Minderbroeder in de wetenschap

Koos van Winden 1922-2013

Toen hij als hoogleraar met pensioen ging, greep hij een nieuwe kans: pastoor in een gewone parochie. Dat was zijn jongensdroom geweest.

Al van verre kon de jongen zien dat hij zijn bestemming had gevonden. Drie puntige torenspitsen die hoog oprezen boven de dorpse huizen van het plaatsje Megen wezen erop dat het katholieke geloof daar serieus werd genomen. Er was een parochiekerk en er waren twee kloosterkerken, die van de Minderbroeders en die van de teruggetrokken levende Clarissen, en dan nog een kapel hier en daar. Megen was een broedplaats van de volgelingen van Franciscus van Assisi en daar vond Koos van Winden zijn toekomst.

Hij was nog maar twaalf toen hij als boerenjongen uit het Delfland aankwam in dat plaatsje aan de Brabantse oever van de Waal om priester te worden. Het was de belangrijkste beslissing die hij ooit heeft genomen. Sindsdien is het leven hem min of meer overkomen, zoals hij zelf zei.

Met andere seminaristen werd hij ondergebracht bij kostgezinnen, allemaal op een steenworp afstand van het kloeke schoolgebouw naast het klooster. Nu is er een tandartspraktijk en café 't Vaticaan gehuisvest, maar nog altijd staat de naam Acropolis boven de schooldeur gebeiteld, om de jongens eraan te herinneren dat ze een hoge berg moesten beklimmen.

Als oudste van vijf kinderen op een boerderij met melkvee, had het voor de hand gelegen dat Koos zijn vader zou opvolgen. Hij hielp graag met melken en hooien, maar hij droomde ervan priester te worden. In een goed katholiek gezin werd zo'n ambitie destijds verwelkomd. Zijn zus An zou later naar het Clarissenklooster gaan.

Op z'n 19de deed hij als novice zijn intrede in de Franciscaanse orde en kreeg hij de naam broeder Bertram. Om pastoor te worden, moest hij verder studeren. In Venray, Vlodrop en Weert volgde hij de hogere opleidingen van de broederschap in filosofie en theologie. In maart 1948 werd hij tot priester gewijd en volgde hij nog een cursus in Maastricht om als pastoor aan de slag te kunnen.

Studiebol
Maar de orde besloot anders. Hij moest klassieke talen gaan studeren en Koos meldde zich in 1949 gehoorzaam bij de universiteit van Leiden. Ook daar viel zijn studiebol op en een jaar na zijn kandidaatsexamen werd hij voor halve dagen assistent van zijn professor, de latinist Jan Hendrik Waszink. Ook al was die veertien jaar ouder dan Koos, ze werden vrienden.

Waszink had diepgaande studie gemaakt van de eerste christenen en dan vooral van de kerkvader Tertullianus. Koos deelde die belangstelling en stak zijn leermeester later naar de kroon. "Ik ben vele gevechten met Van Winden aangegaan over de interpretatie van een geschrift van Tertullianus", zei Waszink eens, "maar ik heb ze allemaal verloren."

Hoe diep Koos ook in de historie dook, hij werd eerst gewoon leraar klassieke talen in Rotterdam. Hij woonde daar in de pastorie van een kerk. Nooit heeft hij een eigen huishouding gevoerd. Altijd woonde hij in, meestal met andere Minderbroeders die dezelfde gelofte van armoede hadden gedaan en zich lieten verzorgen door een huishoudster.

Zijn baan als leraar kostte hem weinig tijd en dus kon hij zich wijden aan zijn proefschrift. Hij promoveerde cum laude op een platonistische filosoof uit de vierde eeuw, Calcidius.

Voor hem was dat geen obscure bezigheid, het had alles te maken met zijn eigen geloof. Hij noemde zichzelf een aanhanger van het late platonisme. "Volgens die leer kun je alleen tot waarschijnlijkheden komen", zei hij. "Rationeel gezien is het geloof slechts een waarschijnlijkheid."

In de loop der jaren werd zijn geloof steeds eenvoudiger. "Ik ben tot de ontdekking gekomen dat al die theologische constructies niet van betekenis zijn. De theologie is steeds meer overbodig geworden. Voor mij is geloven, zeggen: ik weet dat het onwaarschijnlijk is en toch geloof ik."

Dat was geen kwestie van logisch redeneren, maar een gevoel. Want het is onbegrijpelijk, zei hij, "dat Jezus de zoon van God is en dat God goed is, terwijl de wereld crepeert. En dat de mens onsterfelijk zou zijn, dat gaat toch recht in tegen onze ervaring van geboorte, ouder worden en sterven. Maar voor mij is Christus de reden dat ik denk: En tóch..."

Kerkelijke rituelen bleven voor hem belangrijk. Hij greep elke mogelijkheid aan om voor te gaan bij de eucharistieviering. Ook toen hij in 1962 lector werd aan de Leidse universiteit en in 1979 hoogleraar klassieke letteren, bleef hij in de weekeinden de mis opdragen als er ergens een invaller nodig was. Dat was immers zijn jongensdroom geweest.

Neven en nichten, vrienden en bekenden, hij voltrok hun huwelijken en hij doopte hun kinderen. Hij bleef een familieman, ook al had hij bij de Franciscanen nog een familie. Met verjaardagen belde hij steevast op, maar niet lang want hij was geen man voor kletspraatjes.

De woelingen in de katholieke kerk leken aan hem voorbij te gaan. "Ik ben niet altijd gelukkig met de beslissingen en uitspraken van de paus", zei hij. "De kerk is net een groot gezin. Daarvan zegt de vader ook weleens dingen waarvan je denkt 'Wat ongelukkig'."

Ruimhartig conservatief
Koos van Winden is wel omschreven als een ruimhartige conservatief. De kerk moest een duidelijk fundament hebben, vond hij, maar je hoeft niet bij iedereen te controleren of ze zich aan de grondslagen houden. Vrees voor vernieuwing kende hij niet, maar van sommige vernieuwingsbewegingen zei hij: "Het geestelijk gehalte hiervan is zo miniem dat dit gewoon niets kan worden".

Hij had er begrip voor dat pastores het celibaat braken en toch doorgingen in de kerk. "Dat vind ik iets goeds, al is het wel jammer dat die mensen in eerste instantie kennelijk een verkeerde keuze hebben gemaakt." Zelf is hij altijd celibatair gebleven.

Vrouwen mochten van hem in het kerkelijk ambt, maar hij zag dat die kwestie moeilijker op te lossen zou zijn dan de problemen met het celibaat.

In ieder geval moest je in gesprek blijven, vond hij. Hij was een geboren bemiddelaar. Toen twee belangrijke docenten in zijn faculteit een hartgrondige hekel aan elkaar hadden, zei hij: "Het probleem is dat die twee elkaar gewoon veel te weinig spreken".

In 1981 werd hij opgenomen in de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, een gezelschap van vijfhonderd excellente geleerden. Dat deed hem veel genoegen en hij zag het als een aansporing om door te gaan op zijn vakgebied, ook na zijn emeritaat als hoogleraar in 1984.

Tot kort voor zijn dood zat hij in de hoofdredactie van het specialistische tijdschrift Vigilae Christianae en bleef hij schrijven en recenseren.

Ook zag hij een kans bij de Leidse Hartebrugkerk toen de pastoor vertrok. Hij woonde toch al in op de pastorie en hij nam met bisschoppelijk goedvinden de parochie erbij. Als de pater op zijn eeuwige fiets werd hij er een bekende verschijning. Hij kleedde zich altijd eenvoudig, maar formeel: de colbertjes moesten blauw of grijs zijn, de overhemden blauw of wit. Zijn kleren gingen lang mee. Eens vond hij een briefje bij een donatie met de tekst 'Voor de pastoor, voor nieuwe kleren'.

Eenvoud kenmerkte ook zijn prediking. "Als je het niet eenvoudig kunt zeggen, kun je het beter niet zeggen."

Bij al zijn geestelijke activiteiten maakte hij altijd tijd vrij voor voetbal. In zijn jonge jaren had hij zelf gespeeld, later beperkte hij zich tot voetbal op tv. Hij kende alle spelers en hun tactieken. Een vriend die vaak met hem keek, zei eens: "Laten we het geluid maar uitzetten en lever jij je commentaar, want daar word ik veel wijzer van".

Koos van Winden bleef bij de Hartebrugkerk tot 2002, toen hij verhuisde naar een woning bij een zorgcentrum in Oegstgeest. Geleidelijk aan had hij steeds meer hulp nodig. Maar ook daar bleef hij de eucharistie opdragen, tot de directie daar vorig jaar een einde aan maakte. Dat viel hem zwaar. Ook al was hij broos en kon hij niet meer lezen, hij vond dat hij zijn pastorale werk nog goed kon doen.

Hij kwam maar weinig meer buiten. Toch ging hij in oktober vorig jaar naar de Mozes en Aäronkerk in Amsterdam, waar zijn neef Theo van Adrichem op latere leeftijd tot priester werd gewijd in zijn eigen orde van de Minderbroeders. Toen Theo boog voor de rolstoel van zijn oom zodat die volgens de traditie zijn handen op het hoofd van de nieuwe broeder kon leggen, raakten de beide families van Koos van Winden alias broeder Bertram elkaar.

Jacobus Cornelius Maria van Winden werd geboren op 10 oktober 1922 in Schipluiden, Zuid-Holland. Hij stierf in op 23 september 2013 in Oegstgeest.

Zijn kleren gingen lang mee. Eens vond hij een briefje bij een donatie met de tekst 'Voor de pastoor, voor nieuwe kleren'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden