Minimumloon staat al vijftien jaar vruchteloos ter discussie

DEN HAAG - Het is zo'n beetje als met de wisseling van de seizoenen. Zo zeker als na winter, lente, zomer en herfst volgen, zo zeker steekt inmiddels al gedurende zo'n vijftien jaar periodiek de discussie over het wettelijk minimumloon de kop op. En ook de argumenten pro en contra vormen een constante.

Vandaag moeten de ministers Melkert (PvdA) van sociale zaken en werkgelegenheid en Wijers (D66) van economische zaken zich op verzoek van GroenLinks-fractievoorzitter Rosenmöller in de Tweede Kamer verantwoorden voor hun opvattingen over het minimumloon. Het zal de ministers niet echt makkelijk vallen de eenheid van het regeringsbeleid te bewaren: ze zijn het namelijk hartgrondig oneens.

Wijers wil het wettelijk minimumloon afschaffen. Melkert ziet helemaal niets in dat idee. Maar ongetwijfeld zullen de twee bewindslieden in de Tweede Kamer weg komen via de ontsnappingsroute van het wat formele argument dat Wijers zijn pleidooi richtte op de tijd ná dit paarse kabinet.

Het wettelijk minimumloon ligt al jaren onder vuur. Een overzicht zonder de pretentie van volledigheid, èn met de aantekening dat totnogtoe al deze pogingen afketsten op een meerderheid in Tweede Kamer, dan wel kabinet.

Onder de eerste twee kabinetten-Lubbers (CDA/VVD, '82-'86 en '86-'89) probeerde minister De Koning (CDA) enkele malen om wat van het minimumloon af te knabbelen via het optrekken van de leeftijdgrens. Werknemers zouden niet met 23 jaar het wettelijk minimumloon voor volwassenen moeten krijgen, maar maar pas met 27 jaar. Als een huishouden daardoor onder het sociaal minimum uitkwam, zou een toeslag worden verstrekt. Het plan strandde iedere keer, mede op verzet van de CDA-fractie, die toen werd aangevoerd door De Vries.

In 1991 - tijdens het derde kabinet-Lubbers, waarin CDA en PvdA samen regeerden - pleitte minister Andriessen (CDA) van economische zaken voor verlaging van het minimumloon. Hij nam daarmee een voorschot op de discussie in het kabinet over een rapport van de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid. Daarin werd bepleit om het minimumloon stapsgewijze te verlagen tot 70 procent.

Helaas voor Andriessen volgde het kabinet die suggestie niet. Niet alleen de PvdA-ministers waren tegen. Ook bij zijn partijgenoten ondervond Andriessen weerstand. De Vries (toen minister van sociale zaken) was er tegen. En ook Lubbers voelde er inmiddels niets meer voor.

Lubbers wendde ook zijn invloed aan toen het idee om het minimumloon fors te verlagen, of zelfs af te schaffen, opdook in het ontwerp voor het CDA-verkiezingsprogramma, in 1993. In het definitieve programma stond het voornemen dan ook niet meer.

Maar in 1995 stond het minimumloon opnieuw volop ter discussie. In het voorjaar kwamen onder andere de werkgeversorganisatie VNO-NCW, topambtenaren, en economische deskundigen van de Sociaal-economische raad met pleidooien om het te verlagen of zelfs helemaal los te laten. En in november vorig jaar prijkte die gedachte prominent in een rapport van een CDA-commissie onder leiding van oud-EU-commissaris Andriessen.

De VVD - al geruime tijd geen aanhanger van het minimumloon - greep het uitkomen van dat rapport ('Nieuwe wegen, vaste waarden') aan om in december tijdens het Kamerdebat over de begroting sociale zaken en werkgelegenheid een uitvoerig pleidooi te houden voor verlaging van het minimumloon (onder gelijktijdige verstrekking van een aanvulling tot het sociaal minimum).

De liberalen stonden echter alleen. Niet alleen kregen ze geen gehoor bij minister Melkert en de coalitiepartners PvdA en D66, ook de CDA-fractie nam afstand van het rapport-Andriessen. “Wij willen in elk geval deze kabinetsperiode nog niet tornen aan het wettelijk minimumloon”, aldus CDA-Kamerlid Bijleveld.

Ook minister Wijers gaat ervan uit dat het wettelijk minimumloon deze kabinetsperiode nog wel zal blijven bestaan. Maar hij zou wel graag zien dat afschaffing/verlaging van het minimumloon een rol speelt in de onderhandelingen over het nieuwe regeerakkoord in 1998.

De minister moet dan wel nog het nodige lobbywerk verzetten in zijn eigen partij. Want ook daar loopt niet iedereen warm voor het aantasten van het minimumloon. Zo geeft D66-Kamerlid Bakker, woordvoerder inkomensbeleid en werkgelegenheidsbeleid, de voorkeur aan andere methoden: een tijdelijk ontheffing voor werkgevers van de verplichting hun werknemers het minimumloon te betalen (hiervoor heeft Melkert eind maart al een voorstel naar de Tweede Kamer gestuurd) en CAO's die geen afspraken bevatten over het scheppen van laag betaalde banen niet aan alle werkgevers in een bepaalde bedrijfstak opleggen.

Wat voor- en tegenstanders van het aantasten van het minimumloon verbindt is het doel: het scheppen van laaggekwalificeerde banen. Klassieke voorbeelden hierbij: de stadswacht, de huismeester, de conciërge of de schoonmaker. Maak dit werk goedkoper en werkgevers nemen werklozen in dienst voor zulke functies, redeneren de voorstanders.

In maatregelen als een loonkostensubsidie zien ze weinig: dat bezorgt werkgevers weliswaar een (veelal tijdelijk) financieel voordeeltje. Maar het bezorgt ze óók administratieve rompslomp èn het maakt ze afhankelijk van de overheid. Liever hebben werkgevers de vrijheid om volgens de wet van vraag en aanbod hun werknemers een bepaald loon aan te bieden. Is dat zo laag, dat het huishouden van de werknemer onder het sociaal minimum uitkomt, dan moet die maar langs de sociale dienst voor een aanvulling.

Dat nu is tegenstanders een gruwel. Niet alleen zijn ze bang dat dat sociaal minimum op den duur onder druk komt te staan, ook wijzen ze op het grote goed van een nationale waarborg dat een bepaalde minimumprestatie een bepaald minimumloon waard is. Iemand die werkt, moet niet ook nog eens bij de sociale dienst zijn hand hoeven ophouden, maar mag verwachten dat hij van dat inkomen kan rondkomen. (Overigens becijferde de WRR in 1990 dat slechts 0,4 procent van de werknemers het samen met één of meer huisgenoten van dat ene minimuminkomen moest zien te rooien, in de overige huishoudens kwam ofwel één hoger inkomen, ofwel kwamen meer inkomens binnen).

En verder is er het argument van de armoedeval: wie minder verdient dan het wettelijk minimum, raakt, zodra de werkgever besluit een loonsverhoging toe te kennen, de aanvulling tot het sociaal minimum kwijt. Met andere woorden: harder werken, vaak de grond voor een loonsverhoging, levert niets op.

Het zijn de argumenten zoals ze al jaren worden gewisseld. Gevreesd moet worden dat ook het Kamerdebatje van vandaag daarin geen verandering zal brengen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden