Minka Nijhuis wil geen waaghals heten

Minka Nijhuis: ?In mijn kidnap-pakketje zitten foto's van mijn neefje en nichtjes. Want als ik word ontvoerd, wil ik direct worden gezien als mens met een familie.' ( FOTO JÿRGEN CARIS, TROUW )

Minka Nijhuis doet al twintig jaar, als journalist en schrijver, verslag over conflictgebieden. Ze keerde onlangs terug uit Afghanistan. Eerder dit jaar werd haar boek over Burma bekroond. In het verleden bezocht ze Irak, Cambodja en Oost-Timor. „Het is voor mij geen optie om niet te gaan.”

Haar portret staat op tafel, een foto aan de muur toont haar in karakteristieke kaarsrechte pose: Aung Sang Suu Kyi. „Ze is van 1945, dus inmiddels is ze 65”, zegt Minka Nijhuis. Even moet ze in haar geheugen zoeken. „19 juni was ze jarig.”

„Ze is iemand die bij mijn leven hoort”, is de resolute verklaring voor de prominente aanwezigheid van de Burmese oppositieleidster in haar Amsterdamse appartement. Eind vorige eeuw, toen de junta Suu Kyi kort meer bewegingsvrijheid gunde, sprak Nijhuis herhaalde malen met haar. „Ik heb die geschiedenis van nabij meegemaakt. Het zou best kunnen dat ze nooit meer vrij komt. En ik wil niet achteraf denken: daar heb ik niet bij stilgestaan. Ik wil haar en die honderden anderen die achter datzelfde verhaal steken niet vergeten. Wie denkt er eigenlijk nog aan haar? Af en toe vlamt de aandacht voor Burma wel weer op, maar daarna zakt het snel weer in. Het verhaal is te lang te veel van hetzelfde. En dan verdwijnt het uit beeld.”

Nijhuis (52) is net terug van vier maanden Afghanistan. Ze was eerder ook in Irak, in Cambodja en in Oost-Timor. Al twintig jaar doet ze, als journalist en schrijver, verslag over conflictgebieden, waar ze veelal langere tijd verblijft. Maar Burma is het land van haar eerste grote reportages. En daarmee toch het land dat haar het meest aan het hart gaat. „Het is als met een eerste grote liefde, die blijft speciaal.”

Hoe ze daar terechtkwam? Ze wil het niet mooier maken dan het is. „Voor een groot deel toeval. Ik was in Vietnam, in huis bij een Britse malariadeskundige. Die zei: ’Je moet naar Burma gaan, daar is al jaren een oorlog aan de gang, maar niemand schrijft erover’. Hij had er allerlei contacten. En toen ben ik gegaan. Dat ik daarmee een pad zou inslaan dat me zoveel jaar later in Afghanistan zou brengen, had ik natuurlijk ook niet kunnen denken.”

In haar eerder dit jaar bekroonde boek ’Birma, land van geheimen’ beschrijft ze dat prille begin. Hoe ze een luchtaanval meemaakt in het grensgebied tussen Burma en Thailand. En vervolgens meegaat op een achtdaagse voettocht door de jungle.

Je schrijft er tamelijk laconiek over.

„Ik ontdekte dat ik niet gauw bang ben. En ik was bovendien heel fit. Sommige soldaten met wie ik op pad ging, waren in een veel slechtere conditie dan ik.”

Maar toch, waarom zocht je dit überhaupt op?

Het is een vraag waarop het antwoord in brokjes komt. Want Nijhuis praat niet graag over zichzelf. Ze heeft het liever over de mensen die ze op haar reizen tegenkomt. Oorlog, zegt ze in een tweede gesprek, was een thema dat haar al jong bezighield.

„Ik las heel veel. Boeken waar avontuur inzat. En waarin iets aan de kaak werd gesteld wat niet in de haak was. Bij ons thuis waren dat ook wel thema’s, al was het niet altijd heel expliciet. Ik heb als kind vrij veel verhalen gehoord over de oorlog. Een van mijn opa’s had in het verzet gezeten, en dat heeft veel indruk op me gemaakt.”

Haast verbaasd, een beetje lachend vertelt ze dan: „Ik weet nog dat in 1968 de Russen Tsjechoslowakije binnenvielen. Een buurmeisje kwam huilend binnen. Haar moeder had gezegd dat de Russen al aan de Duitse grens stonden en dat het heel gevaarlijk zou worden. Maar ik dacht: laat ze maar komen, ik weet wat we moeten gaan doen. We gaan hamsteren en de kelder inrichten voor onderduikers. Nu komt het erop aan, nu wordt duidelijk wie waar staat. Dat was een vraag die me erg bezighield: hoe komt het dat de een wel iets heeft gedaan en de ander niet. En wat zou je zelf doen. En de impliciete moraal bij ons thuis was wel dat je maar beter niet bij de zwijgers en de stilzitters kon horen. En degenen met wie ik me in die boeken identificeerde, waren ook niet degenen die thuis zaten te wachten.”

„Toen ik daar in 1992 aan de grens met Burma stond en hoorde dat er kans was op luchtaanvallen, zei iets in mij: ik ga toch. Nu gaat het gebeuren, nu wil ik het ook zien.”

Toch heeft het even geduurd voordat je die stap zette. Je was al rond de dertig toen je je eerste verhalen schreef.

„Ik heb lang over mijn studie gedaan, werkte in die tijd ook als stewardess. Dat was een fantastische manier om de wereld te zien. Journalistiek was voor mij een geheime wens. Ik had veel ontzag voor die wereld, dacht dat het heel bijzondere mensen waren. Tijdens mijn studie had ik een paper geschreven over hoe met steun van het Westen de Rode Khmer weer tot leven was gewekt. En toen ging in 1989 het Vietnamese leger weg uit Cambodja. Ik dacht: nu wil ik met eigen ogen zien hoe het afloopt als daar een machtsvacuüm ontstaat. Ik belandde daar in een enorm mediacircus. Er liepen een heleboel journalisten rond die weinig van Cambodja wisten, terwijl ik alles had gelezen wat er te lezen viel. En toen nam het ontzag voor het vak ook heel erg af. Toen durfde ik het wel aan en ben ik langzamerhand gaan schrijven.”

Inmiddels bedrijft ze journalistiek op een manier waar weinig (Nederlandse) journalisten zich aan wagen. Ze gaat naar gevaarlijke gebieden, doorgaans niet onder bescherming van het leger, maar op eigen houtje. Vaak blijft ze maandenlang om het leven van gewone mensen in kaart te brengen. Maar een waaghals wil ze beslist niet worden genoemd.

Wat is er zo erg aan die term?

„Het suggereert dat ik zomaar wat doe, alsof ik me zomaar ergens instort. En dat is niet zo. Ik bereid me goed voor, besteed daar veel tijd aan. Natuurlijk zijn er momenten dat ik bang ben. Maar je hoeft niet in paniek te raken of de controle te verliezen. Je moet de risico’s ook niet overdrijven. En bovendien is journalistiek nu eenmaal een vak waar risico’s aan zitten. Of iemand die wil nemen, is een persoonlijke keuze. Dat zal ik nooit veroordelen. Maar zeg dat dan en maak er niet van dat het sowieso te gevaarlijk is. Er komen inderdaad mensen om bij dit werk, maar dat is vaak een kwestie van domme pech.”

Zijn er momenten geweest dat je toch dacht: nu ben ik te ver gegaan?

Het antwoord komt met een omweg: „April 2004 was ik in Bagdad, toen de slag rond Falloedja gaande was. Het werd een soort obsessie om daar te komen. Ik moest en zou het proberen, dat kreeg ik gewoon niet uit mijn hoofd. Het was zo duidelijk dat daar iets gebeurde waar de Amerikanen ons niet bij wilden hebben. Ik ben toen met Iraakse artsen meegegaan in een ambulance. Bij een checkpoint werd ik door Amerikaanse militairen uit de auto gehaald. Ze lieten me een foto zien van een brug waar eerder de verkoolde lijken van een aantal buitenlandse contractors waren opgehangen. Ze zeiden: als jij de stad ingaat, hang je daar aan het eind van de dag ook. Toen moest ik toch even slikken, ook al wist ik dat het pure intimidatie was. Maar ik dacht ook: ik wil niet dood.”

In september 1999 was je, kort nadat de bevolking van Oost-Timor zich had uitgesproken voor autonomie, een van de weinige journalisten die bleven toen de compound van het VN-gebouw in Dili, waar zo’n 1500 vluchtelingen verbleven, werd belegerd door pro-Indonesische milities. Was dat niet ook zo’n moment?

Resoluut: „Nee. Er is wel een collega geweest die zei: ’Jij bent suïcidaal.’ Toen ben ik wel even geschrokken. Maar uiteindelijk dacht ik toch: het is een krachtmeting tussen media, internationale gemeenschap en Indonesië waarbij het tij uiteindelijk de goede kant op zal gaan. We waren al maanden op Oost-Timor. Als het echt de bedoeling was geweest om buitenlanders te vermoorden, was dat allang gebeurd. Ik dacht: als we maar blijven volhouden en berichten, komt het moment dat Indonesië toegeeft steeds dichterbij. En eigenlijk was ik banger om weg te gaan. Ik dacht: als ik het nu laat afweten, hoe sta ik dan morgen op?”

Was dit dan als in 1968. Dat je dacht: nu komt het erop aan?

„Achteraf wel. Op het moment zelf was ik daar niet zo mee bezig. Maar ik herkende de situatie wel uit ervaringen van andere journalisten. Ik kende het verhaal van twee collega’s die in Cambodja waren toen de Rode Khmer het Franse consulaat wilden binnenvallen. Zij hadden een Cambodjaan meegenomen die hen eerder het leven had gered. Maar ze konden niet verhinderen dat die toch werd meegenomen, de killing fields in. Ik had me wel eerder gerealiseerd dat er een moment kon komen dat ik ook zoiets zou meemaken. Ik hoopte dat ik zou doen wat in mijn vermogen lag. Want ik had ook gezien dat het een enorme impact heeft, als je iemand in de steek moet laten, ook al kun je daar niets aan doen. Het is een vloek voor je leven. Die Cambodjaan heeft het uiteindelijk overleefd, maar daar zag het toen niet naar uit.”

Hoe verwerk je dit soort ervaringen?

„Het went. Het blijft natuurlijk altijd een schizofrene ervaring. Ik weet nog dat, toen ik uit Oost-Timor kwam, ik me heb vergaapt aan alle oude huizen hier. Alles was heel, niets was kapot. Daar laafde ik me aan.”

Dat maakte je niet boos?

„Nee, het ontroerde me.”

Een psychische terugslag heb je nooit gehad?

„Nee. Ik zeg niet dat dat niet kan gebeuren. De menselijke geest is net zo goed breekbaar als het lichaam. Maar ik ben er niet bang voor. Er zijn natuurlijk periodes dat je dingen meemaakt die je erg bijblijven, natuurlijk voel je je soms bedroefd, heb je pijn. Dat hoort bij het leven. Ik heb gelukkig goede vrienden, familie. Met de een ga ik een avond uit en praat over het dagelijks bestaan, en met de ander deel ik het verhaal. Al valt het bijna nooit helemaal uit te leggen. Maar in die ervaring ben ik niet uniek. Een chirurg die moet beslissen: ga ik het zus of zo doen, kan buitenstaanders ook nooit helemaal uitleggen wat er dan door hem heen gaat.”

Wat is dan zo lastig?

„Het is heel moeilijk duidelijk te maken hoe ontwrichtend oorlog is. En wat dat doet met het leven van mensen. Je ziet een mate van lelijkheid die erger is dan je het in woorden kunt vatten. Tenminste, ik vind dat ik er toch nooit helemaal in slaag. Vlak voordat ik wegging uit Afghanistan was ik in een ziekenhuis waar een jongen lag die als tolk voor de Amerikanen had gewerkt. Hij lag nog wel aan beademingsapparatuur, maar er was geen redden meer aan. Zijn vader werkte in dat ziekenhuis en die had bij toeval ontdekt dat dat levenloze lichaam van zijn zoon was. Het verdriet in de ogen van de man, zo’n hele stoere Afghaan, dat is zo vreselijk.

„En je maakt natuurlijk keuzes die moeilijk onder woorden te brengen zijn. Dan ga ik naar Bagdad en vraag me af: moet ik echt zo nodig, waarom eigenlijk? Zeker in die tijd dat het heel slecht was, in 2005 en 2006, toen er doodseskaders op straat waren, het een regelrechte burgeroorlog was. Dan loop ik hier in mijn fijne appartement, kijk naar buiten en denk: niemand dwingt me. Maar je wilt het toch niet loslaten. Het is voor mij geen optie om niet te gaan.

Waarom niet?

„Het voelt als falen.”

Als laf?

„Ja, nou, dat weet ik niet eens. Het voelt vooral als in de steek laten. Maar dan zie ik mezelf heel koeltjes mijn spullen klaarleggen. Mijn kidnap-pakketje bijvoorbeeld. Daarin zitten foto’s van mijn neefje en van mijn nichtjes. Die neem ik mee omdat ik, als ik word ontvoerd, zo snel mogelijk wil worden gezien als een mens met een familie en niet als vertegenwoordiger van een decadent Westen of van de CIA. En dan zie ik mezelf die foto’s selecteren en denken: o, die is ook wel mooi. En dat is natuurlijk toch heel raar. Je hangt even aan je eigen plafond, ziet je jezelf door de ogen van een ander. Maar tegelijkertijd is er ook een stem in je hoofd die zegt: de kans dat het goed afloopt, is gewoon veel groter dan dat het misloopt. En daar kan ik mee leven. Dat is hetzelfde als een chirurg, denk ik. Als die tijdens de operatie gaat denken over alles wat er mis kan gaan, dan voert hij niets meer uit.”

Dat klinkt toch zwaar.

„Ik vind de wereld een onrechtvaardige plaats en daar heb ik last van. Door dit werk kan ik daaraan misschien iets doen, al wil ik dat zeker niet uitvergroten. Ik vind het al zinnig als ik even de gedachten van lezers kan laten afreizen naar dat land en die mensen daar. En ik vind het ook belangrijk dat dingen genoteerd staan zodat ze niet ontkend kunnen worden. Maar ik ben geen moeder Theresa; ik doe wat ik leuk vind. Er gaat een enorme aantrekkingskracht uit van een plek waar geschiedenis wordt geschreven. Het idee dat je getuige bent van de geschiedenis is een groots gevoel. En het is natuurlijk ook gewoon fascinerend en avontuurlijk. Je ontmoet de meest uiteenlopende mensen. Dat verveelt nooit. En er valt een hoop te lachen, het is een leven vol absurditeiten. Ik wil met niemand ruilen. Dan ben je toch een vrij gelukkig mens.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden