Misbruik, bewijs het maar eens

Er liggen lastige zaken op het bureau van de commissie-Samson, die onderzoek doet naar kindermisbruik in de jeugdzorg. Een daarvan is de Burgerweeshuisaffaire. Vergreep de pedoseksuele groepsleider van dit crisiscentrum zich dertig jaar geleden aan driejarige jongetjes?

Hoe onderzoek je kindermisbruik van dertig, veertig, zestig jaar geleden? Hoe reconstrueer je ’de’ waarheid, als daders dood of dement zijn, of het misbruik altijd hebben ontkend? Als archieven allang vernietigd zijn, of uiterst slordig bijgehouden?

Er liggen lastige zaken op de bureaus van de twee commissies die momenteel onderzoek doen naar kindermisbruik in de katholieke kerk (Deetman) en de jeugdzorginstellingen van de overheid (Samson).

Die laatste commissie kreeg tot nog toe ruim honderd meldingen binnen. Een daarvan gaat over Sociaal Agogisch Centrum Het Burgerweeshuis in Amsterdam. Dat was een crisiscentrum voor kinderen die voor langere of kortere tijd uit huis waren geplaatst.

Vast staat dat er in dit centrum van 1981 tot 1985 een pedoseksuele groepsleider werkte. Maar heeft deze man – die inmiddels is overleden – zich daadwerkelijk aan kinderen in het centrum vergrepen? Tilde hij een driejarig jongetje ’s nachts uit zijn bed, om hem te verkrachten? Stond hij toe dat een bevriende pedofiel met een ander jongetje in de wc verdween?

Pedagoge en ’pedofielenonderzoeker’ Ireen van Engelen denkt van wel. Zij schreef een boek over de affaire: ’En ze noemen het liefde’ (1999). Dat boek stuurde ze onlangs met een begeleidende brief naar de commissie-Samson.

Van Engelen is geen slachtoffer van kindermisbruik, ook geen moeder van een slachtoffer, of oud-werknemer. Ze kwam het (mogelijke) misbruik per toeval op het spoor, toen ze op de zolder van haar nicht een stapel brieven vond. Die waren gericht aan haar (pedofiele) neef en afkomstig van een groepsleider van Sociaal Agogisch Centrum Het Burgerweeshuis in Amsterdam, een crisiscentrum voor kinderen in nood.

’Paul, ik moet je iets toevertrouwen’, zo begint een brief van die groepsleider. ’Verleden week heb ik me vergrepen aan een kind wat nog niet eens kon praten. Een jongetje van drie jaar. [...] Plots werd ik zo geil van de gedachte dat je als groepsleider een supermacht hebt en ieder kind kunt misbruiken!’

De correspondentie bevat misselijkmakende details over het misbruik van zeker vijf jongetjes. Over een bezoek aan de jeugdarts met een van hen schreef de groepsleider: ’Heel grappig te vermelden is het feit dat als hij naakt voor de dokter staat, hij een stijf lulletje heeft. Ik ben daar dan meestal bij omdat ik zijn mentor ben. Kun je je voorstellen als zo’n arts spermaresten ontdekt? Genoeg gepraat hierover, ik ben mezelf weer angst aan het inboezemen’.

De brieven zetten het leven van Van Engelen ’totaal op z’n kop’. „Ik kreeg aanhoudende hoofdpijn, zat er alleen maar over na te denken”, vertelt ze. „Ik ben de brieven over gaan typen, om ze hanteerbaar te maken. De machteloosheid van die kinderen... Het greep me enorm aan.”

Het bleef niet bij typen. Van Engelen meldde de vondst van de brieven bij de Amsterdamse zedenpolitie. Toen die een eerste onderzoek naar de groepsleider zonder succes afsloot, vanwege gebrek aan bewijs, zocht ze contact met de directie van het Burgerweeshuis.

Er volgde, voor de klokkenluidster, een periode van wachten en geduld hebben. Gebeurde er wel iets met de correspondentie, die in haar ogen zo schokkend en belastend was?

Wachten alleen, dat kon Van Engelen niet. Na de arrestatie van de Belgische kindermoordenaar en -verkrachter Marc Dutroux, besloot zij een proces-verbaal over de groepsleider te laten opmaken. Daarmee konden de politierechercheurs huiszoeking bij hem doen en wisten zij de man voor de rechter te krijgen.

Die veroordeelde hem in 1997 tot drie jaar cel voor misbruik van jongetjes in Thailand en de distributie van kinderporno. Dus niet voor misbruik van kinderen in het Burgerweeshuis,want dat heeft de groepsleider altijd ontkend; de brieven bevatten volgens hem slechts seksuele fantasieën.

Van Engelen heeft dat nooit geloofd. Ze is ervan overtuigd dat de groepsleider de levens van verschillende jongens – volwassen mannen inmiddels – heeft verwoest. Al sinds de vondst van de brieven hamert ze erop dat de slachtoffers moeten worden opgespoord, omdat ze vermoedelijk hulp nodig hebben.

Spontaan meldden die slachtoffers zich niet, ook niet na publicatie van haar boek in 1999. Dat is niet zo gek, vindt Van Engelen: „In dat centrum zaten kinderen met grote problemen, die ook nog eens misbruikt werden. Die lezen dit soort boeken niet, ze kunnen misschien niet eens lezen.”

Volgens Van Engelen is de toenmalige directie van het tehuis laks geweest bij het opsporen van slachtoffers. „De Burgerweeshuisaffaire is op slinkse wijze in de doofpot gestopt.”

Heeft ze gelijk? Mark Bent, bestuursvoorzitter van Spirit, betwijfelt dat. Spirit is de Amsterdamse jeugdzorgorganisatie waarin Het Burgerweeshuis in 2002 organisatorisch is opgegaan. Het crisiscentrum zelf bestaat niet meer.

„Wij werden pas een half jaar geleden – via een brief van mevrouw Van Engelen – over deze affaire geïnformeerd. Ik kende haar boek niet”, zegt Bent. Hij nam meteen contact op met de toenmalige Burgerweeshuisdirectie en met de jeugdzedenpolitie Amsterdam.

Zijn conclusie: „De politie heeft de man indertijd indringend verhoord, maar het is nooit helder geworden of die brieven fantasie waren of niet.”

In opdracht van de directie van het crisiscentrum, is de politie in 1997 volgens Bent wel degelijk op zoek geweest naar mogelijke slachtoffers van de groepsleider. „Maar die zijn nooit gevonden. Er is slechts één jongen min of meer gelokaliseerd in het zwerfcircuit.”

Is het dan zo moeilijk om jongeren, die in het crisiscentrum woonden en die de groepsleider in zijn brieven bij voornaam noemde, op te sporen? Hun achternamen en geboortedata zijn toch wel ergens bekend?

Dat is nu juist het probleem, zegt Bent: „In die tijd, begin jaren tachtig, was de registratie heel beperkt. Het was een crisiscentrum, kinderen liepen in en uit. Hun gegevens werden gebrekkig, in schriftjes, bijgehouden. Tegenwoordig is de registratie veel zorgvuldiger, maar worden personeelsdossiers ook na zeven jaar en kinddossiers na vijftien jaar vernietigd.”

Bent heeft zich de afgelopen maanden afgevraagd of Spirit alsnog een zoekactie naar mogelijke slachtoffers van de groepsleider moet beginnen. „Wij zijn een andere instelling, maar we voelen een historische verantwoordelijkheid.” Maar na het gesprek met de politie ziet hij daarvan af: „Die heeft ons ervan overtuigd dat er alles aan gedaan is.”

Klokkenluidster Van Engelen deelt die overtuiging niet. „De dossiers zijn vernietigd, maar hun namen zijn vast ook bekend bij de GGD, omdat alle kinderen onder controle staan van de huisarts. Als je goed zoekt, moeten die kinderen te vinden zijn. Ik zou willen dat ik mocht zoeken, maar het bestuur van het Burgerweeshuis heeft de deuren voor mij altijd dicht gehouden.”

Met medewerking van Perdiep Ramesar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden