zitten, kon mij niet verder ontwikkelen. Volgens mij worden bepaalde personen op je pad gestuurd; mijn tweede man was ook zo iemand. Hij had al twee kinderen uit een eerder huwelijk en samen kregen wij nog een zoon. Zo kreeg ik uiteindelijk het grote gezin waar ik in mijn jeugd al naar had verlangd."

undefined

VIII Gij zult niet stelen

"Misschien moest ik als dochter van de adjudant wel braver zijn dan de rest. In ons huis in Koog aan de Zaan bevonden zich, in een gangetje achter een ijzeren deur, een paar politiecellen. Soms reed ik er op mijn fietsje langs. Ik zie nog altijd die getraliede vensters voor me. Sommige gevangenen rammelden aan hun deuren. 'Die mensen zitten daar,' zei mij vader, 'omdat ze brutaal geweest zijn tegen hun moeder.' Dat was zo'n beetje het ergste wat ik mij kon voorstellen: brutaal zijn tegen je moeder. Volgens mijn vader werd iedereen 'in zonde geboren', in mensen van goede wil kon hij niet geloven. Het was zijn taak om al die zondaars een beetje in het gareel te houden. Ik ben heus wel eens in overtreding geweest, maar ik heb ook iets van mijn vaders rechtlijnigheid meegekregen; ik hou niet van gesjoemel en ik heb een sterk ontwikkeld besef van goed en kwaad."

undefined

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

"Mijn adoptieouders hebben dingen verzwegen, maar mijn biologische moeder heeft mij weleens voorgelogen. Een keer heeft ze, toen ik naar mijn vader vroeg, zomaar een naam genoemd. Ik was van plan om aan 'Spoorloos' mee te werken, het programma van mijn oude buurjongen Derk Bolt. Toen bleek dat ze ons iets op de mouw had gespeld, ben ik afgehaakt. Ik moest er niet aan denken dat we bij de verkeerde op de stoep zouden staan, en misschien wel een heel leven overhoop zouden gooien. Ik was blij toen mijn zoektocht ten einde kwam, hoe bizar het resultaat ook was. Ik was er bang voor dat ze mij als een fantast of een leugenaar zouden zien.

Er zijn wel mensen die twijfelen. 'Er is geen DNA-test gedaan,' roepen ze dan. Nee, die is ook niet bij die andere twee buitenechtelijke dochters gedaan. Ik weet gewoon voor 99 procent zeker dat hij - waarom ik niet honderd zeg? Je hebt gelijk. Wat een onzin, eigenlijk. Ik zeg het gewoon zoals het is: ik ben er voor honderd procent van overtuigd dat prins Bernhard mijn vader is."

undefined

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

"Het enige wat ik voor ogen had was: mijn biologische ouders vinden. Mensen die denken dat het mij om geld te doen is, moet ik teleurstellen. Ik geef helemaal niets om materiële zaken. Ik ben niet jaloers op mijn halfzussen, maar ik had wel graag contact met hen willen hebben. Ik heb jaren geleden eens een brief aan Irene gestuurd. Zij is iemand die, net als ik, veel voelt. En Christina zingt in een koor. Volgens mij is zij een alt. Ik ben sopraan. Het zou toch leuk zijn als wij op een dag nog eens samen zouden zingen? Als het niet gebeurt, is het ook goed. Ik ben de laatste jaren erg tevreden. Joop en ik verblijven een groot gedeelte van het jaar in in Zuid Frankrijk, we hebben een heerlijk leven. Er is een tijd geweest waarin ik van alles wilde, en dan ook het liefst nog tegelijkertijd. Die gretigheid is weg, zo is het goed... mijn schoonmoeder had daar een prachtige uitdrukking voor, in dit verband misschien wel heel geschikt: je kunt toch wel dansen, al is het niet met de prins."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden