Ministerie doet alsof de Noordzee geen natuur is

De natuur van de Noordzee bestaat uit meer dan vissen alleen. Staatssecretaris Faber van landbouw, natuurbeheer en visserij (LNV) loopt aan de leiband van visserijbiologen die vooral naar de vissen kijken, en minder naar de natuur waarin die vissen leven.

Al tien jaar frustreert het ministerie LNV en het aan dit ministerie gelieerde Rijksinstituut voor Visserij Onderzoek (Rivo) iedere discussie over natuurreservaten op open zee. Een brief van staatssecretaris Faber aan de vaste kamercommissie is daar het jongste voorbeeld van. De staatsecretaris neemt daarin afstand van een onderzoeksrapport van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (Nioz) over bodemdieren in de Noordzee.

Faber bestempelt de inhoud als 'onbevredigend' en 'van beperkte betekenis voor natuurbeleid'. Zij negeert met deze kwalificatie volledig de mening van negen van de tien leden van de wetenschappelijke begeleidingsgroep van het onderzoek. Erger, haar feitelijke kritiek bevat een aantal onjuistheden. Wat is er aan de hand?

In de opdracht voor het rapport was gevraagd, de rol aan te geven van de verschillende gebruiksfuncties van de zee (zoals visserij, recreatie, olie- en gasboren) op de ontwikkeling van de dieren die op en in de bodem leven. Daarbij mocht de nadruk niet eenzijdig op de visserij liggen. Ik heb daarop een vergelijking gemaakt van de directe effecten van deze gebruiksfuncties door de mate van beschadiging te berekenen met een beschadigingsindex, RBBI genaamd. Bijvoorbeeld: de boomkorvisserij doodt gemiddeld 18 procent van het leven in en op de bodem over de breedte van het visspoor. Jaarlijks wordt 50000 vierkante kilometer gemiddeld 1,36 maal bevist en bedraagt de hersteltijd van de bodem een jaar. In de berekening levert dit een minimale RBBI van 12240 op. Andere getallen leiden tot een maximale RBBI van 62400. Voor olie- en gaswinning zijn deze waarden 0,005-0,43. Voor de duidelijkheid: het gaat hier alleen om een vergelijking van de aantoonbare effecten. Effecten van rampen, bijkomende vervuiling en spooknetten zijn niet in de RBBI opgenomen.

De directe effecten van de boomkorvissserij zijn nu dus minimaal honderduizend maal groter dan die van de olie- en gaswinning. Van alle huidige directe effecten op de Noordzee bodemfauna komt 99,8 procent voor rekening van de visserij. Het ministerie vindt deze conclusie kennelijk niet leuk, en de staatssecretaris probeert met haar brief het rapport in discrediet te brengen.

Ze wijst erop dat het voor natuurbeheer vooral om effecten op de populatie gaat, op de aantallen en de verscheidenheid van dieren. Door de intensieve visserij, zonder rekening te houden met de omstandigheden in en op de bodem, ontstaat er echter een soortensamenstelling die door de mens door middel van de visserij wordt bepaald. Een soort visakker. Dit betekent een nivellering van het systeem en een verschuiving naar kortlevende, zich snel en veelvuldig reproducerende soorten. Het lijkt er zelfs op dat een hele functionele diergroep, die van de filtreerders (dieren die hun voedsel uit het water filteren, zoals schelpdieren) aan het verdwijnen is. Het dierenleven in de zwaar beviste Noordzee bevat veel wormen, veel platvis, maar weinig verscheidenheid van met name grotere dieren. Vroeger, voor de intensieve bodemvisserij, zag de Noordzee fauna er anders uit, met veel grote schelpdieren, kraakbeenvissen en begroeide oesterbanken en steenpartijen. Nu zijn bijvoorbeeld roggen, grote pietermannen en wulken weg uit de kustzone.

De ecologen van Nioz kwamen dan ook tot de conclusie dat het instellen van grote beschermde gebieden het enige middel is om tot een ecologisch meer optimale Noordzee te komen. Deze conclusie komt het ministerie niet uit. Men richt zich hoofdzakelijk op verbetering van vistechnieken. Er is mijns inziens maar één oplossing: de Haagse en Europese politiek zal keuzen moeten maken. Mogen de vissers overal hun gang gaan en is onze Noordzee één grote 'visakker' of is er ook plaats voor natuur in gebieden waar de bodemvisserij geweerd wordt?

Tegen het instellen van natuurreservaten is een sterke druk vanuit de visserij te begrijpen. Maar ook een minder begrijpelijke druk van visserijbiologen en van LNV. Hoe komt dat? Het grote probleem is dat veel Europese en Noordamerikaanse visserijwetenschappers niets zien in gebieden die gesloten zijn voor de visserij op commercieel interessante vissoorten.

Maar het gaat hier helemaal niet om die soorten. Toen ik tien jaar geleden stelde dat gesloten gebieden nodig zijn als wij de rog terug willen in onze kustwateren, inclusief de Waddenzee, werd mij door het Rivo gebrek aan kennis verweten. Door ons uitgevoerd onderzoek heeft die kennis inmiddels wel opgeleverd, zodat ook het Rivo onlangs toegaf dat het instellen van een beschermd gebied bij Texel kan helpen de rog terug te krijgen. Maar daar wordt dan direct weer aan toegevoegd: ,,Voor ons hoeft het niet, zolang die roggen bij Engeland voorkomen.''

Het Rivo wil in het Nederlandse deel van de Noordzee geen gesloten gebieden. Het probleem is dat visserijbiologen zich richten op het optimaliseren van visopbrengsten. Maar in dergelijke benaderingen is weinig plaats voor natuurbeheer, tenzij het de doelsoorten van de visserij betreft. Voor de niet-doelsoorten heeft men weinig belangstelling. En dezelfde mening lijkt binnen het ministerie van LNV de overhand te hebben.

In de Noordzee kunnen visserij- en natuurbeleid prima samengaan, maar op het ministerie blijkbaar niet. Het wordt tijd dat de verantwoordelijken voor het Nederlandse natuurbeleid dit beseffen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden