Minstens vier scenario's voor Indonesië/NIEUWSANALYSE

AMSTERDAM - Met een schok nam de wereld afgelopen zondag kennis van het etnisch-religieuze geweld dat groepen moslims in Jakarta tegen christelijke medeburgers ontketenden. Waarheen beweegt zich de republiek Indonesië? In Jakarta circuleren tenminste vier scenario's over het verloop van de politieke ontwikkelingen van het land: revolusi, restorasi, reformasi of islam, aangevuld met varianten uiteenlopend van totale anarchie, waarbij de eenheidsstaat uiteenvalt in tien vijftien brokken, tot militaire junta's ... la Algerije of Burma.

Deze scenario's worden bedacht in een land dat tot op het bot verscheurd is als gevolg van Soeharto's 32-jarig regime. De economische groei was weliswaar tot medio 1997 gemiddeld ruim zeven procent per jaar maar die groei was zo ongelijk verdeeld dat de gehele samenleving één kruitvat is geworden.

De grote sociaal-economische tegenstellingen lopen namelijk voor een belangrijk deel langs regionale, etnische en religieuze scheidslijnen. Een klassieke voorwaarde voor een broederstrijd, waar ook ter wereld. Tegen deze achtergrond proberen de belangrijkste actoren hun eigen scenario na te streven. Velen doen dit niet eenduidig, de meesten houden zoveel mogelijk hun opties open om meerdere coalities te kunnen vormen.

Ondanks de verrassende openheid van de media opereren de hoofdspelers binnen de politieke arena van Jakarta nog steeds met hun belangrijkste troefkaarten dicht op hun borst. Zij hebben onder Soeharto geleerd op meerdere paarden tegelijk te wedden en de ogenschijnlijke politieke vrijheid van dit moment verleidt hen toch niet tot een al te duidelijke publieke positiebepaling.

Zo zijn er binnen de nog steeds belangrijkste politieke organisaties, het leger (Abri), en de regeringspartij (Golkar), ieder tenminste vier fracties die elkaar onderling bestrijden, maar die naar buiten toe, op bepaalde punten, een eenheid lijken te vormen. Dit maakt de politieke arena van Indonesië verward en complex. Om, heel schematisch, enige ordening te brengen in de wirwar van personen en groeperingen die vorm proberen te geven aan hun eigen politieke agenda werken we de vier scenario's verder uit. De restorasi van Soeharto's Nieuwe Orde (maar dan zonder Soeharto) lijkt de meest waarschijnlijke; die van de islam de meest verontrustende.

- Vervolg op pagina 10: Wordt het een Algerije of een Burma?

Wordt het een Algerije of een Burma? VERVOLG VAN PAGINA 1

Een Indonesische soldaat redt een non uit een brandende school in Jakarta, zondag, toen daar etnisch-religieus geweld oplaaide. FOTO AP

- Het eerste scenario, revolusi, gaat er vanuit dat de reformasi-beweging, zoals die vanaf het begin van dit jaar in eerste instantie door vooral studenten en daarna door Megawati Soekarnoputri's PDI, Abdurrachman Wahid's NU (Nahdatul Ulama) en Amien Rais PAN (partij van het nationale mandaat) wordt gepropagandeerd, is vastgelopen op de sterke restauratieve krachten binnen het kabinet van Habibie. Daarom: reformasi total, of wel, revolusi. De steunbetuigingen van president Habibie aan de reformasi worden als puur retoriek afgedaan.

Dit scenario van revolusi wordt gedragen door een relatief kleine groep studenten met enkele politiek doorgewinterde strategen op de achtergrond. Eind 1998 zijn deze studenten gehard en politiek bewust geworden door maandenlange discussies en actievoering waarbij zij vooral handig gebruik maken van hun email-netwerken. Er tekent zich onder deze beweging nog geen duidelijk eééhoofdig leiderschap af, maar dat is geheel conform met hun visie (die overigens ook in brede kring onder het Javaanse bevolkingsdeel leeft) dat zo'n nieuwe leider pas gelouterd en wel uit de strijd te voorschijn kan treden.

- De restorasi van de Nieuwe Orde wordt als het tweede, en mogelijk het meest waarschijnlijke, scenario gezien. De Abri, het leger, en de regeringspartij, Golkar, zullen ondanks hun grote onderlinge rivaliteit, omwille van het herstel van hun lucratieve machtsposities in het verleden, zich verenigen met als doel zo snel mogelijk uit de economische crisis te komen. Hierbij zullen zij desnoods de economische belangen van de familie Soeharto en enkele van diens Chinese geldschieters (cukong), opofferen als zij denken daarmee hun critici de wind uit de zeilen te kunnen nemen.

Het politiek-economische bestel van de Nieuwe Orde als zodanig staat bij hen niet ter discussie. Dit systeem, dat eind jaren zestig door militairen en technocraten werd uitgestippeld, wordt nog steeds gezien als het enige juiste om de immens uitgestrekte archipel bijeen te houden en economisch op te bouwen. Slechts zeer gradueel kunnen hele kleine stapjes gezet worden op weg naar meer sociale en politieke controle op het functioneren van de overheid. Want, zoveel is hen natuurlijk ook duidelijk geworden, ongecontroleerde macht corrumpeert uiteindelijk.

- Maar wat betreft het tempo en de omvang van de veranderingen verschillen zij wezenlijk van de reformasi-beweging, het derde scenario, zoals dat wordt nagestreefd door Abdurrachman Wahid (NU), Megawati (PDI) en Amien Rais (PAN) die veel sneller en op grotere schaal democratiseringsmaatregelen in gevoerd willen zien. Voor de radicale studenten gaan echter ook hun voorstellen niet snel en ver genoeg. Zo dreigen deze belangrijke volksleiders hun moreel gezag binnen de oppositie te verspelen.

Bovendien bestaat er tussen de drie genoemde leiders nog steeds een fundamenteel wantrouwen, juist op dit punt van de politieke rol van de islam, waarbij Megawati en Wahid tegenover Amien Rais staan. Dit heeft alles te maken met het verleden.

Wahid en Rais vertegenwoordigen de twee belangrijkste stromingen binnen de islam in Indonesië, de NU en de Muhammadiyah, die vanaf hun oprichting tijdens de koloniale tijd, al rivalen van elkaar zijn. Vanaf het begin van de republiek is daar een politiek-ideologische dimensie bijgekomen. Binnen bepaalde Muhammadiyah-kringen wordt het oude ideaal van een islamstaat nog steeds gekoesterd, zij het niet expliciet, terwijl de NU onder het voorzitterschap van Wahid, sinds 1984, daar duidelijk afstand van heeft genomen. Beide personen hebben bovendien sinds de oprichting van de ICMI, de associatie van moslimintellectuelen, eind 1990 ook voortdurend met elkaar publiekelijk in de clinch gelegen. Geen hechte basis dus om nu één front te vormen.

- Het vierde scenario, dat minder expliciet wordt verwoord maar dat al veel langer een rol speelt, is dat van de verwezenlijking van het oude ideaal, een islamstaat. In 1945 wist president Soekarno dit streven te pareren met zijn 'gouden' formulering van de pancasila, de staatsideologie van vijf principes. Het eerste daarvan luidt: het geloof in de Ene Almachtige (Yang Maha Esa). Hierop kunnen gelovigen van alle religies 'amen' zeggen. Met deze formulering voorkwam Soekarno ook dat één bepaalde godsdienst die Almachtige als de haar eigen 'god' kan claimen.

Voor het leger, als nationale organisatie, is de pancasila heilig. Maar sinds de oprichting van de ICMI is daarover onder belangrijke groepen officieren, onderhuids, verandering gekomen. Daarom kan er sinds 1990 gesproken worden van een ABRI-hijau (= groen, de kleur van de islam) tegenover de ABRI-merah putih (= rood-wit, de kleuren van de nationale vlag: trouw aan de pancasila). Volgens dit vierde scenario kan echter de huidige staatsideologie, de pancasila, wel formeel worden gehandhaafd maar moet de islam de facto politiek en economisch alles overheersend worden.

Het gaat deze beweging, zegt men, in de eerste plaats om een 'historische correctie' zoals zij dat zien. Tijdens de Nederlandse tijd en eigenlijk ook gedurende de periode Soekarno en het eerste decennium van Soeharto's regering, zagen de moslims, hoewel 85 procent van de totale bevolking uitmakend, zich ten achter gesteld bij enkele religieuze en etnische minderheden. Dan wordt altijd direct verwezen naar de christelijke, Chinese bevolkingsgroep die zo'n dominante economische positie innam. Een proportionele politieke en economische positie naar demografische verhoudingen wordt door deze moslimstroming als een rechtvaardig eis gezien en is hun eerste doel. Vandaar ook dat in het officierencorps uitgesproken moslims hoge functies moesten bekleden: een 'natuurlijke' versterking van de ABRI-hijau vleugel. Nu levert zo'n verschuiving in machtsposities al direct de psychologische reactie op van 'discriminatie' bij de voorheen bevoordeelde groepen die zich nu misdeeld wanen, maar er speelt meer. Gevreesd wordt dat uiteindelijk een verdere islamisering van de politiek en economie de religieuze minderheden, christenen, hindoes en boeddhisten, tot tweederangs burgers zal maken. Deze vrees lijkt niet geheel ongegrond. Dit kan worden geïllustreerd aan het volgende.

Een belangrijke exponent van dit vierde scenario, Adi Sasono, de huidige minister van cooperaties en het midden- en kleinbedrijf, en de voormalig secretaris-generaal van ICMI, voert sinds mei dit jaar een felle campagne voor een beleid van ekonomi kerakyatan (people's economy). Deze populistische politiek past geheel bij de idealen van de stichters van de republiek, maar verhult Sasono's ware bedoelingen. Hij geeft namelijk geen duidelijkheid op de vraag welke plaats de Chinese ondernemer en zakenman nog over houdt in dit beleid. En als daar geen uitsluitsel over komt dan zal de Chinese minderheid zich blijvend bedreigd voelen. De groep van Adi Sasono, formeel opererend binnen de Golkar, wordt namelijk in de publieke opinie in Indonesië in verband gebracht met die legereenheden die beschuldigd worden van gewelddadige acties tegen de Chinezen in mei van dit jaar. Volgens die lezing zouden die acties vooral bedoeld zijn geweest om de Chinezen dusdanig af te schrikken dat zij de wijk zouden nemen. Dat is dan ook goeddeels gebeurd. Nog steeds hebben de belangrijkste Chinese zakenlieden zichzelf en hun kapitaal (naar schatting 74 miljard dollar) in het buitenland in veiligheid gebracht. Binnen kringen van Adi Sasono wordt deze kapitaalvlucht echter niet betreurd. Men ziet het als een welkome gelegenheid om inheemse (lees: islamitische) productie- en distributienetwerken op te bouwen, al kan dat jaren kosten.

Door de etnische en religieuze minderheden worden die uitspraken op economisch gebied echter direct doorgetrokken naar het politiek-ideologische vlak. Vandaar dat vooral de christelijke gemeenschappen in Oost-Indonesië, die op sommige eilanden daar in de meerderheid zijn, ter bescherming tegenover de islam christelijke politieke partijen willen oprichten. Hier en daar klinkt de roep om onafhankelijkheid al luid en duidelijk.

Niet alleen het leger is ernstig bevreesd voor deze ontwikkeling, ook Gus Dur, de koosnaam van Abdurrachman Wahid, de leider van de grootste moslimorganisatie, de 30 miljoen tellende Nahdatul Ulama (NU), verkondigt al jaar en dag dat indien de islam zich op basis van haar dominante maatschappelijke positie ook in politiek en economisch opzicht conform haar demografisch overwicht zou manifesteren dit het einde zal betekenen van de eenheidsrepubliek Indonesië. Al in 1993 waarschuwde hij daarom per brief president Soeharto dat wanneer die niet zou ophouden de ICMI als politieke islamstroming te steunen er onherroepelijk een 'Algerijnse situatie' zou ontstaan waarbij delen van het leger tegenover de moslimbevolking zou komen te staan en de ene groep van moslims de andere zou uitmoorden. De recente zogenoemde ninja-moorden op ruim 150 geestelijke NU-leiders in Oost-Java worden dan ook door menigeen gezien als het begin van een dergelijke 'Algerijnse situatie'.

De bloedige actie van afgelopen zondag in het centrum van Jakarta, waarbij voor het oog van de pers en de 'veiligheidstroepen' katholieke Ambonezen werden doodgeknuppeld, doet vrezen dat er nu sprake is van een nog sterkere verdieping van geweld dat een broederoorlog wel haast onvermijdelijk wordt. Wanneer de gruwelijkheden, zoals die in kleur in dit dagblad afgebeeld, ook de christelijke bevolkingsgroepen in Oost Indonesië onder ogen zullen komen, moet er een Godswonder gebeuren als dat geen tegengeweld zal uitlokken. Reacties die weer zullen leiden tot nog meer militair ingrijpen en uiteindelijk de restauratieve krachten binnen de overheid een alibi zullen bieden om het ingezette reformasi-proces te stoppen. Mogelijk zelfs door de aangekondigde verkiezingen voor onbepaalde tijd uit te stellen.

Omwille van de eenheid van volk en samenleving zullen dan ook, hoogst waarschijnlijk, Wahid en Megawati de zijde kiezen van dat legerdeel dat zegt eerst de 'orde en rust' te willen herstellen. Maar de psoitie van Amien Rais is niet zo eenduidig. Rais wordt ook nog steeds gezien als een politieke bondgenoot van Adi Sasono waarmee hij jarenlang binnen de ICMI zo nauw heeft samengewerkt.

En deze Adi Sasono streeft zijn eigen agenda na. Hij is furieus tegen een uitstel van de verkiezingen. Hij wordt dan ook genoemd als een van de personen die op eigen gezag de volksmilitie uit de dorpen rond Jakarta heeft ingehuurd om daarmee de radicale studenten demonstraties van twee weken geleden te breken. Sasono wilde namelijk de bijzondere zitting van de Raadgevende Volksvergadering gewoon door laten gaan omdat hij zijn beste kansen ziet liggen bij een voorlopig aanblijven van Habibie als president. Vanuit zijn positie in het machtcentrum - hij geldt als een super-minister binnen Habibie's kabinet - denkt Sasono als een overwinnaar uit de komende verkiezingen te komen.

Tegenstanders van Amien Rais vrezen nu, dat, wanneer Adi Sasono met succes zijn eigen agenda heeft kunnen uitvoeren, Rais alsnog een coalitie met Sasono zal aangaan om zo de islamisering van Indonesië dichter bij te brengen.

Maar ook Adi Sasono zal dan een beroep moeten doen op bepaalde delen van het leger. Een coalitie tussen de groep van Sasono en de Abri-hijau zou de weg vrij kunnen maken om de Chinezen op den duur blijvend uit te sluiten van lucratieve economische posities.

Militairen en moslimondernemers verdelen dan onderling de winstgevende posities. In Jakarta spreekt men in dit verband van een 'Burmese situatie' omdat een dergelijk regime zeer nationalistisch zal zijn en zich van westerse kritiek op schendingen van mensenrechten weinig zal aantrekken.

NICO SCHULTE NORDHOLT politiek antropoloog, Universiteit Twente.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden